BIJLAGE 1 GEGEVENS EN BESCHEIDEN AANVRAAG BOUWVERGUNNING

Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1. en 3.1

Artikel 1

Vervallen

Artikel 2

Vervallen

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens

Vervallen

Artikel 5 Bouwveiligheidsplan

Vervallen

Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen

Vervallen

Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen

Vervallen

BIJLAGE 2 GEGEVENS EN BESCHEIDEN AANVRAAG GEBRUIKSVERGUNNING

Bijlage behorende bij artikel 6.1.2

Artikel 1

De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de volgende gegevens bevatten:

  • - de naam en het correspondentie-adres in Nederland van de aanvrager;
  • - indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentie-adres in Nederland, en een door de aanvrager ondertekende machtiging;
  • - een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • - de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de energiebron;
  • - voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven.

Artikel 2

De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1 moet zijn voorzien van de volgende tekeningen en overige bescheiden:

  • - een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de bouwwerken alsmede een aanduiding van de inrichting van het open terrein, op een schaal van 1:1000;
  • - een bouwkundige plattegrondtekening van iedere verdieping het bouwwerk c.q. de bouwwerken alsmede lengte- en dwarsdoorsneden op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de indeling, de bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen overeenkomstig het gestelde in de artikelen 1 (uitgezonderd h, j en k) en 2 lid 1b en 2d van bijlage 1, en waarop voor de in artikel 6.1.1, eerste lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de opstelling van de bedden moet zijn aangegeven;
  • - voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte;
  • - voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, voorzover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van tenminste 1:100 aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte;
  • - voor zover in, op of nabij het bouwwerk stoffen aanwezig zijn, als genoemd in artikel 6.2.2, of radio-actieve nucliden en isotopen: de plaatsen waar deze stoffen aanwezig zijn, gespecificeerd naar de aard en de hoeveelheden van de stoffen en de handelingen die met deze stoffen worden verricht.

Artikel 3

De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit indieningsvereisten.

BIJLAGE 3 GEBRUIKSEISEN VOOR BOUWWERKEN

Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, eerste lid

Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten

  • - De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen moeten voldoende worden vrijgehouden, en wel zodanig dat hiervan onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.
  • - De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste lid en tweede lid, en 5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende opstelplaatsen voor brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en ter breedte van de verharding worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingswegen en opstelplaatsen afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden geopend.

Artikel 2 Elektrische installaties en toestellen

  • - Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel te gebruiken indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.
  • - Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.
  • - De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een ter zake kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud wordt verricht.

Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden

  • - In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare goederen.
  • - Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op grond van enige regeling geëist, wordt niet afgesloten.
  • - Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. Het bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van:
  • - centrale-verwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor centrale-verwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave 2004;
  • - centrale-verwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties bovendien voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave 1999;
  • - niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het stoken met vloeibaar gas die voldoen aan eisen in NEN 1078, uitgave 1999.
  • - Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te gebruiken indien dat gebruik door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.
  • - Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te functioneren met een rookgasafvoer te gebruiken zonder een doeltreffende voorziening voor de afvoer van rook.

Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen

  • - Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken dat niet doeltreffend is gereinigd.
  • - Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te branden.
  • - Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken, indien dit gebruik door de toestand waarin de voorziening van afvoer van rook zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.
  • - Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook waarin brand heeft gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.

Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur

  • - Het is verboden te roken of vuur te hebben
  • - in een ruimte bestemd voor opslag van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stscrt. 1992, nr. 104), onder a tot en met h;
  • - bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken;
  • - bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar gas.
  • - Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is aangegeven.
  • - Het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift “VERBODEN TE ROKEN” of “VERBODEN VOOR OPEN VUUR”, dan wel door middel van een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gesteld in de norm NEN 3011, uitgave 2004.

Artikel 6 Blusleidingen en bijbehorende pompinstallaties

  • - Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van blusleidingen en de eventueel bijbehorende pompinstallaties.
  • - Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar wordt de droge blusleiding getest conform NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997.
  • - De pompinstallatie voor de blusleiding moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.
  • - Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie.

Artikel 7 Brandweerlift

Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid, veiligheid en goede werking van brandweerliften;

Artikel 8 Brandmeldinstallatie

Met betrekking tot het gebruik van de bij of krachtens hoofdstuk 2 vereiste brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overlegd, als bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CVV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door burgmeester en wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat als bedoeld in de vorengenoemde regeling brandmeldinstallaties 2002

Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie

  • - De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn. Het beheer, de controle en het onderhoud van ontruimingsinstallatie wordt geregeld conform NEN 2654-2, uitgave 2004.
  • - De gebruiker van het bouwwerk waarin bij of krachtens enig wettelijk voorschrift een ontruimingsinstallatie is geëist, stelt een ontruimingsplan op ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige personen. Het ontruimingsplan wordt opgesteld volgens de relevante delen van de NTA 8112.

Artikel 10 Automatische brandblusinstallatie

Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overlegd, dat door de burgemeester en wethouders wordt aanvaard. Burgemeester en wethouders aanvaarden altijd een geldig certificaat afkomstig is van een certificeringsinstelling die terzake is erkend door de Raad voor Accreditatie.

Toelichting:

Dit artikel heeft als doel dat de werking van een automatische brandblusinstallatie in een gebouw altijd gegarandeerd is. Een automatische brandblusinstallatie kan toegepast worden in een gebouw in het kader van ‘gelijkwaardigheid’ of in het kader van ‘gelijkwaardige veiligheid’. We spreken over ‘gelijkwaardigheid’ wanneer er sprake is van een situatie die past binnen het toepassingsgebied van het Bouwbesluit waarbij de eigenaar van het gebouw de automatische brandblusinstallatie toepast als alternatief voor bouwkundige brandwerende voorzieningen. We spreken over ‘gelijkwaardige veiligheid’ wanneer er sprake is van een situatie die buiten het toepassingsgebied van het Bouwbesluit valt. Een voorbeeld hiervan is een gebouw dat hoger is dan zeventig meter. Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt bovendien met zich mee dat certificaten van instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in Nederland worden afgegeven. De onderhavige eis in de bouwverordening geldt uitsluitend voor een certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de automatische brandblusinstallatie, dat wil zeggen een – niet verlopen - kwaliteitsverklaring betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van onderhoud, het gebruiksgereed zijn en de goede werking. Uiterlijk één maand na de aanleg van de installaties, en vervolgens iedere twaalf maanden daarna, worden de installaties geïnspecteerd door een EN 45004, type A, inspectie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor Accreditatie. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig. Een installatie is voorzien van een geldige kwaliteitsverklaring (certificaat) die is afgegeven door een certificatie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor Accreditatie. Burgemeester en wethouders kunnen beleid voeren op dit onderdeel en daarin bepalen van welke certificeringsinstellingen die niet terzake erkend zijn door de Raad voor Accreditatie geldige certificaten worden aanvaard.

Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie

  • - De pompinstallaties van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezige brandslanghaspel moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.
  • - Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van de brandslanghaspel en de daarbij behorende pompinstallaties conform NEN-EN 671-3, uitgave 2000.

Artikel 12 Automatisch werkende deuren

  • - De automatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen de ontvluchting niet belemmeren.
  • - Bij aanwezigheid van een sluisconstructie worden voorzieningen getroffen, zodat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.

Artikel 12 A Deuren van overdruktrappenhuizen

De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, moeten op ooghoogte zijn voorzien van een opschrift waaruit blijkt dat het een overdruktrappenhuis is.

Artikel 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding

  • - De vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is vereist, dient altijd goed zichtbaar te zijn.
  • - De vluchtrouteaanduiding die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is vereist, wordt tenminste eenmaal per jaar gecontroleerd en zo nodig gerepareerd.
  • - De transparantverlichting, welke aanwezig is of op grond van enig wettelijk voorschrift is geëist, dient altijd goed zichtbaar te zijn en moet branden tijdens aanwezigheid van personen.

Artikel 14 Gasflessen

Vervallen.

Artikel 15 Rookbeheersingssystemen

Met betrekking tot het gebruik, het onderhoud en de controle van het bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste rookbeheersingssyteem moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overlegd, dat is verleend door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling.

Artikel 16 Overdrukinstallatie

Vervallen

Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen

  • - Voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd.
  • - Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige onderhoud verricht en een controle gehouden op de goede werking van de voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of een brandwerendheidseis geldt.

Artikel 18 Brandweeringang

Vervallen

Artikel 19 Logboek

  • - De historie van de brandveiligheidsvoorzieningen, de werkzaamheden en het onderhoud bij of krachtens enig wettelijk voorschrift uit deze verordening inclusief bijlagen vereist, worden in een logboek vermeld.
  • - Het logboek ligt in het bouwwerk ter inzage en wordt onmiddellijk aan de met toezicht belaste personen getoond.

Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsuitoefening

Voordat er onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een bouwwerk of installatie van een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, wordt dit door de rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester en wethouders gemeld

Artikel 21 Rookmelders in woningen

De op grond van artikel 2.146, lid 7, van het Bouwbesluit 2003 aanwezige rookmelders moeten adequaat functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002

Artikel 22 Roltrap

Een terugloopruimte van een roltrap wordt ter voorkoming van brand vrijgehouden van vuil en stof. Deze ruimte wordt daartoe overeenkomstig NEN-EN 13015, uitgave 2001, ten minste eenmaal per kwartaal onderhouden en gereinigd.

Artikel 23 Garantiecertificaat

Constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn voorzien van een geldig certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het logboek.

Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes

De opslag van goederen is niet toegestaan in:

  • - rookvrije vluchtroutes in slaapgebouwen (woonfunctie, logiesfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie)
  • - brand- en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen (bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie, sportfunctie, winkelfunctie, overige gebruiksfunctie).

Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein

De rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt.

BIJLAGE 4 GEBRUIKSEISEN VOOR BOUWWERKEN MET UITZONDERING VAN DE NIET-GEMEENSCHAPPELIJKE RUIMTEN IN WOONFUNCTIES

Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid

Artikel 1 Uitgangen en vluchtroutes

  • - Een deur in de vluchtroute wordt, bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk, zodanig gesloten, dat de deur in geval van calamiteit ten behoeve van deze personen van binnen uit onmiddellijk over de minimale vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. Deze eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie, een celfunctie of een vergelijkbare gebruiksfunctie als de celfunctie.
  • - Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben, worden niet langer in geopende toestand gehouden dan voor het verkeer van personen of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel van automatische inrichtingen die de deuren, respectievelijk luiken, loslaten zodra de toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering moeten dienen.
  • - Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan 100 personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of uitgang bestemd voor ontvluchting van meer dan 100 personen wordt niet anders gesloten dan door middel van:
    • - Een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen de deur, in de vluchtrichting gezien,
    • - Een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op de deur, in de vluchtrichting gezien, aangebrachte voorziening, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen de deze voorziening (panieksluiting).
  • - Aan de tegen de vluchtrichting gekeerde zijde van een nooddeur in een uitwendige scheidingsconstructie wordt een opschrift aangebracht, volgens NEN 3011, uitgave 2004. Het opschrift luidt: “NOODDEUR VRIJHOUDEN”.

Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering

  • - Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm wordende apparatuur. De temperatuur ter plaatse van de versiering is niet hoger dan 90 graden Celsius.
  • - Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering blijft een vrije ruimte over van minimaal 2.5 meter.
  • - De versiering als bedoeld in het vorige lid is in geval van brand niet gemakkelijk ontvlambaar, in geval van brand vindt geen druppelvorming plaats.
  • - Met brandbaar gas gevulde ballonen zijn binnen een bouwwerk niet aanwezig.
  • - De toe te passen materialen en aankledingsproducten hebben in vluchtroutes een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.
  • - De toegepaste bekleding, stoffering en versiering voldoen ten minste aan de eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld in afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit 2003 die op locatie gelden voor constructieonderdelen.

Artikel 3 Elektrische verlichting

Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens een aanwezigheid van personen wordt verduisterd, is in die ruimte, indien er meer dan 50 personen gelijktijdig verblijven, elektrische verlichting aanwezig van zodanige sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk is.

Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen

Een blusmiddel dat bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezig is, is voldoende herkenbaar of zichtbaar aangegeven.

Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw

Voor het afsteken van vuurwerk in bouwwerken wordt veertien dagen van tevoren een overzicht bij burgemeester en wethouders ingediend, waaruit blijkt dat die activiteit op veilige wijze zal plaatsvinden.

Artikel 6 Opstelling van inventaris

  • - Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig zijn van ten minste 0.40 meter, gemeten tussen de loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de genoemde vrije ruimte ter plaatse van de tafeltjes doorlopen.
  • - In rijen opgestelde zitplaatsen, waarbij sprake is van
  • - meer dan 4 stoelen in een rij, en
  • - meer dan 4 rijen, en
  • - een ruimte waarin meer dan 100 stoelen aanwezig zijn, zijn zo gekoppeld dan wel aan de vloer bevestigd dat deze ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.
  • - Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.
  • - Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang uitkomt, mag ten hoogste bevatten:
  • - 16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner is dan 0,45 meter;
  • - 32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45 meter;
  • - 50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per 4 rijen een uitgang met een breedte van ten minste 1,10 meter aanwezig is.
  • - De inrichting van een ruimte, met inbegrip van door personen bezette stoelen, neemt tot een hoogte van 2,5 meter slechts zodanige oppervlakten in beslag –gemeten in loodrechte projectie op de vloer- dat ten minste:
  • - 0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor geen zitplaats aanwezig is;
  • - 0,30 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen;
  • - 0,50 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen.
  • - Inrichtingen in een ruimte waarin personen verblijven, zijn, indien de vrije vloeroppervlakte minder dan 0,5 m2 per persoon bedraagt, zodanig aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.

Artikel 7 Afval

Vervallen

Artikel 8 Periodieke controle

Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige onderhoud verricht conform NEN 2559, uitgave 2001 en een controle gehouden op de reinheid en de goede werking van draagbare blustoestellen. Indien nodig worden deze gerepareerd.

Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal

Hout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in buitenwanden, scheidingswanden of plafonds van stands, podia, kramen etc. die in gebouwen zijn gelegen, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat

  • - het materiaal ten minste 3,5 mm dik is en
  • - het materiaal kan worden ingedeeld in klasse 4 als bedoeld in NEN 6065, uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997

Artikel 10 Glas

Glas als versiering en/of bekleding aan plafonds en wanden dan wel in plafonds van stands podia, kramen etc. of in buitenwanden en scheidingswanden tussen stands podia, kramen etc. wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat het glas als veiligheidsglas wordt aangemerkt of dat het glas is voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 16 mm.

Toelichting bij artikel 10

In de praktijk is gebleken dat het toepassen van glas als versiering aan plafonds een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. In geval van brand moet voorkomen worden dat bij het bezwijken van glas grote stukken naar beneden vallen en die stukken daarmee een gevaar vormen voor de vluchtende mensen en/of hulpdiensten. In dit artikel wordt dit gevaar gereduceerd.

Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing

Textiel in horizontale toepassing bij stands, podia, kramen etc. wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het textiel onderspannen is met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 meter of dat het textiel onderspannen is met metaaldraad in twee richtingen met een maaswijdte van ten hoogste 0,70 meter.

Toelichting bij artikel 11

In de praktijk is gebleken dat het toepassen van textiel in horizontale toepassing een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. Tevens dient te worden voorkomen dat textiel dat in horizontale toepassing is aangebracht, naar beneden valt en daarmee vluchtende personen hindert. Met dit voorschrift wordt dit gevaar gereduceerd.

Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier of fotopapier

Kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands, podia, kramen etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal, board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas en verwerkt volgens het gestelde in artikel 9 en 10 van bijlage 4 van de bouwverordening. Toelichting bij artikel 12.

In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen wordt voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens wordt voorkomen dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.

BIJLAGE 5

Bijlage behorend bij artikel 6.2.2

Opslag brandgevaarlijke stoffen

Adr-klasseOmschrijvingVerpakkinggroepToegestane maximum hoeveelheid in kg of l*
2 UN 1950 Spuitbussen & UN 2037 Houders, klein, gasGassen zoals propaan, zuurstof, stikstof, argon, kooldioxide, acyteleen, aerosolen (spuitbussen)NVT50
3Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en acetonII25
3 exclusief dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61º en 100º CBrandbare vloeistoffen zoals terpetine en bepaalde inktenII50
4.1, 4,2, 4.34.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en dietylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbonaatII en III50
5.1Brandbevordende stoffen zoals waterstofperoxideII en III50
5.2Organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en di-propioynyl peroxideNVT1
2 gasflessenNVT115 liter waterinhoud
3 dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61º en 100º CIII1.000 liter

* Eenheid bepaald overeenkomstig het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer

Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof die in bijlage 5 is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden echter uitzonderingen gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze stoffen in beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn afgestemd op de ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden gesteld.

BIJLAGE 6

Vervallen

BIJLAGE 7 KWALITEITSEISEN VOOR BUIZEN EN HULPSTUKKEN VAN DE BUITENRIOLERING OP ERVEN EN TERREINEN

Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6

De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:

  • - NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);
  • - NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);
  • - NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen';
  • - NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, “Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem” (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig);
  • - NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 1. Eisen (Engelstalig)', met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2 uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999;
  • - NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername (Engelstalig), met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999;
  • - NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden (Engelstalig).

BIJLAGE 8 VAN DE BOUWVERORDENING

Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest

Vervallen

BIJLAGE 9 REGLEMENT VAN ORDE VAN DE WELSTANDSCOMMISSIE

In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de (provinciale) welstandsorganisaties, waarbij het vrijwel onmogelijk is om een universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in de modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het al dan niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van subcommissies en het al dan niet samenwerken met een monumentencommissie. Een reglement van orde, afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties waarbij zij zijn aangesloten.

Artikel 1 Aanwijzing welstandscommissie

Als deskundig college voor het schriftelijk uitbrengen van advies bij de toepassing van de voorschriften omtrent welstand en over vormgevingaspecten van gebouwen en andere elementen van de openbare ruimte wordt aangewezen de Welstandscommissie als bedoeld in de Woningwet, hierna te noemen “de commissie”.

Artikel 2 Benoeming van de welstandscommissie

  • - Als ambtelijk adviseur wordt aan de commissie toegevoegd de directeur van de sector Stedelijke Ontwikkeling en Beheer. Deze ambtelijke adviseur kan zich door een of meer personen laten vervangen.
  • - De in lid 1 genoemde adviseur verstrekt aan de commissie alle gegevens, die in verband met de uitoefening van zijn taak nodig zijn.
  • - Indien zulks voor een juiste taakuitoefening van de commissie gewenst is, kan de commissie uit eigen beweging ook andere deskundigen raadplegen.
  • - Burgemeester en wethouders wijzen een ambtenaar van de gemeente als secretaris van de commissie aan.
  • - Van de leden treedt er elk jaar op 1 september, ten minste één af volgens een, op aanbeveling van de commissie, door burgemeester en wethouders vast te stellen rooster.

Artikel 3 Beoordeling

Een lid dat als opdrachtgever of als ontwerper bij een door de commissie te beoordelen ontwerp is betrokken, onthoudt zich van medewerking aan de beoordeling daarvan.

Artikel 4 Zaken van eenvoudige aard

Bouwzaken en reclames van eenvoudige aard mogen door één van de leden van de commissie of door een subcommissie worden geadviseerd.

Artikel 5 Vooroverleg

  • - Het is mogelijk om met een lid, dan wel met meerdere leden van de commissie in vooroverleg te treden.
  • - Het vooroverleg dient zich bij bouwplannen en bespreekplannen te beperken tot twee en in uitzonderingssituaties drie besprekingen.
  • - Het resultaat van het vooroverleg wordt schriftelijk vastgelegd.

Artikel 6 Wijze van vergaderen

  • - De commissie vergadert zo dikwijls als naar het oordeel van de voorzitter in verband met de te behandelen zaken noodzakelijk is, of wanneer zulks door ten minste drie leden onder opgaaf van redenen wordt verzocht.
  • - De oproeping tot de vergadering van de commissie geschiedt door de voorzitter, met dien verstande dat elk lid, spoedeisende gevallen uitgezonderd, tenminste driemaal 24 uur voor het tijdstip van aanvang van de vergadering daarvan kennis heeft kunnen nemen.

Artikel 7 Verboden handelingen

Een lid van de commissie belast zich niet met het maken of wijzigen van een gevelontwerp voor een gebouw als de commissie daarover in eerste instantie een afwijzend advies heeft uitgebracht, tenzij het beoordeelde werk van hem afkomstig is.

BIJLAGE 10 TABEL 2.6.1

Behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)

Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de toelichting op de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4. Bij de toepassing van de in de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in tabel 2.6.1 verstaan onder:

-: dit lid is niet van toepassing * : het hele artikel is van toepassing > : alle waarden groter dan de achter dit teken aangegeven waarde = : alle waarden kleiner of gelijk aan de achter dit teken aangegeven waarde F : in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel 2.6.1, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere criteria a : zonder doormelding naar een brandweeralarmcentrale 1: indien in combinatie met een grenswaarde in m2: deze voorziening dient altijd aanwezig te zijn, ongeacht de grootte van het vloeroppervlak

Wanneer in de tabel twee grenswaarden of prestatie-eisen in dezelfde rij van de tabel worden gegeven, moet aan beide criteria worden voldaan.

Voorbeeld:

Bij de winkelfunctie komt in tabel 2.6.1 van bijlage 10 het meest duidelijk tot uitdrukking dat aan het vereiste van twee criteria moet worden voldaan voordat een brandmeldinstallatie nodig is.

Bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport – wanneer het gebruiksoppervlak groter is dan 1.000 m2 en er meer dan 1 verblijfsruimte bestemd voor bezoekers is, dan is gedeeltelijke bewaking en doormelding noodzakelijk.

Wanneer in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in verschillende regels van de tabel worden gegeven, moet aan één van de criteria worden voldaan.

Voorbeeld:

Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar – wanneer het gebruiksoppervlak groter is dan 200 m2 of er een vloer op een hoogte ligt van meer dan 2,4 meter ten opzichte van het meetniveau, dan is volledige bewaking en doormelding vereist.

Leden van toepassingGrenswaardenOmvang van bewaking
aanwezigheidOmvang van de bewakingkwaliteitHoogte hoogste vloer (m)Gebruiksoppervlakte (m2)Aantal verblijfsruimtenAantal bouwlagenNiet automatischGedeeltelijkVolledigdoormelding
artikel2.6.22.6.32.6.42.6.22.6.22.6.22.6.22.6.32.6.32.6.32.6.3
Lid1a1b1c1d1a1b1c2
1Woonfunctie
Woonfunctie niet van een woonwagen***-500----**
Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen in combinatie met permanent toezicht***-1----**
Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen zonder permanent toezicht***-1---*-*
Overige woonfunctie-----------
2Bijeenkomstfunctie
Bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport-----------
Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar***-200----**
***2,4-----**
Overige bijeenkomstfunctie***-500--*---
  • - | 250 | - | 1 | * | - | - | -
  • - | - | - | 2 | * | - | - | -
  • - | 1000 | 1 | - | - | * | - | *
  • - | 5000 | - | - | - | - | * | *
5=13-1--*-*
13=50----*-*
50=70-----**
3Celfunctie***-1----**
4Gezondheidszorgfunctie
Gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënt***-1----**
Overige gezondheidszorgfunctie***-500--*---
  • - | 250 | - | 1 | * | - | - | -
  • - | - | - | 2 | * | - | - | -
20=50---*--*
50=70----*-*
5Industriefunctie
Lichte industriefunctie-----------
Overige industriefunctie***-1000--*---
  • - | 500 | - | 1 | * | - | - | -
  • - | - | - | 2 | * | - | - | -
20---*--*
6Kantoorfunctie***-500--*---
  • - | 250 | - | 1 | * | - | - | -
  • - | - | - | 2 | * | - | - | -
20=50---*--*
50=70----*-*
7Logiesfunctie
Logiesgebouw***---1*---
5-----**
  • - | 250 | - | - | - | - | * | *
Overige logiesfunctie-----------
8Onderwijsfunctie***-500--*---
  • - | 250 | - | 1 | * | - | - | -
  • - | - | - | 2 | * | - | - | -
20=50---*--*
50=70----*-*
9Sportfunctie***-1000--*---
  • - | 500 | - | 1 | * | - | - | -
  • - | - | - | 2 | * | - | - | -
20=50----*-*
50=70-----**
10Winkelfunctie***-1000--*---
  • - | 500 | - | 1 | * | - | - | -
  • - | - | - | 2 | * | - | - | -
<135000--*--*
<1310000--*-*-
13=501000--*--*
13=505000---*-*
13=5010000----**
50=70-----**
11Overige gebruiksfunctie
Besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen***-1000----*-
  • - | 2500 | - | - | - | - | * | *
  • - | - | - | 1 | * | - | - | -

Overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer | * | * | * | 1000 | - | - | * | - | - | -

  • - | - | 1 | * | - | - | -
2500---*-*
13----*-*
Andere overige gebruiksfunctie***FF--****
12Bouwwerk geen gebouw zijnde***FF--****
Leden van toepassingGrenswaardenOmvang van bewaking
aanwezigheidOmvang van de bewakingkwaliteitHoogte hoogste vloer (m)Gebruiksoppervlakte (m2)Aantal verblijfsruimtenAantal bouwlagenNiet automatischGedeeltelijkVolledigdoormelding
artikel2.6.22.6.32.6.42.6.22.6.22.6.22.6.22.6.32.6.32.6.32.6.3
Lid1a1b1c1d1a1b1c2

BIJLAGE 11 TABEL 2.6.5

Behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsalarminstallaties)

GebruiksfunctieArtikelen van toepassing
AanwezigheidKwaliteit
Artikel2.6.62.6.7
Lid
1 woonfunctie
woonfunctie niet van een woonwagen bestemd voor minder zelfredzame personen**
2 Bijeenkomstfunctie**
3 celfunctie**
4 gezondheidsfunctie**
5 industriefunctie
Industriefunctie industriefunctie niet zijnde een lichte industriefunctie**
6 kantoorfunctie**
7 logiesfunctie
logiesgebouw**
8 onderwijsfunctie**
9 sportfunctie**
10 winkelfunctie**
11 overige gebruiksfunctie
overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen**
overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer**
Andere overige gebruiksfunctie**
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde__

Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de toelichting op de artikelen 2.6.6 en 2.6.7. Voor de toepassing van de in de artikelen 2.6.5 tot en met 2.6.7 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in tabel 2.6.5 verstaan onder:

-: dit lid is niet van toepassing;

*: het hele artikel is van toepassing;

BIJLAGE 12 TABEL 2.6.8

Behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)

GebruiksfunctieArtikelen van toepassing
AanwezigheidKwaliteit
2.6.92.6.10
artikel
lid
1.woonfunctie
woongebouw**
2.bijeenkomstfunctie**
3.celfunctie
cellengebouw**
4 gezondheidszorgfunctie**
5 industriefunctie
industriefunctie niet zijnde een lichte industriefunctie**
6 kantoorfunctie**
7 logiesfunctie
logiesgebouw**
8 onderwijsfunctie**
9 sportfunctie**
10 winkelfunctie**
11 overige gebruiksfunctie**
12 bouwwerk geen gebouw zijnde**
Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeerF*
Ander bouwwerk geen gebouw zijnde--

Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de toelichting op de artikelen 2.6.9 en 2.6.10. Voor de toepassing van de in de artikelen 2.6.8 tot en met 2.6.10 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in tabel 2.6.8 verstaan onder:

-: dit lid is niet van toepassing;

*: het hele artikel is van toepassing;

F: in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel 2.6.8, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere criteria.

BIJLAGE 13 IN TE VULLEN GEGEVENS, ALTERNATIEVEN EN AFWIJKINGEN T.O.V. MODEL BOUWVERORDENING “BOUVERORDENING AMERSFOORT 2005”

In deze bijlage worden de in te vullen gegevens, alternatieven en afwijkingen in de Bouwverordening Amersfoort 2005 aangegeven ten opzichte van de Model-bouwverordening van de VNG. De gegevens zijn verwerkt in de voorgaande tekst van de verordening en de daarbij behorende bijlagen.

Deze bijlage geeft, gecombineerd met de losbladige tekst-uitgave van de model-bouwverordening van de VNG, een complete versie van de Bouwverordening Amersfoort 2007.

A. in te vullen gegevens en keuze van alternatieven

in te vullen gegevens:

  • - art. 2.5.3: zie hierna B.3;
  • - art. 5.1.2, lid 1: 30 meter;
  • - art. 6.1.2, lid 3: drievoud;
  • - art. 8.1.2, lid 6: drievoud;
  • - art. 8.2.1, lid 3: drievoud;

keuze van alternatieven:

  • - art. 1.3: vervallen;
  • - art. 2.2.3: alternatief 2;
  • - art. 2.5.20: alternatief 1;
  • - art. 2.5.21: alternatief 1;
  • - art. 2.5.23: alternatief 1;
  • - art. 2.5.24: alternatief 1;
  • - art. 2.7.4: alternatief 1;
  • - art. 2.7.5: alternatief 1;
  • - art. 3.1: gereserveerd;
  • - art. 3.2: gereserveerd;
  • - art. 9.1: alternatief 3;
  • - art. 9.2: alternatief 3 (zie hierna B 19);
  • - art. 9.6 lid 4: alternatief 1;
  • - art. 9.7: alternatief 1;

B. Afwijkingen van t.o.v. het model van de VNG

  • - Art. 2.1.5 lid 1a “Bodemonderzoek” wijzigen als volgt: de resultaten van een recent (niet ouder dan 5 jaar) verkennend onderzoek verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993.
  • - Art. 2.1.5 lid 3 “Bodemonderzoek”: aanvullen met een lid b, deze luidt als volgt: Voor die gebieden waar op grond van de bodemkwaliteitskaart (zie bijlage 14) van de Gemeente Amersfoort blijkt dat redelijkerwijs geen verontreiniging kan worden verwacht (besluit college van Burgemeester en wethouders 28 januari 2005, kenmerk 913051) wordt door het college van Burgemeester en Wethouders algehele vrijstelling voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek gegeven. Het college acht voor deze gebieden voldoende informatie omtrent de bodemkwaliteit beschikbaar, zoals bedoeld onder 3a. In bovengenoemde gevallen kan worden volstaan met het uitvoeren van het uitvoeren van historisch onderzoek conform de NEN-5725. Indien dit historisch onderzoek hiertoe aanleiding geeft kunnen op grond van artikel 2.4.2 aanvullende eisen worden gesteld”. Een overzichtstekening van de in dit artikel bedoelde gebieden is opgenomen als bijlage 14 van deze verordening.
  • - Art. 2.5.3 "Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen", lid 1 wijzigen als volgt: Indien de toegang van een gebouw, dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer. De toelichting behorende bij art. 2.5.3 lid 1 aanvullen als volgt: De normbladen voor de bereikbaarheid en de brandbeveiliging van gebouwen, woonerven en industrieterreinen kennen verschillende afstanden tot de openbare weg voor verschillende soorten bouwwerken. De bepakking van de voertuigen van de Amersfoortse brandweer is hierop afgestemd. In combinatie met de bepalingen van het Postbesluit (zie toelichting VNG) zijn al deze verschillende maten teruggebracht tot de hier voorgestelde afstandsmaten.
  • - Art. 2.5.13 "Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn", onder b vervalt.
  • - Art. 2.5.14 "Vrijstelling voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn", onder a vervalt.
  • - Art. 2.5.14, onder b: de zinsnede "binnen de bebouwde kom" vervalt.
  • - Art. 2.5.20 "Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn", lid 1 onder a: de zinsnede "in de bebouwde kom" vervalt.
  • - Art. 2.5.20, lid 1, onder b vervalt.
  • - Art. 2.5.21 "Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn", lid 1, onder a: de zinsnede "in de bebouwde kom" vervalt.
  • - Art. 2.5.21, lid 1 onder b vervalt.
  • - Art. 2.5.23 "Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen", lid 1 onder a: de zinsnede "in de bebouwde kom" vervalt.
  • - Art. 2.5.23, lid 1 onder b vervalt.
  • - Art. 2.5.30 de toelichting behorende bij"Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen" wijzigen als volgt:

Algemeen

Op 27 januari 2009 is door de gemeenteraad van Amersfoort de Nota Parkeernormen Amersfoort 2009’ behandeld en zijn de parkeernormen vastgesteld. De parkeernormensystematiek kenmerkt zich onder andere door:

  • - aansluiting op de parkeerkencijfers van het CROW;
  • - parkeernormen op maat: parkeernormen afhankelijk van specifieke functie van een gebouw en de bereikbaarheid van de locatie;
  • - maatwerk in parkeernormen is mogelijk, waarbij het doel is juist voldoende parkeerplaatsen aan te leggen om parkeeroverlast te voorkomen, en te voorkomen dat leegstand op parkeerplaatsen ontstaat. Gestreefd moet worden naar een efficiënte benutting van parkeerplaatsen. Een lagere of hogere parkeernorm hanteren is in sommige gevallen onder bepaalde voorwaarden mogelijk;
  • - prijsbeleid voor kantoren op intercity- en knooppuntlocaties en detailhandel op intercity- en

    knooppuntlocaties: een financiële bijdrage per extra parkeerplaats bij het hanteren van een hogere parkeernorm voor bedrijfsgericht parkeren (werknemersparkeren) om de bereikbaarheid op peil te houden (artikel 2.5.30, lid 3 sub a van deze bouwverordening);

  • - mogelijkheden voor gebiedsgerichte aanpak (toetsing per gebied in plaats van per gebouw) waarbij ontheffing van Burgemeester en wethouders nodig is (artikel 2.5.30, lid 7 van deze bouwverordening).

Lid 1 ad a

Autoparkeergelegenheid dient op eigen terrein te worden gerealiseerd. (Voorschriften over de

aanwezigheid en de minimumgrootte van de fietsenstallingen die bij de nieuwbouw of verbouwing van utilitaire gebouwen moeten worden aangebracht, zijn achterwege gelaten, omdat artikel 218 van het Bouwbesluit in één en ander voorziet.)

Lid 1 ad b

Voor de binnenstad is bepaald dat er zoveel mogelijk gebruik gemaakt moet worden van al aanwezige parkeer-gelegenheden rondom de binnenstad (meestal de openbare parkeergarages). Zodoende wordt voorkomen dat er extra parkeerverkeer in de binnenstad een parkeerplek zoekt, terwijl de langs de binnenstad gelegen parkeergarages veelal nog voldoende parkeercapaciteit hebben.

Lid 2 ad a

De autoparkeernormen zoals opgenomen in bijlage 15 zijn op maat bepaald voor de gemeente

Amersfoort. De specifieke parkeernorm is afhankelijk van de functie van de bebouwing en de

vestigingslocatie. Er is een groot aantal functies genoemd in de diverse categorieën, grotendeels analoog aan de CROW-aanbeveling. De ene functie heeft een grotere verkeersaantrekkende werking dan de andere functie: daarom zijn de parkeernormen per functie verschillend. Voor de vestiging van kantoren en detailhandel wordt onderscheid gemaakt in intercitylocaties, knooppuntlocaties, snelweglocaties en overige locaties. Alle overige ontwikkelingen hebben een parkeernorm die afhankelijk is van de locaties ‘binnenstad’, ‘schil’, en ‘rest bebouwde kom’.

Lid 2 ad b

Om een efficiënt gebruik van parkeerplaatsen mogelijk te maken, wordt uitgegaan van meervoudig gebruik van parkeerplaatsen. Deze mogelijkheid doet zich met name voor bij combinaties van verschillende functies die een verschillend aanwezigheidspatroon hebben. Per ontwikkeling wordt met een parkeervraagberekening onderzocht of meervoudig gebruik mogelijk is. Veiligheidshalve wordt er een marge aangehouden in de parkeereis.

Lid 2 ad c

Er wordt gerekend met reductiefactoren om rekening te kunnen houden met het niet-gebruiken van parkeergelegenheid op eigen terrein.

Lid 2 ad d

Er is in veel gevallen sprake van een vaste parkeernorm. Soms is sprake van een norm met een mogelijkheid om - onder voorwaarden - een hoge parkeernorm te hanteren. In sommige gevallen is die hoge norm begrensd. De mogelijkheid om – onder voorwaarden - een hogere parkeernorm te hanteren is opgenomen vanwege de gewenste flexibiliteit om maatwerk te kunnen leveren voor specifieke functies. Uit bijlage 15 blijkt in welke gevallen er sprake is van een vaste parkeernorm en wanneer er sprake is van een norm met een mogelijkheid om - onder voorwaarden - een hoge norm te hanteren.

Lid 2 ad e

De mogelijkheid wordt hier geboden om – onder voorwaarden - ook parkeerplaatsen boven de hoge norm aan te leggen. In lid 4 zijn deze voorwaarden genoemd.

Lid 3

In dit lid worden de voorwaarden beschreven waaraan moet worden voldaan in die gevallen waarin een parkeernorm wordt gehanteerd tussen de norm en de hoge norm.

Lid 3 ad a

Voor de genoemde combinaties van functie en locatie gelden beide voorwaarden (mobiliteitsprofiel én financiële bijdrage). Kantoren en detailhandel zijn beide sterk autoverkeersaantrekkend. Intercity- en knooppuntlocaties kampen vanwege de hoge bebouwingsdichtheid met een al zwaarbelast wegennet. Bij die combinatie moet dus zorgvuldig en terughoudend worden omgegaan met het realiseren van extra parkeerplaatsen (mobiliteitstoets) en is financiële bijdrage vereist om compenserende maatregelen te kunnen nemen die de bereikbaarheid van de locatie waarborgen.

Voor de mobiliteitstoets wordt het Formulier Mobiliteitstoets gebruikt uit bijlage 15.

Lid 3 ad b

Voor genoemde combinaties van functie en locatie geldt alleen de voorwaarde van de mobiliteitstoets. De bereikbaarheid van betreffende locaties is beter, maar de verkeersaantrekkende werking van de genoemde functies (op deze locaties) is aanzienlijk. Hier volstaat een mobiliteitstoets om te beargumenteren hoeveel extra parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Voor de mobiliteitstoets wordt het Formulier Mobiliteitstoets gebruikt uit bijlage 15.

Lid 4

Dit lid geeft de voorwaarden weer als er meer parkeerplaatsen gewenst worden dat volgens de hoge norm toegestaan is.

Lid 4 ad a

Voor het aantal parkeerplaatsen dat tussen de norm en de hoge norm wordt aangelegd geldt hetgeen in lid 3 is bepaald.

Lid 4 ad b

Het aanbieden van parkeergelegenheid leidt per definitie tot autoverkeer. Het aanbieden van parkeergelegenheid boven de hoge norm mag niet leiden tot (meer) doorstromingsproblemen op het Amersfoortse hoofdwegennet. In dat geval zou het openbare belang en de gevolgen voor de gemeenschap niet meer in verhouding staan tot het private belang van parkeergelegenheid boven de hoge norm. De gemeente toetst of er (meer) doorstromingsproblemen ontstaan door de aantrekkende werking op het autoverkeer.

Lid 4 ad c

Ten minste voor de parkeerplaatsen boven de hoge norm wordt vereist dat die openbaar worden gesteld buiten kantooruren/winkeltijden (afhankelijk van de functie) op ten minste koopavonden en in weekeinden, voor zover die op die momenten niet voor de functie worden gebruikt. Er wordt daarbij zoveel mogelijk aangesloten bij het geldende parkeerregime dat in het openbare gebied aanwezig is.

Lid 4 ad d

Parkeergelegenheden met een omvang van minimaal 200 plaatsen dienen bij de weggebruiker bekend te worden gemaakt om een optimale benutting van parkeergelegenheden te waarborgen. Het gemeentelijke PRIS biedt de weggebruiker die informatie en aansluiting op dat systeem is dan ook verplicht. De kosten betreffen initiële kosten van aansluiting en bebording, en jaarlijkse beheerkosten.

Lid 5

Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 2. De verplichting in dat lid om een bepaald aantal parkeerplaatsen aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto, of het grootste type vrachtauto te maken. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor gehandicapten.

Lid 6

De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).

Lid 7 ad a

De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid onder a en het zesde lid om een parkeergelegenheid of laad- en losgelegenheid op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor het geval dat in de nabijheid een gemeenschappelijke parkeervoorziening, laad- en losvoorziening of openbare parkeergarage aanwezig is. Bij de zogenaamde gebiedsgewijze aanpak waarbij een parkeerbalans wordt gehanteerd kan blijken dat er in de omgeving voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is.

Lid 7 ad b

De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid onder b kan zich voordoen als op de betreffende locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, reeds parkeerplaatsen aanwezig zijn, of als de bepaling kennelijk onredelijke consequenties met zich brengt voor de ontwikkeling als de parkeereis niet op eigen terrein mag worden opgelost.

Lid 7 ad c

De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het tweede lid om een juiste mate van parkeerruimte

conform de parkeernormen te realiseren, is bedoeld voor onder meer uitzonderlijke bouwwerken of

specifieke situaties, waarbij duidelijk kan worden aangetoond dat meer of minder parkeerplaatsen

noodzakelijk zijn dan volgens de parkeernormen in de bouwverordening.

De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het derde lid om aan bepaalde voorwaarden te voldoen bij gebruikmaken van de flexibiliteit van de parkeernorm, is onder meer bedoeld voor specifieke situaties waarbij het stellen van voorwaarden leidt tot kennelijk onredelijke consequenties voor de initiatiefnemer.

  • - Art. 5.1.2 "Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen", lid 1, invullen als volgt: Indien de toegang van een gebouw meer dan 30 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen. De toelichting bij artikel 5.1.2. aanvullen als volgt: Anders dan in artikel 2.5.3. wordt hier het absolute minimum aangegeven, waarbij voor de bestaande bebouwing nog juist geen bestuursdwang tot verbetering zal worden toegepast. De extra schade voor de omgeving, die kan ontstaan door de verminderde bereikbaarheid bij brand wordt incidenteel nog toelaatbaar geacht. In samenhang met het laatste deel van dit lid en met artikel 2.5.6 (vrijstellingsbepaling van de verplichting tot ontsluiting van een nieuw bouwwerk) kan het beleid voor de bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten voldoende vorm worden gegeven.
  • - Art. 6.1.1 "Vergunning gebruik bouwwerk", lid 1, aanvullen als volgt: e.aan meer dan vijf personen woonverblijf zal worden verschaft, anders dan tot een gezin behorend. Lid 2 wijzigen als volgt: Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, met beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand. Hieronder worden begrepen voorwaarden met betrekking tot:
  • - stoffering en versiering;
  • - uitgangen en vluchtwegen;
  • - installaties;
  • - standbouw, podia, kramen e.d.;
  • - verbrandingsmotoren;
  • - verbod voor open vuur en vuurwerk;
  • - bewaking en controle;
  • - ventilatie en werkzaamheden;
  • - brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen;
  • - opstellingsplannen en aanvalsplannen;
  • - afval;
  • - doorlopend toezicht;
  • - brandveiligheidsinstructies en ontruimingsplannen uitgaande van de bestaande interne organisatie;
  • - het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een gebouw of in een gebouw met het oog op de brandveiligheid;
  • - de plaats van, alsmede het aantal en het type draagbare blustoestellen.

De toelichting behorende bij artikel 6.1.1. aanvullen als volgt: Amersfoort staat aan het begin van een proces om meer woonruimte voor studenten te creëren. De ervaring in studentensteden leert dat studentenhuizen extra aandacht behoeven t.a.v. de brandveiligheid. Met het onderhavige artikel wordt geanticipeerd op de komende ontwikkelingen. In artikel 6.1.1, lid 1, onder e, is aansluiting gezocht bij de in de gemeente Utrecht geldende regeling. Op grond van de huidige Brandveiligheidsverordening wordt aan grotere inrichtingen de plicht opgelegd, om de brandweer te informeren over wijzigingen in de inrichting. Ook dienen zij op een vastgestelde wijze gegevens te leveren om de inzet van de brandweer te optimaliseren. Dit voorschrift, in het kader van de brandbestrijding, dient te worden opgenomen om dit (tijd- en kostenbesparende) beleid te kunnen voortzetten.

  • - Art. 6.2.1 "Gebruikseisen voor bouwwerken", lid 2 wijzigen als volgt: Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een bouwwerk niet zijnde een woonwagen, woning of woongebouw, uitgezonderd een woonwagen, woning of woongebouw waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van de bewoners, al dan niet in combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze verordening. Zie de toelichting hierboven bij artikel 2.6.3.
  • - Art 8.1.1 "Sloopvergunning" wijzigen als volgt:
  • - Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).
  • - De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een aanschrijving op grond van de Woningwet. Burgemeester en wethouders kunnen aan deze aanschrijving voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.
  • - Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning slechts voorschriften over:
    • - de veiligheid tijdens het slopen;
    • - de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;
    • - het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval;
    • - het gebruik van een mobiele puinbreekinstallatie die is opgesteld op de sloopplaats, voor zover de toestemming als bedoeld in het vijfde lid van toepassing is;
    • - het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.
  • - De voorschriften over het sloopafval als bedoeld in het derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.
  • - Het bewerken van het sloopafval ter plaatse waar dit afval vrijkomt is niet toegestaan. Op verzoek van de aanvrager van de sloopvergunning kan, onder in de vergunning te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de sloopplaats het beton- en metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde mobiele puinbreekinrichting.

Toelichting: In de vierde serie wijzigingen op de MBV van de VNG (circulaire nr. VHB/703867 Lbr. 97/109 d.d. 2 juli 1997), werd voorgesteld om van artikel 8.1.1 de leden 3, sub e, en 5 te laten vervallen indien de Provinciale Milieuverordening een regeling voor de toelaatbaarheid van mobiele puinbrekers op slooplocaties bevat. Bij implementatie van de vierde serie wijzigingen op de Model-bouwverordening in de Amersfoortse bouwverordening (raadsbesluit d.d. 27-10-1998 i.w.tr. 17-11-1998) is deze wijziging niet overgenomen. De Provinciale Milieuverordening Utrecht 1995 bevat slechts algemene voorschriften omtrent de inzet van mobiele puinbrekers op slooplocaties (er worden zogenoemde paraplu-vergunningen verleend), zodat het wenselijk blijft om op specifieke locaties binnen de gemeente Amersfoort eisen te kunnen stellen aan de toelaatbaarheid en het gebruik van mobiele puinbrekers.

  • - Art. 8.1.6, lid 1, aanvullen als volgt: een vergunning als bedoeld in artikel 30 of 33 van de Huisvestingswet (Stb. 1992, 548) is vereist en deze niet is verleend. Toelichting: Voor het weigeren van de sloopvergunning is als weigeringsgrond opgenomen het niet aanwezig zijn van een splitsings- of onttrekkingsvergunning als bedoeld in de Huisvestingswet.
  • - Art. 9.1., lid 2, na de eerste volzin aanvullen als volgt: Zolang de welstandsnota nog niet door de raad is vastgesteld wordt door de welstandscommissie bij de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet acht geslagen op de volgende aspecten:
    • - de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context;
    • - massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling;
    • - samenhang in het bouwwerk of de bouwwerken voor wat betreft de onderlinge relatie tussen de samenstellende delen daarvan.

Indien de gemeenteraad een beleid voor de visuele kwaliteit van de gebouwde omgeving heeft geformuleerd en openbaar heeft gemaakt in planologische maatregelen, beleidsnota’s, deelnotities dan wel daarbijbehorende ontwerpen wordt, onverminderd het bepaalde sub a t/m c, het bouwwerk aan dat beleid getoetst. Toelichting: De aanvulling is nodig omdat de welstandstoetsing, zolang door de gemeenteraad nog geen welstandsnota is vastgesteld, zal blijven geschieden conform de huidige regeling (uiterlijk tot 1 juli 2004).

  • - 9.2, lid 2, vervalt
  • - Verordening, bijlage 2 "Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning" artikel 2 wijzigen als volgt: De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1 moet zijn voorzien van de volgende tekeningen en overige bescheiden:
    • - een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de bouwwerken alsmede een aanduiding van de inrichting van het open terrein, op een schaal van 1:1000;
    • - een bouwkundige plattegrondtekening van iedere verdieping het bouwwerk c.q. de bouwwerken alsmede lengte- en dwarsdoorsneden op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de indeling, de bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen overeenkomstig het gestelde in de artikelen 1 (uitgezonderd h, j en k) en 2 lid 1b en 2d van bijlage 1, en waarop voor de in artikel 6.1.1, eerste lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de opstelling van de bedden moet zijn aangegeven;
    • - voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte;
    • - voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, voorzover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van tenminste 1:100 aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte;
    • - voor zover in, op of nabij het bouwwerk stoffen aanwezig zijn, als genoemd in artikel 6.2.2., of radio-actieve nucliden en isotopen: de plaatsen waar deze stoffen aanwezig zijn, gespecificeerd naar de aard en de hoeveelheden van de stoffen en de handelingen die met deze stoffen worden verricht.

Toelichting: Naast de in het nieuwe model aangehaalde gegevens, zijn ook de noodzakelijke gegevens uit de bijlagen II en IV van de bestaande BBV 1979 opgenomen. De primaire redenen daarvoor zijn, dat die gegevens nodig zijn voor de onafhankelijke beoordeling van de indeling van het gebouw of de gebruiksruimte-niveau en dat deze gegevens waardevolle inlichtingen zijn als de repressieve uitrukdienst van de brandweer feitelijk in actie moet komen.

  • - Verordening, bijlage 3 "Gebruikseisen voor bouwwerken", artikel 1, lid 3 wijzigen als volgt: Onverminderd het bepaalde in artikel 5.1.2 van de bouwverordening moet ten behoeve van het verkeer van de hulpverlenende diensten een doorgaande route met een breedte van 4,50 meter en een hoogte van 4,20 meter worden vrijgehouden. Hekwerken die deze route blokkeren moeten snel en gemakkelijk kunnen worden verwijderd. Toelichting: Deze wijziging is conform de bovenstaande wijziging in de tekst van de artikelen van de model-verordening.
  • - Verordening, bijlage 4, bijlage behorende bij artikel 6.2.1, lid 2, titel van de bijlage wijzigen als volgt: Gebruikerseisen voor bouwwerken niet zijnde woonwagens, woningen en woongebouwen, uitgezonderd woonwagens, woningen en woongebouwen waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners, al dan niet in combinatie met permanent toezicht op en begeleiding van de bewoners. Toelichting: Deze wijziging is conform de bovenstaande wijziging in de tekst van de artikelen van de model-verordening.

BIJLAGE 14 BODEMKWALITEITSKAART

Behorende bij artikel 2.1.5(is niet digitaal beschikbaar)

BIJLAGE 15 AUTOPARKEERNORMEN

Behorende bij artikel 2.5.30

Bijlage 15: Parkeernormen Amersfoort 2009

(De waarden tussen haakjes – indien van toepassing - is de hoge norm.)

Parkeernormen woningen

norm
functie [eenheid]binnenstadschil rest bebouwde komaandeel bezoekersopmerkingen
woning duur [per woning]1,30 (2,00)1,70 (3,00)2,00 (3,00)0,30
woning goedkoop/middelduur en starterswoning [per woning]1,20 (2,00)1,50 (3,00)1,70 (3,00)0,30
serviceflat/aanleunwoning [per woning]0,80 (0,80)0,80 (3,00)0,80 (3,00)0,30zelfstandige woonvorm met zorgfaciliteiten, bestemd voor ouderen met een zorgindicatie
verpleeghuis/verzorgingstehuis [per wooneenheid]0,20 (0,50)0,20 (3,00)0,20 (3,00)0,20groepswoningen voor bewoners met een zorgindicatie (bijvoorbeeld gehandicapten/demente-renden)
niet-zelfstandige woningen [per wooneenheid]0,20 (0,50)0,20 (3,00)0,20 (3,00)0,20bijv. studentenkamer
zelfstandige 1-kamerwoning [per woning]0,20 (0,50)0,20 (3,00)0,20 (3,00)0,20bijv. studentenwoning

Parkeernormen kantoren en winkels

(Voor kantoren en winkels op intercity- en knooppuntlocaties is bij het gebruik van een norm tussen de vermelde norm en de hoge norm een financiële vergoeding vereist.)

norm
functie [eenheid]intercitylocatiesknooppuntlocatiessnelweglocatiesoverige locatiesaandeel bezoekersopmerkingen
kantoorgedeelte [100 m2 bvo]0,40 (0,80)0,80 (1,60)2,00 (2,80)2,00 (2,40)5%
baliegedeelte klanten [balie]2,00 (4,00)2,00 (4,00)2,00 (4,00)2,00 (4,00)100%
detailhandel binnenstad [100 m2 bvo]-2,80--85%
detailhandel stadsdeelcentra [100 m2 bvo]2,803,303,50 (4,00)3,30 (4,00)85%
wijk-, buurt- en dorpscentra [100 m2 bvo]3,303,303,30 (4,00)3,30 (4,00)85%
grootschalige detailhandel [100 m2 bvo]4,504,505,50 (7,50)5,50 (7,50)85%Het betreft hier grote publiekstrekkers (bijv. Ikea)
‘Standaard’ bouwmarkten [100 m2 bvo]2,202,202,702,7085%Bijv. bouwmarkten en tuincentra
showroom (auto's, boten etc.) [100 m2 bvo]0,700,701,20 (1,40)1,20 (1,40)35%
(week)markt [100 m2 bvo]2,502,502,502,5085%1 m1 = 6 m2 (indien geen parkeren achter kraam dan + 1,0 pp per standhouder)

Indicatie voor de winkeltypen: stadsdeelcentra > 15.000 m2 vvo, wijk-, buurt- en dorpscentra < 15.000 m2 vvo

Parkeernormen overige werkgelegenheid

norm
functie [eenheid]binnenstadschilrest bebouwde komaandeel bezoekersopmerkingen
arbeidsextensieve / bezoekersextensieve bedrijven (loods, opslag, groothandel, transportbedrijf, etc.) [100 m2 bvo]0,40 (0,50)0,50 (0,60)0,70 (0,80)5%
arbeidsintensieve / bezoekersextensieve bedrijven (industrie, garagebedrijf, laboratorium, werkplaats, etc.) [100 m2 bvo]1,00 (1,50)1,50 (2,00)2,00 (2,50)5%
bedrijfsverzamelgebouw [100 m2 bvo]0,80 (1,70)0,80 (1,70)0,80 (1,70)10%

Parkeernormen horecagelegenheden

norm
functie [eenheid]binnenstadschilrest bebouwde komaandeel bezoekersopmerkingen
café / bar/ discotheek/cafetaria [100 m2 bvo]4,00 (6,00)4,00 (6,00)5,00 (7,00)90%
restaurant [100 m2 bvo]8,00 (10,00)8,00 (10,00)12,00 (14,00)80%
hotel [kamer]0,50 (1,50)0,50 (1,50)0,50 (1,50)

Parkeernormen sociaal culturele voorzieningen

norm
functie [eenheid]binnenstadschilrest bebouwde komaandeel bezoekersopmerkingen
museum/bibliotheek [100 m2 bvo]0,30 (0,50)0,50 (0,70)0,90 (1,00)95%
bioscoop / theater / schouwburg [zitplaats]0,10 (0,20)0,10 (0,20)0,20 (0,30)95%
evenementenhal/beursgebouw/congresgebouw [100 m2 bvo]3,00 (4,00)4,00 (6,00)5,00 (7,00)99%
sociaal cultureel centrum / wijkgebouw [100 m2 bvo]1,00 (3,00)1,00 (3,00)1,00 (3,00)90%

Parkeernormen sportvoorzieningen

norm
functie [eenheid]binnenstadschilrest bebouwde komaandeel bezoekersopmerkingen
sporthal (binnen) [100 m2 bvo]1,50 (2,00)1,70 (2,20)2,00 (2,50)95%Gymlocalen met alleen een school-functie hebben geen parkeervraag; bij sporthal met wedstrijdfunctie: + 0,15 pp per bezoekersplaats
sportveld (buiten) [ha. netto terrein]20,00 (27,00)20,00 (27,00)20,00 (27,00)95%Alleen het oppervlak van het sportveld nemen, dus exclusief kleedruimtes, toilet-ten, etc.
dansstudio / sportschool [100 m2 bvo]2,00 (3,00)2,00 (3,00)3,00 (4,00)95%
squashbanen [baan]1,00 (1,50)1,00 (1,50)1,00 (1,50)90%
tennisbanen [baan]2,00 (3,00)2,00 (3,00)2,00 (3,00)90%
golfbaan [hole]6,00 (8,00)95%
bowlingbaan / biljartzaal [baan/tafel]1,50 (2,50)1,50 (2,50)1,50 (2,50)95%
stadion [zitplaats]0,12 (0,20)0,12 (0,20)0,12 (0,20)99%
zwembad [100 m² opp. bassin]7,00 (9,00)8,00 (10,00)9,00 (11,00)90%
manege [box]0,30 (0,50)90%

Parkeernormen zorgvoorzieningen

norm
functie [eenheid]binnenstadschilrest bebouwde komaandeel bezoekersopmerkingen
ziekenhuis [bed]1,70 (1,90)1,70 (1,90)1,70 (1,90)Bij gespreide bezoektijden norm 1,50 (1,70) gebruiken.
verpleeg- verzorgingstehuis [wooneenheid]0,50 (0,70)0,50 (0,70)0,50 (0,70)60%
arts / maatschap / therapeut / consultatiebureau [behandelkamer]1,50 (2,00)1,50 (onbegrensd)1,50 (onbegrensd)65%eerste 2 behandelkamers 4 pp/behandelkamer; voor iedere volgende behandelkamer 1,5 pp/behandelkamer.

Parkeernormen onderwijsvoorzieningen

norm
functie [eenheid]binnenstadschilrest bebouwde komaandeel bezoekersopmerkingen
beroepsonderwijs dag (WO, HBO) [collegezaal]20,0020,0020,00totale parkeervraag is collegezalen + leslokalen; collegezaal is circa 150 zitplaatsen
beroepsonderwijs dag (MBO, ROC, WO, HBO) [leslokaal]5,00 (7,00)5,00 (7,00)5,00 (7,00)totale parkeervraag is collegezalen + leslokalen; leslokaal is circa 30 zitplaatsen
voorbereidend beroepsonderwijs (dagonderwijs Vwo, Havo, Vmbo) [leslokaal]0,50 (1,00)0,50 (1,00)0,50 (1,00)leslokaal is circa 30 zitplaatsen
avondonderwijs [student]0,50 (1,00)0,50 (1,00)0,50 (1,00)
basisonderwijs [leslokaal]0,50 (1,00)0,50 (1,00)0,50 (1,00)exclusief Kiss&Ride; leslokaal is circa 30 zitplaatsen
creche / peuterspeelzaal / kinderdagverblijf [arbeidsplaats]0,60 (0,80)0,60 (0,80)0,60 (0,80)exclusief Kiss&Ride; arbeidsplaats = het gelijktijdig aanwezige aantal werknemers

Parkeernormen overige voorzieningen

norm
functie [eenheid]binnenstadschilrest bebouwde komaandeel bezoekersopmerkingen
themapark / pretpark [ha. netto terrein]8,00 (12,00)8,00 (12,00)8,00 (12,00)99%
overdekte speeltuin/hal [100 m2 bvo]7,50 (12,00)7,50 (12,00)7,50 (12,00)90%
volkstuin [perceel]0,30 (0,30)
religiegebouw (kerk, moskee, etcetera) [per zitplaats]0,10 (0,20)0,10 (0,20)0,10 (0,20)100%
begraafplaats/crematorium [gelijktijdige begrafenis/crematie]22,50 (30,00)22,50 (30,00)22,50 (30,00)

Algemene opmerkingen/definities:

bvo bruto vloeroppervlak

vvo verkoop netto vloeroppervlak

grootschalige detailhandel winkelformules die vanwege de omvang en aard van het assortiment een groot oppervlak nodig hebben en welke bij voorkeur gelegen zijn op perifere locaties (bijvoorbeeld grote publiekstrekkende tuin/meubelcentra met (boven)regionale functie. Het gaat niet om standaard bouwmarkten of tuincentra.

perifeer alle terreinen of locaties binnen de bebouwde kom die niet binnen of nabij een bestaand of gepland winkelgebied liggen.

Kiss & Ride

Het brengen en halen bij basisscholen en kinderdagverblijven is geen onderdeel van de parkeernormensystematiek. Voor het aantal parkeerplaatsen voor brengen en halen met de auto bij kinderdagverblijven en basisscholen geldt een rekenregel (zie CROW-publicatie 182) die uitgaat van het aantal leerlingen vermenigvuldigd met het aandeel brengen/halen vermenigvuldigd met reductiefactoren voor de parkeerduur en het voor het aantal kinderen per auto.

Samengevat: rekenregel basisscholen en kinderdagverblijven:

Voor de verschillende groepen kunnen andere factoren gebruikt worden. Hieronder de uitwerking conform CROW publicatie:

Basisscholen

groepen 1 t/m 3

aantal leerlingen x % leerlingen met auto x 0,5 x 0,75

Reductiefactor parkeerduur * 0,5, omdat de parkeerduur bij groepen 1 t/m 3 gemiddeld 10 minuten in perioden van 20 minuten bedraagt;

Reductiefactor aantal kinderen per auto = 0,75 voor groepen 1 t/m 3.

groepen 4 t/m 8

Aantal leerlingen x % leerlingen met auto x 0,25 x 0,85

Reductiefactor parkeerduur = 0,25, omdat de parkeerduur bij groepen 4 t/m 8 gemiddeld 2,5 minuut in perioden van 10 minuten bedraagt;

Reductiefactor aantal kinderen per auto = 0,85 voor groepen 4 t/m 8.

