Deze verordening verstaat onder:
monument:
zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor
de wetenschap of cultuurhistorische waarde;
terrein en/of water dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige
zaak, als bedoeld onder 1;
complex van zaken, terreinen en/of wateren, dat van belang is wegens
zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
waarde en wegens de samenhang tussen de zaken, terreinen en/of
wateren;
beschermd gemeentelijk monument: onroerend monument als
bedoeld in onderdeel a, dat in overeenstemming met de bepalingen van deze
verordening als zodanig is aangewezen, geen monument betreffende dat is
aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of op grond
van de Provinciale Monumentenverordening van de provincie
Noord-Holland;
gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
geregistreerd de in overeenstemming met deze verordening als beschermd
gemeentelijk monument aangewezen zaken, terreinen en/of wateren en
complexen;
beeldbepalend pand: pand dat in een bestemmingsplan voor een
beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht als zodanig is aangemerkt
en dat, naast de beschermde monumenten in het als zodanig aangewezen
gebied, als referentie dient voor het waardevol geachte beeld van de
bebouwing in het dorpsgezicht;
karakteristiek pand: pand dat in een bestemmingsplan als
zodanig is aangemerkt en dat van cultuurhistorische waarde wordt geacht
op grond van typering, architectuur, landschappelijke en/of
stedenbouwkundige situering, beeldbepalende onderdelen, bijzondere
vormgeving, bijdrage aan herkenbaarheid van de omgeving en/of
gaafheid;
eigenaar: de natuurlijke of rechtspersoon die in de
kadastrale registers is ingeschreven als eigenaar, dan wel als erfpachter
of opstalhouder;
bouwhistorisch onderzoek: onderzoek naar de bouwgeschiedenis
en de bouwhistorische kwaliteit van een monument, in een schriftelijke
rapportage vastgelegd;
bouwkundig inspectierapport: een schriftelijke rapportage
inclusief foto’s, waarin de bouwtechnische staat van het monument is
vastgelegd en aanbevelingen worden gedaan voor te plegen onderhouds- en
restauratiewerkzaamheden;
casco: de hoofdstructuur van een bouwwerk, waaronder in ieder
geval wordt begrepen: fundering, balkdragende muren, balklagen, vloeren,
buitenmuren, kap, binnenpleisterwerk, buitenafwerking, ramen en
kozijnen;
onderhoud: periodieke werkzaamheden welke dienen om het
monument als zodanig in stand te houden of toekomstige groot onderhoud of
restauratie te voorkomen of uit te stellen;
restauratie: werkzaamheden die voor het herstel van het
monument noodzakelijk zijn en het normale onderhoud te boven gaan;
cosmetica-onderhoud: onderhoudswerkzaamheden aan
cultuurhistorisch waardevolle elementen van beeldbepalende en
karakteristieke panden;
cultuurhistorisch waardevolle elementen: elementen zoals
voordeuren, glas-in-lood, kozijnen, luiken, makelaars, windveren,
gevelstenen, stoepen, buitentrappen, gevelornamenten, hekwerken,
siersmeedwerken en andere elementen, ter beoordeling door het college op
basis van de redengevende omschrijving van het pand;
Leidraad Brim Subsidiabele Instandhoudingskosten: leidraad
voor de subsidiabele kosten van onderhoud en restauratie, opgesteld door
de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM),
als bijlage toegevoegd;
subsidie: een geldelijke bijdrage van de gemeente in de
subsidiabele kosten van onderhoud, restauratie en cosmetica-onderhoud van
een gemeentelijk monument of beeldbepalend of karakteristiek pand;
subsidiabele kosten: kosten die noodzakelijk zijn voor
onderhoud en restauratie van een monument. Hieronder zijn niet begrepen
de kosten die uitsluitend dan wel in overwegende mate worden gemaakt voor
de verbetering van het wooncomfort.
De berekening van de subsidiabele onderhouds- en restauratiekosten wordt
gebaseerd op de Leidraad Brim Subsidiabele Instandhoudingskosten. Tot de
subsidiabele kosten behoren onder andere:
de aanneemsom;
stelposten en verrekenposten;
de risicoverzekering van loon- en materiaalprijsstijgingen;
het honorarium van de architect en de constructeur, de kosten van het
dagelijks toezicht en overige naar het oordeel van burgemeester en
wethouders relevante kosten;
de legeskosten voor de bouwvergunning en de monumentenvergunning;
de kosten voor een door het college vereist bouwhistorisch onderzoek of
een (bouwkundig) inspectierapport door Monumentenwacht Noord-Holland of
een deskundig bouwadviesbureau;
een reservering voor noodzakelijk onvoorzien meerwerk, tot een maximum
van 5% van de aanneemsom;
de verschuldigde omzetbelasting, tenzij deze fiscaal verrekenbaar
is.
subsidieplafond: het bedrag dat krachtens deze verordening
gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de
verstrekking van subsidie;
verlenen van subsidie: het besluit van het college dat de
aanvrager een voorwaardelijke aanspraak verschaft op een subsidie voor de
subsidiabele kosten van onderhoud en/of restauratie;
vaststellen van subsidie: het besluit van het college, nadat
de werkzaamheden zijn uitgevoerd, waarbij de hoogte van de verleende
subsidie wordt vastgesteld;
stabu-codering: gestandaardiseerde bestekssystematiek voor de
woning- en utiliteitsbouw, door Stichting Stabu;
instandhoudingsplan: meerjarenplan en
meerjarenbegroting van de voorgenomen werkzaamheden om een gemeentelijk
monument in goede staat van onderhoud te brengen en te houden.
college: het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente Stede Broec.
bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van
de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht;
vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Hoofdstuk 1:
Artikel 1:
Begripsbepalingen
Onderdeel van Subsidieverordening gemeentelijke monumenten en beeldbepalende en karakteristieke panden Stede Broec 2011