In dit artikel worden de belangrijkste begrippen gedefinieerd die met betrekking tot treasury relevant zijn.
- - Algemene begrippen treasuryfunctie:
- - De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s.
- - Het treasurybeleid bestaat uit de uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en limieten, de organisatorische en administratieve kaders, de informatievoorziening en de administratieve organisatie ter uitvoering van de treasuryfunctie. Het beleid leggen wij vast in een treasurystatuut.
- - Het treasurybeheer is de (beleids)uitvoering van de treasuryfunctie, binnen de kaders van het treasurystatuut. De beleidsuitvoering vindt zijn weerslag in specifieke beleidsplannen zoals financierings- en liquiditeitsplanning of het incassobeleid. Deze en de realisaties daarvan komen aan de orde in de treasuryparagraaf van achtereenvolgens de programmabegroting en de programmarekening.
- - De treasuryfunctie bestaat uit drie treasurydeelfuncties:
2.1 Risicobeheer:
- - renterisicobeheer
- - koersrisicobeheer
- - kredietrisicobeheer
- - intern liquiditeitsrisicobeheer
- - valutarisicobeheer
2.2 Gemeentefinanciering:
- - financiering (voor minimaal 1 jaar)
- - uitzettingen (voor minimaal 1 jaar)
- - relatiebeheer
2.3 Kasbeheer:
- - geldstromenbeheer (inclusief betalingsverkeer)
- - saldobeheer op dagbasis
- - liquiditeitenbeheer (tot 1 jaar)
In dit statuut verstaan wij onder:
Administrateur: is de 1e medewerker van de financiële administratie. Deze voert de aan hem opgedragen treasury-activiteiten uit.
Comptabele: is de door het college aangewezen functionaris die de finale handtekening zet bij de betalingsopdrachten.
Concerncontroller: draagt zorg voor de interne controle en de autorisatie van een aantal uitvoeringszaken op het gebied van de treasury. De medewerker interne controle is de eerste plaatsvervanger van de concerncontroller in het kader van het Treasurystatuut 2011.
Derivaten: financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren.
Wet Fido Wet Financiering Decentrale Overheden
Financiering: het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen (interne financiering) als vreemd vermogen (externe financiering)
Financieringsplanning: een langjarige prognose van in- en uitgaande geldstromen, voortvloeiende uit de gemeentelijke investeringen, verstrekking van leningen aan derden en de financiering daarvan en de belegging van overtollige middelen.
Garantie: een borgstelling waarbij de gemeente Albrandswaard zich tegenover een geldverstrekker verbindt een of meerdere vorderingen van een geldverstrekker op een debiteur te voldoen indien de debiteur niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet.
Garantieproducent: zijn beleggingsproducten waarbij de uitgevende (financiële) instelling garandeert dat op de afloopdatum de hoofdsom wordt uitgekeerd.
Geldstromenbeheer: al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer)
Intern liquiditeitsrisico: de risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjaren investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen.
Kasgeldlening: Opname of uitzetting van geldmiddelen voor korte termijn (van 1 week tot 12 maanden)
Kasgeldlimiet: het maximum van de kortlopende financieringspositie op basis van de Wet Fido (wordt berekend aan de hand van een wettelijk vastgesteld percentage van het begrotingstotaal aan het begin van het jaar)
Kassier de functionaris die verantwoordelijk is voor het dagelijkse beheer van de tegoeden van de gemeente Albrandswaard en het genereren van betalingsvoorstellen.
Koersrisico: het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen.
Kredietrisico: de risico’s op een waardedaling van een vordering als gevolg van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij.
Liquiditeitenbeheer: het aantrekken en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar;
Liquiditeitsbehoefte: behoefte aan geldmiddelen
Liquiditeitenplanning: een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld naar aard en tijdseenheid.
Onderhandsegeldleningen: leningen waarbij de voorwaarden van de lening in onderling overleg met de geld gevende partij worden vastgesteld.
Publieke taak: Gemeenten kunnen uitsluitend leningen aangaan, middelen uitzetten en garanties verlenen voor de uitoefening van de publieke taak.
De Wet Fido geeft aan het begrip publieke taak een beperkte invulling. Bankachtige activiteiten (het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomen) worden hiertoe niet gerekend en zijn verboden. Overigens is het de raad van de gemeente Albrandswaard die het kader van de publieke taak, binnen de normen van de wet Fido bepaalt.
Rating: de inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier;
Relatiebeheer: is het onderhouden van relaties met financiële instellingen
Rekening-courant: lopende rekening bij een bank
Renterisico: het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente Albrandswaard door rentewijzigingen.
Renteriscionorm: het maximumbedrag conform de wet Fido waarover in enig jaar renterisico mag worden gelopen als gevolg van aflossing en renteherziening gebaseerd op een wettelijk vastgesteld percentage van het totaal van de vaste schuld bij aanvang van het jaar
Rentetypische looptijd: Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding.
Rentevisie: toekomstverwachting over de rente-ontwikkeling.
Saldobeheer: het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen.
Solovabiliteitsratio van 0%: Status die door een bancaire toezichthouder in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER, lidstaten van de Europese Unie uitgebreid met Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) aan het schuldpapier van een instelling kan worden toegekend.
Solvabiliteit: de mate waarin de organisatie op lange termijn aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen.
Treasurer: is de coördinator financiën en draagt zorg voor de uitvoering van alle treasury-activiteiten. Het afdelingshoofd Adviseurs & Administratie is de eerste plaatsvervanger.
Treasuryfunctie: de treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit de deelfuncties risicobeheer, gemeentefinanciering en kasbeheer (inclusief debiteuren- en crediteurenbeheer).
Uitzetting: het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer.
Vaste schuld: schuldtitels met een looptijd van minimaal één jaar en één dag
Vlottende schuld: schuldtitels met een looptijd van maximaal één jaar