1. 1. Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 7 onderdeel a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische problemen en psychosociale problemen, het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan oplossen.
  2. 2. Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 7 onderdeel b en c vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht indien:a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische problemen en psychosociale problemen het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken, en;b. de in artikel 7 onderdeel a genoemde voorziening geen adequate oplossing biedt of niet beschikbaar is.