Verstrekking van een individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de belanghebbende of, ingeval de belanghebbende minderjarig is, diens wettelijke vertegenwoordiger.
Een voorziening wordt slechts verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget indien de voorziening ook in natura kan worden verstrekt.
Een voorziening wordt niet in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt indien:
er tijdens het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag het ernstige vermoeden bestaat dat de belanghebbende of diens vertegenwoordiger niet in staat is om:
de verantwoordelijkheid tot besteding van een persoonsgebonden budget aan de
voorziening waarvoor deze wordt verstrekt aan te kunnen; of
te kunnen voldoen aan de regels ter verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget.
bij een eerder toegekend persoonsgebonden budget de belanghebbende of diens vertegenwoordiger verwijtbaar het budget niet of slechts ten dele heeft besteed aan de voorziening waarvoor dit budget was toegekend of zich niet heeft gehouden aan de regels ter verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget.
op grond van de progressiviteit van het ziektebeeld de aangevraagde voorziening zo snel weer door een andere voorziening moet worden vervangen dat deze verstrekking zich daardoor niet leent voor een persoonsgebonden budget.
Indien er voor een voorziening een persoonsgebonden budget is verstrekt en de redelijke afschrijvingstermijn van deze voorziening is nog niet verstreken, wordt voor diezelfde voorziening niet nogmaals een persoonsgebonden budget verstrekt, tenzij uit onderzoek blijkt dat de voorziening, bij normaal gebruik, eerder aan vervanging toe is.
Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing als de situatie van de belanghebbende dusdanig is gewijzigd dat de reeds verstrekte voorziening niet meer adequaat is om het gewenste resultaat te bereiken.
Als een voorziening na de afschrijvingstermijn nog adequaat is om het gewenste resultaat mee te bereiken, wordt geen nieuwe voorziening verstrekt.
Als een voorziening die is aangeschaft met een persoonsgebonden budget niet langer gebruikt wordt of niet meer adequaat is om het gewenste resultaat mee te bereiken of de noodzaak voor de voorziening is komen te vervallen en de afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, dient hiervan onverwijld bij het college melding van te worden gemaakt.
Indien er sprake is van een situatie zoals vermeld in lid 7 van dit artikel kan het college besluiten tot inname van de voorziening ten behoeve van herverstrekking en terugvordering van dat deel van het persoonsgebonden budget dat is bedoeld voor de kosten van onderhoud en reparatie voor het resterende deel van de bij beschikking vastgestelde afschrijvingstermijn van de voorziening.
De omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende te verstrekken voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingskosten tenzij hiervoor specifieke bepalingen zijn opgenomen.
Hoofdstuk 2
Artikel 2
Regels omtrent verstrekking
Onderdeel van Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2011