Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 7

Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen

Onderdeel van Parkeerbelastingverordening 2009

In artikel 7 is opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om aan te wijzen de plaats waar en het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van belasting mag worden geparkeerd. Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet moet de verordening namelijk een regeling bevatten in welke gevallen het college die aanwijzing kan doen. Het aanwijzingsbesluit completeert de verordening. Zonder aanwijzingsbesluit kunnen geen aanslagen worden opgelegd. Dit heeft in het verleden meerdere malen geleid tot vernietiging van de naheffingsaanslag, in die gevallen dat na intrekking van de verordening bij het vaststellen van de nieuwe verordening geen nieuw aanwijzingsbesluit was genomen. De Hoge Raad heeft echter bepaald dat men er in voorkomende gevallen vanuit kan gaan dat het de bedoeling is geweest dat het oude aanwijzingsbesluit na het vaststellen van de nieuwe verordening zou blijven gelden: "Het stond de gemeenteraad (¼) vrij om in de nieuwe verordening te bepalen dat het aanwijzingsbesluit geacht zou worden voortaan te berusten op de nieuwe verordening. Daar een besluit tot vaststelling van de plaatsen waar en de tijdstippen en wijzen waarop slechts tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd een verordening inzake parkeerbelastingen completeert, en de vaststelling van een nieuwe verordening niet noodzakelijkerwijs gepaard gaat met de behoefte om wijziging te brengen in de vaststelling van zulke plaatsen, tijdstippen en wijzen, zal doorgaans gerede aanleiding bestaan om te veronderstellen dat de gemeenteraad heeft beoogd gebruik te maken van de bevoegdheid die omschreven is aan het slot van de vorige volzin.". Voor de praktijk betekent dit dat de parkeerder aannemelijk zal moeten maken dat de gemeenteraad bij het intrekken van een oude verordening niet heeft beoogd om het aanwijzingsbesluit in tact te laten, wil aan het aanwijzingsbesluit verbindende kracht kunnen worden ontzegd; zie Hoge Raad 9 augustus 2002, nr. 36624, LJN AE6373 en Hoge Raad 14 juni 2002, nr. 37053, LJN AD7779. In het verleden is discussie geweest over de vraag of bezwaar en beroep mogelijk is tegen een aanwijzing indien deze is vervat in een afzonderlijk besluit, dat gebaseerd is op de verordening, maar er geen deel van uitmaakt. In een uitspraak van 12 april 1999 (nr. H01.98.1361) heeft de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist dat zulks niet mogelijk is. Een op grond van de verordening parkeerbelastingen genomen aanwijzingsbesluit berust namelijk op een wettelijk voorschrift inzake belastingen (artikel 225 Gemeentewet). Op grond van artikel 8:4, aanhef en onder g, van de Awb staat daartegen geen voorziening open. Het college van burgemeester en wethouders kan niet volstaan met het aanwijzen van de betaald-parkeren plaatsen maar moet in het openbaar te maken besluit ook aangeven de tijd dat het betaald-parkeren voor de verschillende parkeerplaatsen geldt (bijvoorbeeld van 9.00-18.00 uur, de data en tijden van de vaste koopavonden én de extra koopavonden etc.) en de wijze waarop tegen betaling geparkeerd mag worden (bijvoorbeeld dat een kaartje zichtbaar achter de voorruit moet liggen etc.). Niet voldoende is dat dit op de parkeermeter zelf staat. Ontbreekt een dergelijk besluit van het college dan kan de naheffingsaanslag niet in stand blijven (Hof Amsterdam van 8 september 1993 (nr. 2674/92, E III, Belastingblad 1994, blz. 37). De aanwijzingsbevoegdheid gaat niet zover dat het college de begrenzing van de gebieden waar het regime van betaald parkeren geldt kan vaststellen. Die bevoegdheid is voorbehouden aan de gemeenteraad. Het college kan wel binnen deze gebieden een nadere verfijning geven. Wij hebben er daarom voor gekozen de begrenzing te regelen via de bij de verordening behorende tarieventabel en/of via een bij de verordening behorende kaart. De bevoegdheid de gebieden aan te wijzen waar tegen betaling wordt geparkeerd, moet niet zo worden uitgelegd dat het college gehouden zou zijn elke individuele parkeerplaats aan te wijzen. Voldoende is de parkeerplaatsen in ruime zin aan te wijzen. Hieronder kan worden verstaan dat het voldoende is de straten aan te wijzen waar parkeerbelasting verschuldigd is. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 1999, nr. 34 615, Belastingblad 1999, blz. 734. Sinds 4 juli 2001 kan het college van burgemeester en wethouders bepalen dat het in werking stellen van een parkeermeter of parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden (Besluit van 20 juni 2001, Stb. 303; artikel 1a Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen). Voorwaarde daarvoor is dat er voldoende praktische middelen aan de parkeerder ten dienste staan om (uitsluitend) op die wijze de parkeerbelasting op aangifte te voldoen (tenminste keuze uit rekening gebonden chipkaart en niet-rekeninggebonden chipkaart met landelijke dekking, voldoende oplaad- en verkooppunten in lokale situatie). Volgens Hof Den Haag is het op grond van deze wettelijke regeling toegestaan te eisen dat alleen met