Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4:

Artikel 5

Artikel 5

Onderdeel van Verordening krediethypotheek en pandrecht bijstand 2004

De verordening krediethypotheek en pandrecht bijstand treedt in werking met ingang van 1 mei 2004. Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 15 maart 2004 Het algemeen bestuur voornoemd, de secretaris, de voorzitter, A.A.M. Vervest J. P.M. Klijs ALGEMENE TOELICHTING De Wet werk en bijstand kent ten opzichte van de Abw een aantal wijzigingen in de regeling van degevolgen voor de bijstand van het vermogen gebonden in voor bewoning bestemde zaken. De nieuwe regeling is niet alleen van toepassing op registergoederen (eigendomswoning en woonschepen boveneen bepaald tonnage), maar ook op niet-registergoederen, zoals woonwagens en woonschepen onder een bepaald tonnage. De Wet werk en bijstand beoogt hiermee de rechtsgelijkheid te bevorderen enhet hiaat in te vullen dat in deze door de rechtspraak is geconstateerd. Het is aan de gemeente overgelaten om te bepalen of de als lening verstrekte bijstand al dan nietwordt gezekerd door middel van een hypotheek- of, waar het niet-registergoederen betreft,pandovereenkomst. Met deze verordening wordt gekozen voor de hiervoor bedoeldezekerheidsstelling door middel van hypotheek dan wel pandrecht. Naast deze verordening is er nog een door het dagelijks bestuur vastgesteld besluit (Besluitkrediethypotheek en pandrecht bijstand 2004) met daarin opgenomen nadere voorwaarden waaronderbijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of onder vestiging vanpandrecht dient te worden verleend. Het gaat hierbij om een aangepaste versie van het vroegereBesluit krediethypotheek bijstand. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Hoofdstuk 1 KREDIETHYPOTHEEK Artikel 1 Het eerste lid verwijst naar artikel 50, eerste en tweede lid van de Wet werk en bijstand. Daarin worden de voorwaarden genoemd voor verlening van bijstand in de vorm van een geldlening. Artikel 1, eerste lid van de verordening geeft aan dat wanneer er sprake is van verlening van bijstand in de vorm van een geldlening, dit gebeurt onder verband van hypotheek. Op grond van het tweede lid is deze vorm van zekerheidsstelling niet mogelijk als de belanghebbende een uitkering op grond van de WIK is toegekend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek en er uitsluitend sprake is van bijzondere bijstand. Hierdoor wordt voorkomen dat twee keer rekening wordt gehouden met de overwaarde van dezelfde woning op basis van 2 verschillende regelingen. In het derde lid wordt benadrukt dat de voorgaande leden niet van toepassing zijn op zelfstandigen. Hiervoor is gekozen, omdat bij bijstandsverlening aan zelfstandigen alle beschikbare vermogensbestanddelen, inclusief het vermogen dat is belegd in de eigen woning, bestemd zijn voorhet eigen bedrijf of zelfstandig beroep. Zoals bij de algemene toelichting al is vermeld, zijn de nadere voorwaarden waaronder bijstand in devorm van een geldlening onder verband van hypotheek of onder vestiging van pandrecht dient teworden verleend, neergelegd in een afzonderlijk besluit van het dagelijks bestuur. Dit besluit komtgrotendeels overeen met het voormalige Besluit krediethypotheek bijstand. Hoofdstuk 2 PANDRECHT Artikel 2 Hiervoor geldt dezelfde toelichting als bij artikel 1, met dien verstande dat daar waar gesproken wordtover hypotheek er hier sprake is van pand. Hoofdstuk 3: AFSTEMMING Artikel 3 Het eerste lid van dit artikel koppelt aan de bijstandsverlening de verplichting dat de belanghebbendemeewerkt aan de vstiging van een hypotheek of pandrecht. De hier vermelde systematiek sluit aan bij de systematiek van de Abw. Essentieel voor dezekerheidsstelling is namelijk de totstandkoming van een hypotheek- of pandovereenkomst. Als eenbelanghebbende niet meewerkt, kan er geen zekerheid worden verkregen en dient er geen bijstand te worden verleend. Reeds verleende bijstand in de vorm van een voorschot dient te wordenterugbetaald. Hoofdstuk 4 SLOTBEPALINGEN Artikelen 4 en 5 Deze artikelen behoeven geen verdere toelichting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel