Het college toetst de melding van nevenwerkzaamheid aan het verbod op grond van artikel 15:1e, lid 3 waarbij het college de volgende criteria hanteert:
onoorbare belangenverstrengeling
botsing van belangen
schade aan het aanzien van het ambt
onvoldoende beschikbaarheid voor de functie
Hierbij worden de volgende punten in ogenschouw genomen:
het karakter van de nevenwerkzaamheden
de functie van de ambtenaar in de organisatie
het gebied waarin de nevenwerkzaamheden worden verricht
of er een verwevenheid met de hoofdfunctie is
of de integriteit van de ambtenaar in het geding kan komen
of het risico bestaat dat ambtelijke informatie bij de uitoefening van nevenwerkzaamheden kan worden misbruikt
de reputatie van het bedrijf of de branche waarin de nevenwerkzaamheden worden verricht
of zich in belangrijke mate publieke effecten kunnen voordoen waardoor op zichzelf aanvaardbare nevenwerkzaamheden toch extern negatief worden beoordeeld
de zwaarte van de nevenwerkzaamheden