chipknip kan worden betaald (Hof Den Haag 10 september 2003, nr. 02/04749, LJN: AL1841, Belastingblad 2003, blz. 1311 (Rotterdam)). Hof Arnhem is het daarmee niet eens. Dit hof vindt dat de wijze waarop parkeerbelasting kan worden voldaan niet mag worden beperkt tot 'chipknipplaatsen' (Hof Arnhem 7 oktober 2003, nr. 02/3664, LJN: AL7896, Belastingblad 2003, blz. 1313 (Nijmegen)). Dit hof vindt dat artikel 1a van het Besluit verbindende kracht mist. Tegen deze uitspraak loopt een cassatieprocedure. Met betrekking tot parkeerapparatuur die zowel betaling met de chipknip als betaling door het inwerpen van geld mogelijk maken (duale parkeermeters) heeft Hof Arnhem bepaald dat de parkeerder met muntgeld moet betalen indien de parkeerapparatuur de chipknip weigert (Hof Arnhem 7 maart 2002, nr. 01/01831, LJN: AE2106, Belastingblad 2002, blz. 1157 (Almere)). In dezelfde lijn heeft Hof Amsterdam beslist dat indien de gemeente weliswaar een voorziening heeft getroffen voor het betalen met chipknip, maar deze nog niet operationeel is, dit niet afdoet aan de verplichting om de parkeerbelasting te voldoen door het inwerpen van geld (Hof Amsterdam 11 april 2003, nr. 02/05531, LJN: AF8284, Belastingblad 2004, blz. 91 (Hilversum)). Kenbaarheid verschuldigdheid parkeerbelasting In gerechtelijke procedures is geregeld in geschil of de verschuldigdheid van parkeerbelasting voldoende kenbaar is. Naar het oordeel van de belastingrechter mag er 'redelijkerwijs geen misverstand omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting' bestaan. In de uitspraak van Hof Arnhem van 26 april 1996, nr. 95/1626, E-5, Belastingblad 1997, blz. 128 oordeelde het Hof dat belastingplichtige onvoldoende in de gelegenheid was zijn verplichtingen te kennen. Bij de parkeermeter was vermeld: 'parkeren alleen toegestaan met gebruik van de parkeerautomaat van maandag t/m zaterdag van 08:00-18:00 uur en bovendien op koopavonden'. Het hof overweegt: 'Volgens art. 8 van de Verordening parkeerbelastingen 1991 geschiedt de aanwijzing van de plaats waar, van het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de onderhavige belasting mag worden geparkeerd in alle gevallen door burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. In het verlengde van deze openbaarmaking mag uit het oogpunt van kenbaarheid voor belastingplichtige parkeerders die ter plaatse niet (goed) bekend zijn, in redelijkheid voorts de eis worden gesteld dat tenminste de tijden gedurende welke tegen betaling mag worden geparkeerd, op (borden bij) de parkeerapparatuur worden vermeld.' Het hof vernietigt de naheffingsaanslag op grond van het feit dat het belanghebbende, als niet ter plaatse bekend, onvoldoende duidelijk kon zijn dat de avond dat hij parkeerde een koopavond was, en dat hij derhalve parkeerbelasting verschuldigd was. Daarbij neemt het Hof ook in aanmerking dat het belanghebbende niet op een andere manier kenbaar had kunnen zijn dat het koopavond was, aangezien het gebied waar hij heeft geparkeerd niet temidden van winkels lag. Enig eigen onderzoek mag derhalve van een belanghebbende worden verwacht. Dit blijkt ook uit de casus van Hof Amsterdam van 7 november 1997, nr. P96/3025, M IV, Belastingblad 1997, blz. 358. Ook hier was de kenbaarheid van de koopavond in het geding. Niet in geschil is dat op koopavonden parkeerbelasting verschuldigd is. Belanghebbende betwist echter dat het voor hem kenbaar kon zijn dat de bewuste vrijdagavond ook een koopavond was, nu de reguliere koopavonden in Haarlem op donderdagavond vallen. Volgens het hof dient de verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaald tijdstip parkeren van een voertuig kenbaar te zijn gemaakt op zo een wijze, dat omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor het op dat tijdstip parkeren redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan. Van geval tot geval dient te worden beoordeeld of aan deze voorwaarde is voldaan. Het hof oordeelt dat de inspecteur in dit geval aannemelijk heeft gemaakt dat de gemeente er, door middel van posters en in streekkranten geplaatste aankondigingen, voldoende informatie heeft verstrekt omtrent de extra koopavonden in de dagen voor kerst. Mitsdien kon er bij belanghebbende, als inwoner van de omgeving van Haarlem, omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting op de bewuste avond geen misverstand bestaan. Wanneer er onduidelijkheid is met betrekking tot de vraag voor welke parkeerplaatsen belasting verschuldigd is, komt deze onduidelijkheid voor rekening van het heffende bestuursorgaan. In Hof Arnhem 6 oktober 1998, nr. 97/22445-E-5, Belastingblad 1999/294 en Hof 's-Gravenhage, 9 februari 2000, nr. 98/05401 E II, FED 2000/372 was de bebording zo onduidelijk, dat geen belasting geheven kon worden. In laatstgenoemde uitspraak overwoog het hof: 'Van een gemeente mag worden gevergd dat zij, indien zij parkeerbelasting heft, het rijdende publiek duidelijk maakt waar parkeerbelasting is verschuldigd. Daar waar in gevallen als deze onduidelijkheid bestaat omtrent de belastingverplichting moet die onduidelijkheid voor rekening van het heffende bestuursorgaan blijven.'

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel