Lid 1
Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de gewezen
ambtenaar onverwijld mededeling aan het college. Daarbij doet hij, voor
zover mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij uit dien hoofde zal
verwerven; hij is verplicht om, indien die inkomsten tijdelijk of
blijvend wijziging ondergaan, daarvan tijdig voor het verschijnen van de
eerstvolgende uitkeringstermijn nadere opgave te doen. Zijn de inkomsten
niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van
elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij sedert het ter
hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten.
Brengt echter de aard der werkzaamheden mede dat de inkomsten over een
langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave over die
langere termijn en kan op de uitkering een voorlopige vermindering
worden toegepast naar een geraamd bedrag van die inkomsten, onder
voorbehoud van nadere verrekening aan het einde van evenbedoelde
termijn. Dit lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 9:4:1:1,
tweede en derde lid.
Lid 2
Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het eerste
lid, niet of niet volledig nakomt, kan het college bepalen dat de
uitkering, zolang zulks niet het geval is, niet of slechts gedeeltelijk
wordt uitbetaald.
Lid 3
De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de uitkering
er in te bewilligen dat zij die daarvoor naar het oordeel van het
college in aanmerking komen, de inlichtingen verstrekken welke voor de
uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.