Het is verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag:
in een beschermd monument, bedoeld in artikel 1, onder
a, sub 2 of in een archeologisch waardevol gebied,
bedoeld in artikel 1, onder h, de bodem te verstoren,
behoudens de normale onderhoudswerkzaamheden en
archeologisch onderzoek door een daartoe gekwalificeerde
archeoloog;
aanwezige (delen van) fundamenten of andere, met de
archeologische structuren verband houdende zaken af te
breken, te verplaatsen of in enig opzicht te
wijzigen;
zich met een metaaldetector te bevinden op beschermde
monumenten en op de terreinen, die door de raad zijn
aangewezen als terreinen met een
metaaldetectorverbod.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien:
in het vigerende bestemmingsplan bepalingen zijn
opgenomen omtrent de archeologische monumentenzorg;
in een besluit over een ruimtelijke procedure als
bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening door het college
voorschriften zijn opgenomen omtrent de archeologische
monumentenzorg;
het college nadere regels stelt met betrekking tot de
uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een
verstoring van een beschermd monument of van een
archeologisch waardevol gebied, als aangegeven op de
gemeentelijke beleidskaart met thema “Cultuurhistorie en
Archeologie” uit de Milieutoets bij bestemmingsplannen,
waarop archeologische en cultuurhistorische monumenten
en waardevolle gebieden zijn aangegeven;
een bureauonderzoek en eventueel een archeologisch
onderzoeksrapport is overgelegd (indien nader
archeologisch onderzoek door het college wordt geëist),
waarin de archeologische waarde van het terrein en/of de
wateren in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
blijkt dat:
in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
zijn;
de aanwezige archeologische waarden door de verstoring
niet onevenredig worden geschaad; of:
het behoud van de archeologische waarden in voldoende
mate kan worden gewaarborgd.