1. 1. Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 25 onderdeel b vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien: a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische problemen en psychosociale problemen het gebruik en/of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken;b. het gebruik van een algemene voorziening als bedoeld in artikel 25 onderdeel a geen adequate oplossing biedt of niet beschikbaar is.
  2. 2. Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 25 onderdeel c tot en met j vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht indien: a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische problemen en psychosociale problemen het gebruik en/of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken; b. het gebruik van een algemene voorziening als bedoeld in artikel 25 onderdeel a geen adequate oplossing biedt of niet beschikbaar is, en;c. het gebruik van een collectieve vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 25 onderdeel b niet mogelijk is.
  3. 3. In afwijking van lid 2 kunnen de in artikel 25 onderdeel f, g, h en i vermelde voorzieningen in aanvulling op de collectieve vervoersvoorziening worden verstrekt, indien sprake is van uiterst beperkte mobiliteit.