Bewoners van AWBZ-instellingen die ingevolge artikel 5 van de Wet toelating zorg- instellingen is erkend komen, ingevolge artikel 29 van de Verordening, slechts voor een rolstoel in aanmerking indien zij vanuit de AWBZ geen rolstoel krijgen. Hiervan zal sprake zijn als artikel 15 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ van toepassing is.
Artikel 15 Bza luidt:
“1.
Voor zover gepaard gaande met verblijf in dezelfde instelling, omvat de zorg, bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14, tevens:
geneeskundige zorg van algemeen medische aard, niet zijnde paramedische zorg;
farmaceutische zorg;
hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in de instelling gegeven zorg;
tandheelkundige zorg;
kleding, verband houdende met het karakter en de doelstelling van de instelling;
het individueel gebruik van een rolstoel.
2.
De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, omvat niet het verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en zakgeld.”
En de zorg als bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14 bestaat uit: de functie behandeling, ziekenhuiszorg en revalidatiezorg.
Dat betekent dat de combinatie verblijf en behandeling, ontvangen in dezelfde instelling, het verblijf in een ziekenhuis en het verblijf in een revalidatiecentrum redenen zijn om een rolstoel uit de AWBZ te ontvangen. Wie in een ziekenhuis of revalidatiecentrum bezig is terug te gaan naar huis zal uiteraard een rolstoel aanvragen in het kader van de Wmo.
Door ontwikkelingen als extramuralisering zijn er steeds meer voorzieningen ontstaan waarbij het niet zonder meer duidelijk is of er sprake is van een toegelaten instelling. In die situatie zal moeten worden nagegaan of op betrokken persoon één of meer facetten van de werking van artikel 15 Besluit zorgaanspraken van toepassing is. Hiernaar kan geïnformeerd worden bij de zorgaanbieder of bij het zorgkantoor.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.2.3
Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door AWBZ-bewoners
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borsele 2007