Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5:

Artikel 23

Citeerartikel

Onderdeel van Re-integratieverordening Wet werk en bijstand

Deze verordening kan worden aangehaald als: de Re-integratieverordening WWB. Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 05 maart 2007. Het algemeen bestuur voornoemd, de secretaris, de voorzitter, Mevrouw A.E.W. van Limpt P.W.M. van Dongen Algemene Toelichting Deze verordening regelt de ondersteuning die de ISD Midden–Langstraat biedt bij de arbeidsinschakeling van werkzoekenden die behoren tot de doelgroep. De opdracht om die ondersteuning te bieden, is geregeld in artikel 7 WWB. Het voorschrift om een verordening vast te stellen waarin deze ondersteuning nader vorm wordt gegeven, volgt uit artikel 8 WWB. De gemeentebesturen van de gemeenten Heusden, Loon op Zand en Waalwijk hebben de uitvoering van de WWB opgedragen aan de ISD Midden-Langstraat. In het kader van deze verordening treedt bij de bepalingen van de WWB het "algemeen bestuur" in plaats van "de raad" en het "dagelijks bestuur" in plaats van het "college". In het door de gezamenlijke raden vastgestelde beleidsplan wordt aan de ISD Midden-Langstraat de opdracht gegeven op een geheel eigen manier de uitvoering van de WWB ter hand te nemen op basis van een eensluidend en gemeenschappelijk beleid. Enkele belangrijke uitgangspunten daarbij zijn: ??stringente participatieplicht ??de eigen verantwoordelijkheid van de klant staat voorop ??invoering Workfirst-model ??resultaatgerichte uitvoering WWB met als doel beheersing van het uitkeringsvolume Om deze uitgangspunten te kunnen waarmaken is het van belang om een stringente uitvoering te geven aan de uitvoering van deze verordening in combinatie met de Afstemmings- en handhavingsverordening. De WWB geeft tevens de opdracht een verordening inzake klantenparticipatie op te stellen. In deze Re-integratieverordening is daarom opgenomen dat bij de vaststelling van het beleidsplan en beleidsverslag de klantenraad wordt betrokken. De uitgangspunten van deze verordening dienen middels een goede voorlichting aan de belanghebbenden gecommuniceerd te worden. De re-integratieverordening geeft de minimale en maximale reikwijdte aan van het re-integratiebeleid. De verordening op zich is een technisch stuk. Het is niet mogelijk, en het zou er geen recht aan doen, wanneer de gedachte achter het re-integratiebeleid ook letterlijk in deze verordening verwoord zou worden. Welke achterliggende gedachte de koers bepaalt, staat in het door het algemeen bestuur vastgestelde beleidsplan 2004 en de beleidsnotitie re-integratie “Brug naar de toekomst”. Naast eerder genoemde uitgangspunten zijn kernbegrippen “de kortste weg naar werk”, “snelheid” (meer snelheid in het proces om te komen tot werk) en “regulier werk” (in deze vorm van werk komt het meest tot uitdrukking dat de persoon op eigen benen kan staan los van de lokale overheid). Met de komst van de WWB verdwijnt de landelijke wet- en regelgeving over re-integratie zoals vastgesteld in de WIW en het besluit ID. Ook financieel is er een verandering: Voor de uitvoering van het re-integratiebeleid krijgt de gemeente een ongedifferentieerd budget (Werkdeel). Staatssteun Ondanks het feit dat gemeenten beleidsvrijheid hebben met betrekking tot de inrichting van het reintegratiebeleid, worden zij toch gebonden aan de regels die de Europese Unie stelt. Dit betreft onder meer het onderwerp staatssteun, wat is neergelegd in de Verordening Werkgelegenheidssteun (Nr. 2204/2002) en de Verordening de minimis-steun (Verordening (EG) Nr. 69/2001). De Europese regelgeving over staatssteun kan een beperking van de mogelijkheden voor het gemeentelijke re-integratiebeleid opleveren. Van belang is om na gaan, in hoeverre de gemeentelijke verordening voldoet aan de voorwaarden uit de Europese verordeningen. Indien in de gemeentelijke verordening sprake is van een generieke regeling, worden de subsidies niet aangemerkt als staatssteun. De bepalingen uit de EG-verordeningen zijn dan niet van toepassing. Generiek wil zeggen, dat niet op voorhand bepaalde bedrijven of groepen van bedrijven of sectoren expliciet in de verordening worden uitgesloten van subsidiëring. De redactie van de artikelen in deze verordening die Re-integratieverordening Pagina 12 van 17 gaan over detacheringsbanen en loonkostensubsidies is zodanig, dat sprake is van een generieke regeling. Naast de inhoudelijke regels vragen de EG-verordeningen om uitgebreide informatiestromen richting Europese Commissie. Deze informatieverplichtingen worden beperkt door afspraken van het Ministerie van SZW met de Europese Unie, die hun weerslag hebben gevonden in het document “Subsidiëring arbeidsplaatsen in het kader van re-integratie werkzoekenden – beleidsaanbeveling van belang voor het opstellen van de gemeentelijke re-integratieverordeningen in het kader van de Wet werk en bijstand.” De beperking van de informatieverplichtingen wordt alleen effectief, als een expliciete verwijzing naar deze beleidsaanbeveling opnemen in de re-integratieverordening. In deze verordening is ervoor gekozen deze verwijzing op te nemen in de aanhef van de verordening (gelet op …). Hiermee wordt aangegeven dat alle bepalingen uit de verordening in overeenstemming zijn met de eerder genoemde beleidsaanbeveling van het Ministerie van SZW. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1 Begripsomschrijving De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de WWB. In de verordening wordt het begrip “belanghebbende” gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als “degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken”. Artikel 2 Opdracht aan het dagelijks bestuur en Artikel 3 De doelgroep Het is aan het dagelijks bestuur om te zorgen voor een voldoende aanbod van re-integratieinstrumenten, maar het dagelijks bestuur heeft daarbij te maken met beperkte middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een veelheid aan sociaal-economische factoren. Dat maakt dat het dagelijks bestuur bepaalt voor welke inwoners die tot de doelgroep van de WWB behoren, zij bepaalde voorzieningen gaat inzetten. In het beleidsplan 2004 is aangegeven voor welke doelgroep de ISD Midden-Langstraat welke middelen en voorzieningen gaat inzetten. Artikel 4 Taken en Beleidsplan De WWB geeft aan het dagelijks bestuur de verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning. Hoewel de tot de doelgroep behorende personen aanspraak kunnen maken op ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals de tot de doelgroep behorende persoon dat het liefst zou zien. De wet vraagt om het re-integratiebeleid in een verordening vast te leggen. Hier is gekozen voor de systematiek om niet alles in de verordening te regelen, maar ook gebruik te maken van beleidsplannen en uitvoeringsbesluiten. Het vierde lid geeft aan dat het algemeen bestuur een beleidsplan opstelt. Dit plan omvat in elk geval de omschrijving van het beleid ten aanzien van de verschillende doelgroepen en de prioritering binnen en tussen die groepen, waarbij een evenwichtige aanpak als uitgangspunt wordt genomen. Verder wordt aandacht besteed aan de wijze waarop de aanbesteding wordt vormgegeven, de verdeling van de beschikbare middelen over de verschillende voorzieningen en het flankerend beleid ten aanzien van zorg en hulpverlening. Het vijfde lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid. Het algemeen bestuur doet dit elk jaar door middel van een jaarverslag over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid en zendt dit verslag aan de raden van de ISD-gemeenten. De voor de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) van belang zijnde informatie over de WWB wordt vervolgens door de gemeenten verstrekt via de bijlage bij de gemeentelijke jaarrekening. Re-integratieverordening Pagina 13 van 17 In het zesde lid wordt aangegeven dat bij de vaststelling van het beleidsplan en jaarverslag de klantenraad wordt betrokken. Artikel 5 Rechten en plichten deelnemer en Artikel 19 Handhaving Deelname aan re-integratie is niet vrijblijvend. Voor diegenen zonder uitkering worden voorwaarden aan het re-integratietraject gekoppeld die staan vermeld in artikel 5 van de verordening. Bijstandsgerechtigden zijn reeds door het ontvangen van een uitkering aan bepaalde verplichtingen gehouden en ook artikel 5 van de verordening geldt voor hen. Het niet nakomen van de verplichtingen geeft de mogelijkheid om een traject af te breken of gevraagde ondersteuning te weigeren, bijvoorbeeld als iemand niet mee wil werken aan een onderzoek. Wanneer een re-integratietraject door verwijtbaar toedoen van de belanghebbende voortijdig wordt beëindigd, vindt de koppeling plaats naar artikel 18 van deze verordening (handhaving) en naar de afstemmingsverordening waarin de hoogte van de op te leggen maatregelen zijn bepaald. Artikel 6 Criteria ontheffing arbeidsplicht Categoriale ontheffingen zijn vanaf 1 januari 2004 niet langer mogelijk. Dat betekent dat alleenstaande ouders met kinderen onder de vijf jaar en personen ouder dan 57,5 jaar, die in de Abw een categoriale ontheffing van de arbeidsplicht hadden, ook bekeken worden op hun mogelijkheden om op zo kort mogelijke termijn zelf te kunnen voorzien in hun kosten van levensonderhoud. Bij alleenstaande ouders met kind(eren) kan de combinatie zorg en werk of de combinatie zorg en voorziening maken dat tijdelijke ontheffing wordt gegeven. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het dagelijks bestuur in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of het gebruik maken van een door haar aangeboden voorziening dan wel het meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt. Indien de tijdelijke ontheffing een alleenstaande ouder betreft maakt het dagelijks bestuur in het bijzonder een afweging tussen het belang van arbeidsinschakeling en de invulling die de ouder wenst te geven aan de zorgplicht (artikel 9, lid 2 WWB). De tijdelijkheid kent een maximale duur van 1 jaar respectievelijk 3 jaar. Daarna vindt herbeoordeling plaats. In de praktijk komen situaties voor waarbij op basis van een herbeoordeling de situatie van belanghebbende zodanig wordt beoordeeld dat de ontheffing blijvend (geheel of gedeeltelijk) verlengd zou moeten worden. Dit is echter strijdig met artikel 9, lid 2 WWB. Uit het woord “tijdelijk” blijkt dat een ontheffing nooit definitief kan zijn. Bij (her)onderzoeken zal dan ook periodiek bezien moeten worden of, en in hoeverre, er aanleiding is om de tot arbeidsinschakeling strekkende verplichtingen (opnieuw) aan de bijstand te verbinden of om voor een bepaalde periode verleende ontheffingen van deze verplichtingen voort te zetten, in te trekken of te wijzingen. Voor wat betreft de periode van verlenging wordt aangesloten bij het bepaalde in het heronderzoeksplan 2007 ISD Midden-Langstraat. Voor personen ouder dan 57,5 jaar wordt de door het ministerie van SZW aangegeven lijn gevolgd. Als blijkt dat er kansen zijn, worden met belanghebbende afspraken gemaakt over hoe die kansen te benutten en daarmee uitstroom te bevorderen. Is die mogelijkheid er niet dan krijgt belanghebbende ontheffing van de sollicitatieplicht met een maximale duur van drie jaar. Leeftijd op zich is geen criterium voor ontheffing. Het gaat daarbij om een combinatie met andere factoren. Voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar geldt expliciet dat de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden slechts van toepassing is nadat het dagelijks bestuur zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene (artikel 9, lid 4 WWB). Artikel 7 Algemene bepalingen Re-integratie-instrumenten worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Bovendien worden de instrumenten alleen ingezet als aan de hand van onderzoek is gebleken dat door de inzet van die instrumenten het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid mogelijk wordt. Re-integratie moet bovendien de kortste weg naar arbeid zijn. Daarmee wordt niet alleen de tijd tussen de inzet van het instrument en de werkaanvaarding bedoeld, Re-integratieverordening Pagina 14 van 17 maar ook de inspanningen die het kost om dat doel te bereiken. Alleen als binnen een reeds lopende voorziening blijkt dat arbeidsinschakeling niet tot de mogelijkheden behoort, kan maatschappelijke participatie een doel van de inzet van re-integratie-instrumenten zijn. Ook in dat geval geldt dat het instrument beschikbaar moet zijn en dat het adequaat en toereikend moet zijn voor het beoogde doel. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt bij het dagelijks bestuur, dat immers ook verantwoordelijk is voor de effectieve en doelgerichte inzet van schaarse middelen. Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid moet rekening gehouden met de wensen van de belanghebbende. Voor het slagen van het traject is de motivatie van de belanghebbende belangrijk. Bovendien wordt, voordat tot het traject wordt besloten, de inhoud van het traject besproken met de belanghebbende, waarna het trajectplan door beide partijen ondertekend wordt. Voor alle tot de doelgroep behorende inwoners van de gemeenten Heusden, Loon op Zand en Waalwijk staan de re-integratie-instrumenten genoemd in hoofdstuk 3 ter beschikking. Arbeid als zelfstandige is ook algemeen geaccepteerde arbeid en biedt perspectief op uitstroom. Reintegratieactiviteiten kunnen derhalve ook gericht zijn op het starten van een eigen bedrijf of onderneming. Artikel 8 Sociale activering Volgens de WWB dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Gezien de beperkte middelen uit het werkdeel in relatie tot de omvang van de doelgroep, kan het een overweging zijn onderscheid te maken tussen sociale activering als onderdeel van een reintegratietraject, als voorbereiding op arbeidsinschakeling (eerste lid), en sociale activering gericht op het laten participeren van de persoon in de maatschappij (vijfde lid). Kosten in verband met voorbereiding op arbeidsinschakeling zijn aan te merken als trajectkosten en drukken op het werkdeel van de WWB. De kosten die gemaakt worden voor maatschappelijke participatie ter voorkoming van maatschappelijk isolement kunnen niet aangemerkt worden als re-integratiekosten en kunnen derhalve niet betaald worden uit het werkdeel van de WWB. Het algemeen bestuur kan besluiten uitkeringsgerechtigden met behoud van uitkering deelname aan activiteiten gericht op maatschappelijke participatie toe te staan. De activiteiten worden dan gezien als welzijnsactiviteiten en daaraan verbonden kosten komen dan ten laste van de gemeentelijke welzijnsmiddelen. Een keuze voor een andere (gemeentelijke dan wel ISD-) financiering is uiteraard ook mogelijk. Het zevende lid geeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid om nadere regels te stellen. Dit vraagt nadere uitwerking met betrekking tot financiële en organisatorische aspecten, wellicht in regionaal verband. In dat kader is het noodzakelijk de positionering van de ISD bij sociale activering als welzijnszaak nader te bepalen. Artikel 9 Leerwerkstages De leerwerkstage heeft als belangrijkste doel het opdoen van vaardigheden in een vakgebied, waardoor uitstroom naar betaald werk mogelijk wordt gemaakt. De leerwerkstage is bedoeld voor belanghebbenden die op korte termijn (< 1jr) perspectief op betaald werk hebben. Voor de leerwerkstage geldt dat niet alleen het arbeidsperspectief bepalend is voor de inzet van de voorziening. Scholing/training staat voorop. Het derde lid geeft een duurbeperking. De termijn 6 maanden komt overeen met in de WWB genoemde termijn van werken met behoud van uitkering. Leerwerkstages zijn een betrekkelijk nieuw instrument om langdurig werklozen te reïntegreren. Voor de term “leerwerkstage” is gekozen om te benadrukken dat het gaat om een soort scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het leren werken staat centraal. Een leerwerkstage is in principe bij iedere werkgever of instelling mogelijk, niet met uitsluitend de bedoeling daar in dienst te treden. Re-integratieverordening Pagina 15 van 17 Artikel 10 Proefplaatsingen Bij de proefplaatsing is het doel vooral het wennen aan aspecten die samenhangen met betaald werk. Het opdoen van specifiek vaardigheden op de werkplek staat voorop waardoor uitstroom naar betaald werk mogelijk wordt. Net als de leerwerkstage kan het instrument worden ingezet voor leden van de doelgroep met een perspectief op betaald werk op korte termijn (< 1jr). Voor de proefplaatsing geldt net als voor leerwerkstages dat niet alleen het arbeidsperspectief bepalend is voor de inzet van het instrument. De proefplaatsing duurt maximaal zes maanden en heeft het oogmerk dat aansluitend een dienstverband wordt aangeboden. Het kabinet is voornemens ook binnen de Werkloosheidswet de mogelijkheid tot proefplaatsing te creëren, met behoud van uitkering. Artikel 11 Detacheringsbanen De WWB houdt de mogelijkheid op om à la de Wiw personen een dienstverband aan te bieden, om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. Het eerste lid biedt de mogelijk tot het aangaan van het dienstverband aan personen met een WWB-, IOAW- en IOAZ-uitkering en jongeren beneden de 23 jaar. Voor de doelgroep nuggers/Anw bestaat er geen plicht om dezelfde voorzieningen aan te bieden als WWB-ers. Nuggers en Anw-ers beschikken over voldoende inkomsten om in hun levensonderhoud te voorzien. Met hun arbeidsinschakeling bespaart de gemeente geen uitkeringsgelden. Gelet op de beperkte middelen in het werkdeel ligt het niet voor de hand om gesubsidieerd werk open te stellen voor deze doelgroep. In het derde lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden of twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof, de inhoud van het werk, etc. Het zesde lid biedt het dagelijks bestuur de bevoegdheid nadere beleidsregels vast te stellen ten aanzien van de detacheringsbanen, de duur van de subsidie (gekoppeld aan de mate van productiviteit), de hoogte, en de voorwaarden en verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden. Artikel 12 Loonkostensubsidies Het eerste lid geeft de basis voor de loonkostensubsidie, waarbij expliciet wordt aangeven dat het primair gaat om een re-integratievoorziening. De voorziening wordt ook hier aangeboden aan personen met een WWB-, IOAW- en IOAZ-uitkering en jongeren beneden de 23 jaar. Voor de doelgroep nuggers/Anw bestaat er geen plicht om dezelfde voorzieningen aan te bieden als WWBers. Nuggers en Anw-ers beschikken over voldoende inkomsten om in hun levensonderhoud te voorzien. Met hun arbeidsinschakeling bespaart de gemeente geen uitkeringsgelden. Gelet op de beperkte middelen in het werkdeel ligt het niet voor de hand om gesubsidieerd werk open te stellen voor deze doelgroep. Het instrument loonkostensubsidies gericht op re-integratie is onder de WWB geheel vormvrij geworden. Het beleid komt tot uitdrukking in de hoogte van de subsidie (gekoppeld aan de mate van productiviteit), de termijn en de aan de subsidie verbonden verplichtingen (b.v. bieden van scholing en begeleiding). Het vierde lid geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid hierover nadere regels te stellen. Artikel 13 Scholing In het rapport “Werklozen zonder startkwalificatie”1 wordt geconcludeerd dat de inzet van scholing als re-integratievoorziening de afgelopen jaren sterk is afgenomen. Dit wordt mede veroorzaakt door het spanningsveld tussen enerzijds zo snel mogelijke arbeidsinschakeling (de kortste weg naar werk) en anderzijds de duurzaamheid van arbeidsinpassing. Op basis van het principe «de kortste weg naar werk» dient ook de scholing zo kort mogelijk te zijn. De praktijk leert dat dat niet werkt, waardoor klanten snel weer terug in de uitkering raken (draaideureffect). Met name op de duurzaamheid wordt steeds meer de nadruk gelegd. Dit houdt in dat scholing en training een belangrijke plaats innemen op de re-integratieladder. Daarbij onderscheiden zich verschillende vormen van scholing en training, die 1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 30851, nrs 1-2 Re-integratieverordening Pagina 16 van 17 allen hun verschillende betekenis hebben. Dit varieert van het verwerven van een startkwalificatie tot het aanbieden van een functiegerichte training. Scholing is een voorziening die in het algemeen de mogelijkheid biedt voor duurzame arbeidsparticipatie. Scholing wordt geïndiceerd voor klanten waarvoor scholing een essentiële voorwaarde is om kans te maken op een duurzame plaatsing op de arbeidsmarkt. Het uitgangspunt blijft om eerst de arbeidsmogelijkheden te verkennen waarvoor geen scholing nodig is. Als die er niet zijn, bijvoorbeeld omdat terugkeer naar het oude beroep niet mogelijk is of omdat de vakkennis van de uitkeringsgerechtigde is verouderd, behoort scholing tot de mogelijkheden. Vervolgens wordt er gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie van de scholing. Er dient een directe relatie te bestaan met een vacature of een concrete vraag op de regionale arbeidsmarkt. Tenslotte wordt het scholingsplan getoetst aan de motivatie en de cognitieve vaardigheden. Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is vooraf algemene richtlijnen te geven die in de verordening moeten worden opgenomen. Daarom is dit artikel alleen nodig indien het dagelijks bestuur op het niveau van de verordening een aantal randvoorwaarden wil formuleren, zoals die genoemd zijn in het derde lid. Het tweede lid geeft aan dat de scholing zowel aangeboden kan worden als voorziening die ingekocht kan worden, als in de vorm van een subsidie. Dit laatste kan van belang zijn indien de klant op eigen initiatief met een vorm van scholing komt die door het dagelijks bestuur als noodzakelijk wordt geacht, maar die niet bestaat binnen het reguliere scholingsaanbod van de gemeente. Artikel 14 Voorzieningen gericht op nazorg Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat klanten na uitstroom niet na een korte periode terugvallen in de uitkering. Het dagelijks bestuur kan ertoe besluiten veel aandacht te besteden aan nazorg, met als doel een werkelijk duurzame plaatsing te realiseren. In de meeste gevallen is nazorg een onderdeel van een re-integratietraject, echter niet in alle gevallen, bijvoorbeeld als de belanghebbende rechtstreeks is geplaatst, zonder interventie van een re-integratiebedrijf. Hierdoor ontstaat de noodzaak van de beschikbaarheid van een aparte voorziening met als doel een duurzame plaatsing te realiseren. In het bijzonder kan gedacht worden aan de zgn. no-riskpolis die het werkgeversrisico bij uitval door ziekte dekt. Dit risico wordt gedekt door een aparte polis als voorziening voor nazorg aan te bieden. In het re-integratiebesluit worden nadere regels gesteld ten aanzien van de toepassing van voorzieningen gericht op nazorg. Artikel 15 Wiw en IDLW Omdat de Wiw- en ID-regeling per 1 januari 2004 vervallen, is het noodzakelijk de afspraken met de bestaande Wiw/ID-werknemers, inleners en werkgevers te herzien. In het beleidsplan 2004 en de beleidsnotitie Re-integratie “Brug naar de toekomst” wordt uitgelegd wat de komende jaren de bedoeling met gesubsidieerde arbeid is. Over de toepassing, vorm en financiën heeft het dagelijks bestuur op 26 april 2004 voor de jaren 2004 en verder een besluit genomen. Het derde lid geeft aan dat de voormalige Wiw- en ID-dienstbetrekkingen voorzieningen zijn in de zin van de WWB. Het vierde lid geeft het dagelijks bestuur op basis van het eerder genoemde besluit van 26 april 2004 de bevoegdheid nadere beleidsregels vast te stellen ten aanzien van de dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten genoemd in het eerste en tweede lid, de duur van de subsidie, de hoogte, en de voorwaarden en verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden. Artikel 16 Inkomstenvrijlating Met het amendement Bruls is het mogelijk gemaakt de inkomsten van uitkeringsgerechtigden die werken in deeltijd voor een deel vrij te laten. De vrijlating bedraagt maximaal 25% van de inkomsten per maand, tot het in de Wet werk en bijstand in artikel 31, lid 2 onder o, genoemde maximum. Op grond van de WWB wordt vereist dat het dagelijks bestuur een oordeel velt over de vraag of de arbeid die door de belanghebbende tegen betaling wordt verricht, bijdraagt aan diens arbeidsinschakeling. Er zijn weinig situaties voor te stellen waarbij dat niet het geval zal zijn. Met andere woorden: in beginsel moeten inkomsten uit arbeid die een bijstandsgerechtigde gedurende zes Re-integratieverordening Pagina 17 van 17 aaneengesloten maanden heeft verdiend (tot het gestelde maximum) buiten beschouwing worden gelaten als "aan de bijstandsgerechtigde toe te rekenen middelen". Dat geldt in beginsel voor iedereen die bijstand geniet. Het onderbreken van de periode van vrijlating heeft geen opschortende werking ten opzichte van de einddatum. Artikel 17 Premies Deze voorziening kenmerkt zich door de uitstroombevorderende werking in bredere zin voor personen die via een vorm van een re-integratietraject er in slagen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Er wordt onderscheid te maken tussen het einddoel (duurzaam algemeen geaccepteerde arbeid) en de inzet van voorzieningen om dat doel te bereiken. Als het doel bereikt is dan volgt premie. Dit houdt dan in dat tijdens het re-integratietraject en de inzet van voorzieningen (sociale activering, participatieplaats, leerwerkstage, proefplaatsing, detacheringsbaan, loonkostensubsidie, scholing, oud-ID+-Wiw) géén premie wordt verstrekt. Het recht op een premie ontstaat als via de inzet van het re-integratietraject en/of de re-integratievoorziening duurzaam algemeen geaccepteerde arbeid wordt verkregen. Er kan ook sprake zijn van de inzet van een re-integratietraject en/of re-integratievoorziening door een derde partij, anders dan de ISD, zoals bijvoorbeeld het UWV (betrokkene komt na een WW-periode in de WWB en kan het UWV-traject afmaken). Ook kan er sprake zijn van een hulpverleningstraject of traject sociale activering gericht op zelfredzaamheid, ter voorkoming c.q. doorbreking van sociaal isolement dat door of via een derde partij wordt uitgevoerd. Een dergelijke traject of voorziening kan gelijk gesteld worden aan een traject of voorziening die door de ISD wordt uitgevoerd. Onder voorwaarde dat de betrokken persoon tot de WWB-doelgroep behoort en duurzaam regulier werk vindt, kan een premie toegekend worden. In het re-integratiebesluit stelt het dagelijks bestuur vervolgens nadere regels over de doelgroepen, de voorwaarden en de hoogte van de premie. Artikel 18 Afweging Een bijzondere positie neemt in de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar. De belangenafweging ten aanzien van de zorgtaak dient zorgvuldig te geschieden, waarbij flankerende voorzieningen een cruciale rol spelen. De algemene arbeidsplicht geldt immers voor iedereen. Alleen op individuele basis is een ontheffing mogelijk. Dit artikel gaat in op die belangenafweging. Daarbij blijft de eigen verantwoordelijkheid voor de ouder om in kinderopvang te voorzien het uitgangspunt. Dit is immers geen WWB-voorziening waarop via de WWB aanspraak afgedwongen kan worden. Het dagelijks bestuur bevordert wel de beschikbaarheid van flankerende voorzieningen zoals kinderopvang. Artikel 20 Beëindiging Naast de mogelijkheid tot het beëindigen van de voorziening geeft dit artikel het dagelijks bestuur de bevoegdheid enige tijd geen nieuwe voorziening aan te bieden indien het beoogde doel niet gehaald is dan wel door verwijtbaar toedoen van de deelnemer een eerdere voorziening (voortijdig) beëindigd is. Artikel 21 Hardheidsclausule Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 22 Inwerkingtreding Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 23 Citeerartikel Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel