In deze verordening wordt verstaan onder:
norm: het bedrag als bedoeld in artikel 26, onderdeel b, artikel 27, onderdeel b, artikel 28 eerste lid onderdelen b, d en e alsmede artikel 28 tweede lid onderdelen b, d, en e van de wet;
woonkosten:
indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag;
ndien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;
medebewoning: de situatie waarin naast belanghebbende(n) één of meer anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als de alleenstaande, de alleenstaande ouder of gehuwden;
beroepsmatige verzorging: verzorging of verpleging in een inrichting als bedoeld in de wet.
gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid onderdeel c en artikel 28 tweede lid onderdeel c van de wet;
schoolverlater: de persoon die een werkleeraanbod aanvraagt, indien hij in de zes maanden voorafgaand aan de toekenning de inkomensvoorziening recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Het aanmerken als schoolverlater eindigt zes maanden na het beëindigen van voornoemd onderwijs of beroepsopleiding.
woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 2a van de wet;
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 38
begripsomschrijvingen toeslagen en verlagingen
Onderdeel van Verordening investeren in jongeren