Naar hoofdinhoud

Titeldeel 2 › Paragraaf 3

Artikel 23

Verplichtingen subsidieontvanger

Onderdeel van Algemene subsidieverordening Urk 2012

1.. Het college kan de verplichting opleggen tot het tussentijds controleren en/of afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. 2.. De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk melding aan het college, zodra aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, niet of niet geheel worden verricht of dat niet of niet geheel aan de verplichting die aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden zal worden voldaan. 3.. De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over: Besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten, waarvoor subsidies is verleend, dan wel ontbinding van de rechtspersoon; Relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden; Wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de rechtspersoon en het doel van de rechtspersoon. 4.. Het college kan de subsidieaanvrager, naast de verplichtingen vermeld in artikel 4:37 van de Awb, ook andere verplichtingen opleggen. 5.. De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor handelingen als vermeld in artikel 4:71 Algemene Wet Bestuursrecht. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon; het wijzigen van de statuten; het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van de subsidiegelden, dan wel de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de subsidiegelden; het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van de subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie; het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening; het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidieontvanger zich verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt; het ontbinden van de rechtspersoon; het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surséance van betaling. 6.. Het college beslist binnen vier weken omtrent de toestemming. 7.. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. 8.. Paragraaf 4.1.3.3 Positief fictieve beschikkingen bij niet tijdig beslissen is niet van toepassing op dit artikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel