Lid 1

Een werkneemster, die een borstkind voedt, heeft, indien zij de werkgever hiervan in kennis heeft gesteld, gedurende ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind, het recht de arbeid te onderbreken, ten einde in de nodige rust en afzondering haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven. De werkgever dient haar daartoe in de gelegenheid te stellen en, waar nodig, een lokaliteit ter beschikking te stellen.

Lid 2

Een werkneemster, die een borstkind voedt en op tenminste 3 uren per dag arbeid verricht, heeft, met betrekking tot het zogen van het kind, het recht de in het eerste lid bedoelde onderbreking te samen in ieder geval een vierde van de arbeidstijd per dag te doen bedragen.

Lid 3

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid dient de mogelijkheid te bestaan dat de in het eerste lid bedoelde onderbreking voor het kolven van borstvoeding in ieder geval per keer tenminste een half uur mag bedragen.

Lid 4

De onderbrekingen als bedoeld in het tweede en derde lid worden geacht een tijd te zijn gedurende welke arbeid wordt verricht.

Lid 5

De ruimte, waar het kind gevoed kan worden, is bekend bij het bureau personeel dienst Burger en Bestuur.