In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
storten: het op of in de bodem storten van stoffen om ze daar te laten of anderszins op of in de bodem te brengen;
dempen: het geheel of gedeeltelijk dichtgooien of dicht gegooid houden van wateren of tijdelijk drooggevallen wateren, zoals sloten, greppels, slenken, wielen en sleuven;
ophogen: het storten ten behoeve van het tijdelijk of definitief verhogen van de bodem;
egaliseren: het vlak of gelijk maken, nivelleren of vereffenen van de bodem;
stortplaats: locatie waar gestort, gedempt, opgehoogd of geëgaliseerd wordt;
rommelterrein: terrein dat zich buiten een erf, buiten een bouwperceel of buiten een in het bestemmingsplan aangewezen bedrijfsbestemming bevindt, dat gebruikt wordt voor het al dan niet geordend bewaren of opslaan van goederen, materieel of al dan niet los gestort materiaal;
groene contour: de ecologische hoofdstructuur en de gebieden uit de Natuurbeschermingswet 1998 (Vogel- en Habitatrichtlijn gebieden en beschermde natuurmonumenten);
bouwperceel: een aaneengesloten terreinoppervlak waarop krachtens het bestemmingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
baggerspecie: bagger vermengt met ongewenste plantenresten;
agrarisch bedrijf: een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren.
Hoofdstuk
Artikel 8