Kinderdagverblijf

Reductiefactor parkeerduur = 0,25, omdat parkeerduur bij kinderdagverblijven gemiddeld 15 minuten in perioden van 60 minuten bedraagt;

Reductie factor aantal kinderen per auto = 0,75 voor kinderdagverblijf.

Deze rekenmethode kan ook toegepast worden voor vergelijkbare instellingen, waar breng- en haalvoorzieningen gewenst zijn.

Voor beide voorzieningen geldt dat het percentage leerlingen dat met de auto gebracht en gehaald wordt tussen de 1% en 60% ligt. Dit is afhankleijk van de stedelijkheidsgraad, de locatie (binnenstad, schil, rest bebouwde kom), en de gemiddelde afstand naar school. Gemiddeld ligthet percentage op:

  • - Groepen 1 t/m 3: 30 – 60 %
  • - Groepen 4 t/m 8: 5 – 40 %
  • - Kinderdagverblijf: 50 – 80 %.

Bij gescheiden aanvangs- en eindtijden van de groepen 1 t/m 3 en 4 t/m 8 mag het aantal parkeerplaatsen met maximaal 40% worden gereduceerd.

Gehandicaptenparkeren

Voor het aantal gehandicaptenparkeerplaatsen bij gemengde functies op openbare parkeerterreinen en in openbare parkeergarages wordt een percentage van 2% op het totaal aantal beschikbare plaatsen gehanteerd. Bij openbare voorzieningen is er minimaal 1 gehandicaptenparkeerplaats aanwezig.

Aanwezigheidspercentages voor berekening meervoudig gebruik

Let op ‘Gebruik van de tabellen’ onder b.

werkdagzaterdagzondag
ochtendmiddagavondkoopavondmiddagavondmiddag
woningen506010090606070
detailhandel (food)30702010010000
detailhandel (non-food)3070010010000
kantoren100100510500
commerciële ruimte aan huis1001008080808080
bedrijven100100510500
consumentgerichte bedrijvigheid ¹3075510010000
sociaal cultureel1040100100609025
sociaal medisch10010030151555
ziekenhuis851004025254040
dagonderwijs ²10010000000
avondonderwijs001000000
bibliotheek3070100757500
museum20450100100090
restaurant104090707010040
café104090757510045
bioscoop, theater153090606010060
zwembad10080100100100100100
sport ³30501001001009085

1) Tuincentra, Doe-het-zelf- en bouwmarkten, autoshowroom.

2) Inclusief crèche, kinderdagverblijf, peuterspeelzaal.

3) Inclusief sporthal, dansschool.

Tabel: Aanwezigheidspercentages (bron: CROW)

Reductiefactoren

parkeervoorzieningtheoretisch aantalberekenings-aantalopmerking
Enkele oprit/carport zonder garage10,8oprit min. 6,0 meter diep en 2,5 meter breed
Lange oprit/carport zonder garage21,0oprit min. 10,5 meter diep en 2,5 meter breed
Dubbele oprit/carport zonder garage21,7oprit min. 5,5 meter breed
Garage zonder oprit (bij woning)10,4
Garagebox (niet bij woning)10,5garage min. 5,0 meter diep en 2,80 meter breed
Garage met enkele oprit21,0oprit min. 5,5 meter diep
Garage met lange oprit31,3
Garage met dubbele oprit31,8oprit min. 5,5 meter breed

Een garage wordt pas meegerekend als er tevens een schuur/opslagruimte aanwezig is op het betreffende perceel.

Tabel: Reductiefactoren parkeervoorzieningen op eigen terrein

Acceptabele loopafstanden

HoofdfunctieAcceptabele loopafstanden (in meter)
Wonen200 – 400 m (binnenstad eerste auto), 150 m (overig)
Winkelen200-600
Werken200-800
Ontspanning100
Gezondheidszorg100
Onderwijs100

Tabel: Acceptabele loopafstanden (bron: CROW en Parkeerbeleidsplan ‘Kiezen of Delen’, 2005)

Gebruik van de tabellen

  • - Parkeernormen worden alleen voorschrijvend gehanteerd voor een nieuwbouw- en uitbreidingsontwikkeling en voor een functiewijziging, waar een bouwvergunning voor afgegeven moet worden of waarvoor een vrijstellingsprocedure moet worden gevolgd. Voor alle overige situaties kunnen de normen alleen ter indicatie van de parkeervraag worden gehanteerd.
  • - De vraag naar parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van de parkeernormen, en aan de hand van rekenwaarden/-methoden voor meervoudig gebruik van parkeerplaatsen, voor Kiss&Rideplaatsen, voor reductiefactoren en voor gehandicaptenplaatsen. Als rekenregel bij meervoudig gebruik van parkeerplaatsen geldt dat de parkeereis gelijk is aan het berekende aantal parkeerplaatsen bij meervoudig gebruik + 25% van het verschil tussen de berekening bij stapeling en bij meervoudig gebruik.
  • - De parkeernormen maken onderscheid in de locatie voor woningen naar:
  • - binnenstad (het gebied binnen de Stadsring en het Plantsoen Noord, Oost en West, en het Eempleingebied tussen de Eem, de Eemlaan en de

    Nieuwe Poort);

  • - schil (de parkeerreguleringsgebieden direct rondom de binnenstad, zoals vastgelegd in de Verordening Parkeerbelastingen);
  • - rest bebouwde kom (alle overige locaties).

    Voorts zijn er de volgende locaties:

  • - intercitylocaties: locaties binnen een maximale loopafstand (vanaf de hoofdentree van het gebouw) van 800 meter tot de noord-, dan wel de zuidingang van Amersfoort CS;
  • - knooppuntlocaties:
    • - locaties (niet zijnde intercitylocaties) binnen een maximale loopafstand van 600 meter tot de noord-, dan wel de zuidingang van een NS-station enerzijds én binnen een maximale rijafstand van 2.000 meter tot een op- / afrit van een autosnelweg of 500 meter tot een gebiedsontsluitingsweg anderzijds;
    • - locaties (niet zijnde intercitylocaties) voor zover gelegen binnen het gebied dat overeenkomt met tariefzone A zoals opgenomen in de Verordening Parkeerbelastingen van de gemeente Amersfoort;
  • - snelweglocaties: locaties (niet zijnde intercitylocaties of knooppuntlocaties) binnen een maximale rijafstand van 2.000 meter tot een op- / afrit van een autosnelweg;
  • - overige locaties: locaties, niet zijnde intercitylocaties, knooppuntlocaties of snelweglocaties.

    Op de bijbehorende Bereikbaarheidskaart (bijlage 3) zijn deze gebieden en locaties nader aangeduid. De grenzen zoals deze op de kaart zijn aangegeven, zijn maatgevend voor het vaststellen van de soort locatie.

  • - Voor woningen wordt in de parkeernormen een onderscheid gemaakt in goedkope/middeldure (verkoopwaarde v.o.n. t/m € 260.000,- in prijspeiljaar 2008) en dure koopwoningen. Deze waarde wordt voor het eerst in 2009 jaarlijks geïndexeerd en volgt de jaarlijkse indexeringen van het woningbouwprogramma Vathorst (volgens de GREX-Vathorst). Voor huurwoningen wordt uitgegaan van de stichtingskosten van de woningen.
  • - De tussen haakjes aangegeven waarden betreffen de ‘hoge norm’. Als er geen waarden tussen haakjes zijn vermeld, is er geen hogere norm dan de norm toegestaan. Bij het gebruik van parkeernormen kunnen zich de volgende situaties voordoen:
  • - Er is sprake van één vaste parkeernorm (er is geen hoge norm).
  • - Er is sprake van een parkeernorm en een hoge norm die tussen haakjes is vermeld (een parkeernorm of ‘onbegrensd’).

    Een eventueel hogere te hanteren norm dan de parkeernorm is beperkt tot de hoge norm. Om in deze situatie een hogere parkeernorm te gebruiken gelden voor bepaalde functies op een aantal locaties een aantal voorwaarden: er wordt een bijdrage per extra gerealiseerde parkeerplaats tussen de norm en de hoge norm vereist, evenals een mobiliteitsprofiel van de aanvrager. De financiële bijdrage geldt alleen voor kantoren en detailhandel op intercity- en knooppuntlocaties. Het overleggen van een mobiliteitsprofiel is vereist voor kantoren op alle locaties en voor detailhandel op intercity- en knooppuntlocaties.

    De aanleg van minder parkeerplaatsen dan de norm voorschrijft en de aanleg van meer parkeerplaatsen dan de hoge norm voorschrijft wordt behandeld volgens de door het college vastgestelde beleidsregels.

  • - De norm is inclusief het bezoekersparkeren. De parkeerplaatsen voor bezoekers moeten openbaar toegankelijk zijn. Het aantal bezoekersplaatsen kan bepaald worden met de waarden in de kolom ‘aandeel bezoekers’.
  • - De (som van de) berekende parkeervraag wordt in gehele getallen naar boven afgerond.
  • - Een parkeergarage die aan de woning is gebouwd, telt in nieuwe situaties alleen mee voor het parkeren op eigen terrein, als de woning is voorzien van een schuur of andere opslagruimte, die in omvang geschikt is voor de opslag van gebruikelijke huishoudelijke goederen (ca. 10% van de vloeroppervlakte van de woning). De ruimte op eigen terrein vóór de garage en de woning wordt alleen dan meegeteld als die voldoende ruimte biedt voor het opstellen van een auto en zolang naast de geparkeerde auto nog voldoende loopruimte aanwezig blijft.
  • - De totale parkeernorm voor kantoren bestaat uit een bedrijfsgericht deel, waarin een aandeel voor bezoekersparkeren is opgenomen. Wanneer er balies zijn, komt daar de norm voor het baliegedeelte bovenop; ten minste die plaatsen moeten openbaar toegankelijk zijn.
  • - Woningen voor ouderen en gehandicaptenhuisvesting zijn altijd zelfstandige woningen. Als de woningen zijn gelegen nabij zorgcomplexen zal een gedeelte van deze woningen bewoond worden door mensen met een zorgindicatie. In complexen met appartementen die bestemd zijn voor senioren zal ook bij de start van de bewoning een gemengde leeftijdsopbouw worden nagestreefd. Als het duidelijk is dat een appartementencomplex bewoond zal worden door een mix van mensen met een zorgindicatie, mensen van 75 + en jongere ouderen zal de parkeernorm hierop aangepast kunnen worden. Hierbij wordt ervan uit gegaan dat de senioren van 75+ en de senioren met een zorgindicatie een lagere parkeernorm hebben (norm van de functie serviceflat/aanleunwoning). Voor een deel van de flat zal de algemene parkeernorm worden aangehouden. Bij clusterwonen en beschermd wonen waarbij geen sprake is van zelfstandig wonen gelden de normen van serviceflat/aanleunwoning. Dit betekent dat er steeds gekeken moet worden voor wie een complex seniorenappartementen is bedoeld. In de startnotitie die wordt opgesteld voordat een project van start gaat moet duidelijk zijn aangegeven voor welke doelgroepen deze appartementen zijn bedoeld. Bij twijfel geldt altijd de normale parkeernorm gebaseerd op de prijs van de woning.
  • - Bij woningen met een commerciële ruimte aan huis kan het gaan om verschillende doeleinden zoals zakelijke dienstverlening, maatschappelijke dienstverlening en aan huis gebonden beroepen, zoals bijvoorbeeld een kapper, een accountant, een schoonheidssalon of een ambachtelijk bedrijfje. Een belangrijk kenmerk van deze ruimten is dat ze kleinschalig zijn en dat het moet passen binnen het woonmilieu. Afhankelijk van de mogelijkheden die het bestemmingsplan voorschrijft, zal per situatie maatwerk geleverd moeten worden wat de parkeernorm betreft. Dat betekent dat de gemeente de te verwachten parkeervraag moet beoordelen op de beschikbare ruimte in het openbaar gebied, wanneer parkeren op eigen terrein niet mogelijk is. In dat geval is beleidsregel 1 aan de orde. Ter stimulering van de beroepsuitoefening aan huis, is er een beleidsregel voor een ontheffing van de parkeereis, voor een parkeertekort tot maximaal drie plaatsen op de openbare weg. Voorwaarde daarbij is dat die parkeerruimte op de openbare weg aanwezig is, zonder daarbij de grens van 80% bezettingsgraad te overschrijden.
  • - Nieuw-voor-oud-regel: bij functiewijziging (waarbij het pand blijft staan) kan worden afgeweken van de parkeernorm op eigen terrein, als de parkeervraag die bij de nieuwe functie hoort, lager of gelijk is aan de parkeervraag (op basis van de parkeernorm die gold bij de bouwaanvraag) van de oude functie. In dat geval hoeven er geen extra parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Als de norm voor de nieuwe functie hoger is, moet het verschil aan parkeerplaatsen tussen de nieuwe parkeereis en de bestaande (aan de oude functie toe te wijzen plaatsen) extra worden aangelegd.
  • - Wanneer niet vooraf bekend is welke functies zich in een gebouw gaan vestigen, wordt per aanvraag bekeken welke parkeereis gesteld moet worden, daarbij rekening houdend met de volgens het bestemmingsplan toegestane functies.
  • - In bijzondere gevallen en in gevallen waarin de beleidsregels of de parkeernormen niet voorzien, is het college bevoegd bij gemotiveerd besluit van de beleidsregels en/of de normen af te wijken. Bij voorkeur wordt daarbij in een nieuwe of een gewijzigde beleidsregel, of een parkeernorm voorzien.

Formulier Mobiliteitsprofiel

Bedrijf/Instelling:

Invuller: Dhr./Mw.

Telefoon:

E-mail:

Datum:

Vraag 1

Hoeveel werknemers gaan gelijktijdig op de betreffende locatie werken?

Vraag 2 (voor bestaande bedrijven/instellingen)

Hoe komen uw werknemers nu naar het werk? (% lopend/fiets/openbaar vervoer/auto)

Vraag 3

Op welke wijze worden werknemers gestimuleerd in het woon-werkverkeer en het zakelijk verkeer gebruik te maken van de fiets?

(meerdere antwoorden mogelijk)

O met een reiskostenvergoeding voor de fiets

O met een aanschafregeling voor een fiets

O met een gratis abonnement voor een fietsenstalling

O met een goede afgesloten fietsenstalling

O door geen autoparkeerplaats aan te bieden

O door geen vergoeding te geven voor gereden autokilometers in het woon-werkverkeer

O anders, namelijk ……

Vraag 4

Op welke wijze worden werknemers gestimuleerd in het woon-werkverkeer en het zakelijk verkeer gebruik te maken van het openbaar vervoer (bus, trein)?

(meerdere antwoorden mogelijk)

O met een reiskostenvergoeding voor de het openbaar vervoer

O met de inzet van personeelsvervoer

O door geen autoparkeerplaats aan te bieden

O door geen vergoeding te geven voor gereden autokilometers in het woon-werkverkeer

O anders, namelijk ……

Vraag 5

Op welke wijze worden bezoekers gestimuleerd gebruik te maken van de fiets?

(meerdere antwoorden mogelijk)

O met een routebeschrijving per fiets

O met een reiskostenvergoeding voor de fiets

O door geen autoparkeerplaats aan te bieden

O met goede fietsparkeervoorzieningen

O met een gratis fietsenstalling

O anders, namelijk ……

Vraag 6

Op welke wijze worden bezoekers gestimuleerd gebruik te maken van het openbaar vervoer (bus, trein)?

(meerdere antwoorden mogelijk)

O met een routebeschrijving per openbaar vervoer

O met een reiskostenvergoeding voor het openbaar vervoer

O door geen autoparkeerplaats aan te bieden

O met de inzet van consumentenvervoer

O anders, namelijk ……

Vraag 7

Heeft u een carpoolregeling? Zo ja, wat houdt die in?

Vraag 8

Is er meervoudig gebruik (verschillende groepen parkeerders maken op verschillende tijden gebruik van de parkeerplaatsen, waardoor minder parkeerplaatsen nodig zijn) van parkeerplaatsen mogelijk?

O ja, want ……

O nee, want ……

Vraag 9

Hoeveel parkeerplaatsen wilt u realiseren?

(Geeft u a.u.b. apart uw berekening aan.)

Uw eventuele verdere toelichting:

______________________________________________________________________________

in te vullen door de gemeente:

Huidige bereikbaarheidslocatie: intercity/knooppunt/snelweg/overig

Toekomstige bereikbaarheidslocatie: intercity/knooppunt/snelweg/overig

Aantal parkeerplaatsen volgens norm: …….. parkeerplaatsen

Maximum aantal parkeerplaatsen volgens de hoge norm (indien van toepassing): …….. parkeerplaatsen

Door bedrijf/instelling gewenste aantal parkeerplaatsen: …….. parkeerplaatsen

Toe te staan aantal te realiseren parkeerplaatsen: …….. parkeerplaatsen

Definities gebruikte termen in Bijlage 15

Autosnelweg

Een openbare weg voorzien van een autosnelwegbebording.

Bestemmingsplan

Een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel een stadsvernieuwingsplan als bedoeld in de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.

Bouwverordening

Een verordening als bedoeld in artikel 8 van de Woningwet.

Klantparkeren

Alle parkeren bij een voorziening, anders dan door bewoners/bezoek en werknemers.

Gebiedsontsluitingsweg

Een openbare weg die als gebiedsontsluitingsweg is aangewezen in een verkeer- en vervoerplan, wegcategoriseringsplan of een ander door de gemeenteraad vastgesteld beleidsplan.

Locaties

  • - intercitylocaties: locaties binnen een maximale loopafstand (vanaf de hoofdentree van

    het gebouw) van 800 meter tot de noord-, dan wel de zuidingang van Amersfoort CS;

  • - knooppuntlocaties:

    olocaties (niet zijnde intercitylocaties) binnen een maximale loopafstand van 600 meter

tot de noord-, dan wel de zuidingang van een NS-station enerzijds én binnen een maximale rijafstand van 2.000 meter tot een op- / afrit van een autosnelweg of 500 meter tot een gebiedsontsluitingsweg anderzijds;

olocaties (niet zijnde intercitylocaties) voor zover gelegen binnen het gebied dat

overeenkomt met tariefzone A zoals opgenomen in de Verordening Parkeerbelastingen van de gemeente Amersfoort;

  • - snelweglocaties: locaties (niet zijnde intercitylocaties of knooppuntlocaties) binnen een

    maximale rijafstand van 2.000 meter tot een op- / afrit van een autosnelweg;

  • - overige locaties: locaties, niet zijnde intercitylocaties, knooppuntlocaties of snelweg-

    locaties.

Loopafstand

De afstand zoals door een voetganger af te leggen via een voor voetgangers toegankelijke, gebruikelijke en logische route.

Maximumparkeernorm

Maximaal toegestane parkeernorm vanuit parkeer- en mobiliteitsoogpunt voor een nieuw ruimtelijk project/plan op een bepaalde locatie.

Mobiliteitsprofiel

Een mobiliteitsprofiel biedt inzicht in de te verwachten mobiliteit naar modaliteit, de wijze van beïnvloeding van deze modaliteit (bijvoorbeeld door vervoersmanagement) en het aantal benodigde parkeerplaatsen.

Mobiliteitstoets

Een gemeentelijke toets van het door een initiatiefnemer ingediende mobiliteitsprofiel.

Norm

Vereiste parkeernorm vanuit parkeer- en mobiliteitsoogpunt voor een nieuw ruimtelijk project/plan op een bepaalde locatie.

Parkeerbalans

Een parkeerbalans geeft op diverse momenten de balans in beeld van de vraag naar parkeerplaatsen en het aanbod aan parkeerplaatsen.

Parkeerbeleid

Parkeerbeleid is een bewuste inzet van parkeerinstrumenten, gericht op vooraf gestelde doelen.

Parkeereis/Parkeerplaatsverplichting

Het aantal parkeerplaatsen dat een initiatiefnemer moet realiseren op grond van de te gebruiken parkeernorm. Deze parkeerplaatsverplichting wordt opgenomen in de bouwvergunning.

Parkeerkencijfers

Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers die kunnen worden gebruikt als hulpmiddel bij het bepalen van het aantal parkeerplaatsen voor een (aantal) functie(s).

Parkeernormen

Parkeernormen geven het aantal parkeerplaatsen voor een bepaalde functie of groep functies aan dat niet mag worden over- of onderschreden. Gemeenten stellen hun eigen parkeernormen vast, normaliter op basis van parkeerkencijfers en eigen parkeer- en locatiebeleid.

Rijafstand

De afstand zoals door een automobilist af te leggen via een voor auto’s toegankelijke, gebruikelijke en logische route.

Vervoermanagement

Vervoermanagement is de zorg van het management van bedrijven en instellingen voor personenvervoer gericht op een selectief autogebruik.