Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:
deze in overwegende mate op het individu is gericht;
deze geschikt en langdurig noodzakelijk is om diens
belemmeringen op het gebied van het wonen of het zich binnen
of buiten de woning verplaatsen, op te heffen of aanzienlijk
te verminderen;
deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als een adequate
voorziening kan worden aangemerkt en indien er de keuze is
tussen meerdere adequate voorzieningen die voorziening
verstrekt zal worden die niet duurder is dan
noodzakelijk;
de kosten van de voorziening in redelijke verhouding staan
tot de resterende technische levensduur van de woonruimte,
het vervoermiddel of de rolstoel.
Hoofdstuk 1.
Artikel 1.2
Voorwaarden voor verstrekking
Onderdeel van Verordening voorzieningen gehandicapten 2002