Wijze van heffing
In het eerste lid is geregeld op welke wijze de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a - dat is de belasting voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen - wordt geheven. Deze wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Het onderscheid is van belang voor de mogelijkheid van het opleggen van naheffingsaanslagen met opslag van kosten. Dit is op grond van de wettelijke regeling alleen mogelijk bij een systeem van voldoening op aangifte. Indien op andere wijze wordt geheven, dient de strafrechtelijke handhaving te worden toegepast en kunnen administratieve boetes ('Mulder- boetes') worden opgelegd. Voor de volledigheid bepaalt de slotzin van het eerste lid dat als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het in werking van de parkeerapparatuur op de voorgeschreven wijze. Deze bepaling komt overeen met de in artikel 234, tweede lid, onderdeel a, van de Gemeentewet opgenomen mogelijkheid voor het voldoen op aangifte. Het tweede lid regelt de wijze van heffing voor de parkeerbelasting voor het parkeren krachtens een parkeervergunning. Deze belasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Daarmee is de 'echte' voldoening op aangifte bedoeld en niet de voldoening op aangifte bij wetsduiding (het in werking stellen van de parkeerapparatuur).
Termijnen van betaling
Het eerste lid regelt het tijdstip van betaling voor de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, dat is de belasting voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen. Zowel bij de heffing bij wege van voldoening op aangifte als bij de heffing op andere wijze, geschiedt de betaling door het inwerpen van geld in de parkeerapparatuur. In de verordening vallen aangifte en betaling dus samen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de AWR moet overeenkomstig de aangifte worden betaald. Voor het tijdstip van betaling is met toepassing van artikel 238, tweede lid (bij de heffing bij wege van voldoening op aangifte) en artikel 250, eerste lid (bij de heffing op andere wijze) van de Gemeentewet een van artikel 19 van de AWR, onderscheidenlijk artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 afwijkende betalingsregeling getroffen.
Als geen betaling heeft plaatsgevonden in de fysiek aanwezige parkeerapparatuur heeft plaatsgevonden kan een naheffingsaanslag worden opgelegd en eventueel een wielklem worden aangebracht. In die situatie vindt het traject zoals dat is vastgelegd in de artikelen 234 en 235 van de Gemeentewet toepassing. Een naheffingsaanslag moet ingevolge het laatste lid van artikel 7 terstond worden betaald. Dit is in overeenstemming met artikel 234, negende lid, van de Gemeentewet. De gemeente kan overigens ook een acceptgiro sturen die binnen een bepaalde termijn betaald moet worden.
Voor de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel b, is in het tweede lid bepaald dat deze overeenkomstig de aangifte (vergelijk artikel 5, tweede lid) moet worden betaald op het moment dat de vergunning wordt aangevraagd. Dit tijdstip zal doorgaans zijn gelegen voor aanvang van het tijdvak waarvoor de vergunning geldt.
Voor de aangiften wordt doorgaans gebruik gemaakt van een optisch leesbare acceptgiro. Door ondertekening van de betalingsopdracht doet men aangifte voor het volgend tijdvak. Voor dat tijdvak wordt ook een nieuwe vergunning verleend. Het parkeren zonder vergunning op plaatsen waar dat alleen met een vergunning mag is een overtreding. In dat geval zal er niet een naheffingsaanslag kunnen worden opgelegd, tenzij in hetzelfde gebied ook het parkeerbelasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven. Is dat laatste niet het geval, dan moet het parkeren zonder vergunning op een vergunningplaats gezien worden als een overtreding. Deze zal in beginsel strafrechtelijk worden vervolgd.
Hoofdstuk
Artikel 6
Wijze van heffing , termijn van betaling
Onderdeel van Parkeerbelastingverordening 2009