1.. Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder i, de bodem dieper dan 50 cm onder de oppervlakte te verstoren.

2.. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:

a. het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de in artikel 14 bedoelde archeologische waardekaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt:

● in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde, of;

● in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m², of;

● in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m². b. in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.

  • - sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.
  • - het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische waardekaart;
  • - een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: ● het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of ● de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of ● in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.