De aangifteplichtige doet van het hebben of houden van
destructiemateriaal ten kantore van de directeur voor
zover in de volgende artikelen niet anders wordt
bepaald. De directeur regelt de uren, binnen welke deze
aangifte moet geschieden.
Ten aanzien van het destructiemateriaal, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, sub b, der wet,
geschiedt de aangifte - met inachtneming van de uren
bedoeld in het eerste lid - terstond na het ontstaan van
dit materiaal. Van ander destructiemateriaal geschiedt
de aangifte zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk voor
9.00 uur des voormiddags op de eerste werkdag volgende
op die, waarop dit materiaal als zodanig is
ontstaan.
De aangifte geschiedt, onder opgave van de soort en de
hoeveelheid van het destructiemateriaal, alsmede van de
plaats, waar het zich bevindt en of sectie gewenst
wordt. De aangifte wordt in drievoud opgemaakt.
Burgemeester en wethouders stellen met inachtneming van
het bepaalde in artikel 12, tweede lid, der wet, een model
van het aangifteformulier vast.
Door of vanwege de directeur wordt een gewaarmerkt
exemplaar van het ingevulde aangifteformulier verstrekt
aan de aangifteplichtige.
De ondernemer ontvangt het derde exemplaar.