**1..** De gedragingen bedoeld in artikel 2 lid 1 worden onderscheiden in de volgende vier categorieën:
eerste categorie
het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij de Centrale organisatie werk en inkomen, dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen ;
het niet op verzoek tonen van een identiteitsbewijs, zoals bedoeld in artikel 17 derde en vierde lid van de wet;
het niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de verlening van algemene bijstand of de voortzetting daarvan;
het niet desgevraagd aan het college verlenen van medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet, zoals bedoeld in artikel 17 lid 2 van de wet.
tweede categorie
het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen ;
het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.
het niet of niet in voldoende mate nakomen van een of meerdere verplichtingen zoals bedoeld in artikel 55 van de wet die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging.
derde categorie
gedragingen die de inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;
Het niet, dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een trajectplan en /of aangeboden voorziening gericht op sociale activering.
vierde categorie:
het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
het verwijtbaar geen gebruik maken van een voorliggende voorziening, waaronder begrepen het instellen van een verzoek tot toekenning van kinderalimentatie als bedoeld in artikel 56 van de wet indien de verplichting hiertoe door het college is opgelegd.
Het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een trajectplan en / of een aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling.
**2..** Bij gedragingen als bedoeld in lid 1 wordt een maatregel opgelegd als volgt :
tien procent van de bijstandsnorm gedurende de duur van de tekortkoming met een minimum van een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
twintig procent van de bijstandsnorm gedurende de duur van de tekortkoming met een minimum van een maand bij gedragingen van de tweede categorie;
veertig procent van de bijstandsnorm gedurende de duur van de tekortkoming met een minimum van een maand bij gedragingen van de derde categorie;
honderd procent van de bijstandsnorm gedurende de duur van de tekortkoming met een minimum van een maand bij gedragingen van de vierde categorie;
**3..** Indien de tekortkoming het gevolg is van een eenmalige handeling of gebeurtenis en de maatregel niet voor de duur van de tekortkoming kan worden opgelegd, wordt de maatregel opgelegd voor een individueel te bepalen periode met een minimum van een maand.
Artikel 3
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand BOL