1. De raad ontslaat de leden of stelt hen op non-activiteit.

2. Het lidmaatschap van de commissie van een raadslid eindigt:

a. op eigen verzoek;

b. indien het lid aftreedt als lid van de raad;

c. indien de raad van oordeel is dat het lid niet langer geschikt is de functie van lid van de commissie te vervullen.

3. De voorzitter wordt door de raad ontslagen:

a. op eigen verzoek;

b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de commissie;

c. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;

d. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;

e. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.

4. De voorzitter van de commissie kan door de raad worden ontslagen wanneer hij door ziekte of gebreken, blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen.