Deze verordening kan worden aangehaald als: de Re-integratieverordening
WWB.
Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 05 maart 2007.
Het algemeen bestuur voornoemd,
de secretaris, de voorzitter,
Mevrouw A.E.W. van Limpt P.W.M. van Dongen
Algemene Toelichting
Deze verordening regelt de ondersteuning die de ISD Midden–Langstraat
biedt bij de
arbeidsinschakeling van werkzoekenden die behoren tot de doelgroep. De
opdracht om die
ondersteuning te bieden, is geregeld in artikel 7 WWB. Het voorschrift
om een verordening vast te
stellen waarin deze ondersteuning nader vorm wordt gegeven, volgt uit
artikel 8 WWB.
De gemeentebesturen van de gemeenten Heusden, Loon op Zand en Waalwijk
hebben de uitvoering
van de WWB opgedragen aan de ISD Midden-Langstraat.
In het kader van deze verordening treedt bij de bepalingen van de WWB
het "algemeen bestuur" in
plaats van "de raad" en het "dagelijks bestuur" in plaats van het
"college".
In het door de gezamenlijke raden vastgestelde beleidsplan wordt aan de
ISD Midden-Langstraat de
opdracht gegeven op een geheel eigen manier de uitvoering van de WWB ter
hand te nemen op basis
van een eensluidend en gemeenschappelijk beleid.
Enkele belangrijke uitgangspunten daarbij zijn:
??stringente participatieplicht
??de eigen verantwoordelijkheid van de klant staat voorop
??invoering Workfirst-model
??resultaatgerichte uitvoering WWB met als doel beheersing van het
uitkeringsvolume
Om deze uitgangspunten te kunnen waarmaken is het van belang om een
stringente uitvoering te
geven aan de uitvoering van deze verordening in combinatie met de
Afstemmings- en
handhavingsverordening. De WWB geeft tevens de opdracht een verordening
inzake
klantenparticipatie op te stellen. In deze Re-integratieverordening is
daarom opgenomen dat bij de
vaststelling van het beleidsplan en beleidsverslag de klantenraad wordt
betrokken.
De uitgangspunten van deze verordening dienen middels een goede
voorlichting aan de
belanghebbenden gecommuniceerd te worden.
De re-integratieverordening geeft de minimale en maximale reikwijdte aan
van het re-integratiebeleid.
De verordening op zich is een technisch stuk. Het is niet mogelijk, en
het zou er geen recht aan doen,
wanneer de gedachte achter het re-integratiebeleid ook letterlijk in
deze verordening verwoord zou
worden. Welke achterliggende gedachte de koers bepaalt, staat in het
door het algemeen bestuur
vastgestelde beleidsplan 2004 en de beleidsnotitie re-integratie “Brug
naar de toekomst”. Naast
eerder genoemde uitgangspunten zijn kernbegrippen “de kortste weg naar
werk”, “snelheid” (meer
snelheid in het proces om te komen tot werk) en “regulier werk” (in deze
vorm van werk komt het
meest tot uitdrukking dat de persoon op eigen benen kan staan los van de
lokale overheid).
Met de komst van de WWB verdwijnt de landelijke wet- en regelgeving over
re-integratie zoals
vastgesteld in de WIW en het besluit ID. Ook financieel is er een
verandering: Voor de uitvoering van
het re-integratiebeleid krijgt de gemeente een ongedifferentieerd budget
(Werkdeel).
Staatssteun
Ondanks het feit dat gemeenten beleidsvrijheid hebben met betrekking tot
de inrichting van het reintegratiebeleid,
worden zij toch gebonden aan de regels die de Europese Unie stelt. Dit
betreft onder
meer het onderwerp staatssteun, wat is neergelegd in de Verordening
Werkgelegenheidssteun (Nr.
2204/2002) en de Verordening de minimis-steun (Verordening (EG) Nr.
69/2001).
De Europese regelgeving over staatssteun kan een beperking van de
mogelijkheden voor het
gemeentelijke re-integratiebeleid opleveren. Van belang is om na gaan,
in hoeverre de gemeentelijke
verordening voldoet aan de voorwaarden uit de Europese verordeningen.
Indien in de gemeentelijke
verordening sprake is van een generieke regeling, worden de subsidies
niet aangemerkt als
staatssteun. De bepalingen uit de EG-verordeningen zijn dan niet van
toepassing. Generiek wil
zeggen, dat niet op voorhand bepaalde bedrijven of groepen van bedrijven
of sectoren expliciet in de
verordening worden uitgesloten van subsidiëring. De redactie van de
artikelen in deze verordening die
Re-integratieverordening
Pagina 12 van 17
gaan over detacheringsbanen en loonkostensubsidies is zodanig, dat
sprake is van een generieke
regeling.
Naast de inhoudelijke regels vragen de EG-verordeningen om uitgebreide
informatiestromen richting
Europese Commissie. Deze informatieverplichtingen worden beperkt door
afspraken van het
Ministerie van SZW met de Europese Unie, die hun weerslag hebben
gevonden in het document
“Subsidiëring arbeidsplaatsen in het kader van re-integratie
werkzoekenden – beleidsaanbeveling van
belang voor het opstellen van de gemeentelijke
re-integratieverordeningen in het kader van de Wet
werk en bijstand.”
De beperking van de informatieverplichtingen wordt alleen effectief, als
een expliciete verwijzing naar
deze beleidsaanbeveling opnemen in de re-integratieverordening. In deze
verordening is ervoor
gekozen deze verwijzing op te nemen in de aanhef van de verordening
(gelet op …). Hiermee wordt
aangegeven dat alle bepalingen uit de verordening in overeenstemming
zijn met de eerder genoemde
beleidsaanbeveling van het Ministerie van SZW.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 1 Begripsomschrijving
De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
gelijkluidende betekenis als de
omschrijving in de WWB.
In de verordening wordt het begrip “belanghebbende” gebruikt. Dit begrip
wordt in artikel 1:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als “degene wiens belang
rechtstreeks bij een besluit
is betrokken”.
Artikel 2 Opdracht aan het dagelijks bestuur en
Artikel 3 De doelgroep
Het is aan het dagelijks bestuur om te zorgen voor een voldoende aanbod
van re-integratieinstrumenten,
maar het dagelijks bestuur heeft daarbij te maken met beperkte middelen,
terwijl de
vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een veelheid aan
sociaal-economische factoren. Dat
maakt dat het dagelijks bestuur bepaalt voor welke inwoners die tot de
doelgroep van de WWB
behoren, zij bepaalde voorzieningen gaat inzetten. In het beleidsplan
2004 is aangegeven voor welke
doelgroep de ISD Midden-Langstraat welke middelen en voorzieningen gaat
inzetten.
Artikel 4 Taken en Beleidsplan
De WWB geeft aan het dagelijks bestuur de verantwoordelijkheid voor het
bieden van ondersteuning.
Hoewel de tot de doelgroep behorende personen aanspraak kunnen maken op
ondersteuning, is er
geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals de tot de
doelgroep behorende persoon
dat het liefst zou zien.
De wet vraagt om het re-integratiebeleid in een verordening vast te
leggen. Hier is gekozen voor de
systematiek om niet alles in de verordening te regelen, maar ook gebruik
te maken van
beleidsplannen en uitvoeringsbesluiten. Het vierde lid geeft aan dat het
algemeen bestuur een
beleidsplan opstelt. Dit plan omvat in elk geval de omschrijving van het
beleid ten aanzien van de
verschillende doelgroepen en de prioritering binnen en tussen die
groepen, waarbij een evenwichtige
aanpak als uitgangspunt wordt genomen. Verder wordt aandacht besteed aan
de wijze waarop de
aanbesteding wordt vormgegeven, de verdeling van de beschikbare middelen
over de verschillende
voorzieningen en het flankerend beleid ten aanzien van zorg en
hulpverlening.
Het vijfde lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid. Het
algemeen bestuur doet dit elk
jaar door middel van een jaarverslag over de doeltreffendheid en de
effecten van het beleid en zendt
dit verslag aan de raden van de ISD-gemeenten. De voor de minister van
Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) van belang zijnde informatie over de WWB wordt
vervolgens door de
gemeenten verstrekt via de bijlage bij de gemeentelijke
jaarrekening.
Re-integratieverordening
Pagina 13 van 17
In het zesde lid wordt aangegeven dat bij de vaststelling van het
beleidsplan en jaarverslag de
klantenraad wordt betrokken.
Artikel 5 Rechten en plichten deelnemer en
Artikel 19 Handhaving
Deelname aan re-integratie is niet vrijblijvend. Voor diegenen zonder
uitkering worden voorwaarden
aan het re-integratietraject gekoppeld die staan vermeld in artikel 5
van de verordening.
Bijstandsgerechtigden zijn reeds door het ontvangen van een uitkering
aan bepaalde verplichtingen
gehouden en ook artikel 5 van de verordening geldt voor hen. Het niet
nakomen van de verplichtingen
geeft de mogelijkheid om een traject af te breken of gevraagde
ondersteuning te weigeren,
bijvoorbeeld als iemand niet mee wil werken aan een onderzoek. Wanneer
een re-integratietraject
door verwijtbaar toedoen van de belanghebbende voortijdig wordt
beëindigd, vindt de koppeling plaats
naar artikel 18 van deze verordening (handhaving) en naar de
afstemmingsverordening waarin de
hoogte van de op te leggen maatregelen zijn bepaald.
Artikel 6 Criteria ontheffing arbeidsplicht
Categoriale ontheffingen zijn vanaf 1 januari 2004 niet langer mogelijk.
Dat betekent dat alleenstaande
ouders met kinderen onder de vijf jaar en personen ouder dan 57,5 jaar,
die in de Abw een categoriale
ontheffing van de arbeidsplicht hadden, ook bekeken worden op hun
mogelijkheden om op zo kort
mogelijke termijn zelf te kunnen voorzien in hun kosten van
levensonderhoud.
Bij alleenstaande ouders met kind(eren) kan de combinatie zorg en werk
of de combinatie zorg en
voorziening maken dat tijdelijke ontheffing wordt gegeven. Indien
daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het dagelijks bestuur in individuele gevallen
tijdelijk ontheffing verlenen van de
verplichting tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of het
gebruik maken van een
door haar aangeboden voorziening dan wel het meewerken aan een onderzoek
naar de
mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Zorgtaken kunnen als dringende
redenen worden aangemerkt.
Indien de tijdelijke ontheffing een alleenstaande ouder betreft maakt
het dagelijks bestuur in het
bijzonder een afweging tussen het belang van arbeidsinschakeling en de
invulling die de ouder wenst
te geven aan de zorgplicht (artikel 9, lid 2 WWB).
De tijdelijkheid kent een maximale duur van 1 jaar respectievelijk 3
jaar. Daarna vindt herbeoordeling
plaats. In de praktijk komen situaties voor waarbij op basis van een
herbeoordeling de situatie van
belanghebbende zodanig wordt beoordeeld dat de ontheffing blijvend
(geheel of gedeeltelijk) verlengd
zou moeten worden. Dit is echter strijdig met artikel 9, lid 2 WWB. Uit
het woord “tijdelijk” blijkt dat een
ontheffing nooit definitief kan zijn. Bij (her)onderzoeken zal dan ook
periodiek bezien moeten worden
of, en in hoeverre, er aanleiding is om de tot arbeidsinschakeling
strekkende verplichtingen (opnieuw)
aan de bijstand te verbinden of om voor een bepaalde periode verleende
ontheffingen van deze
verplichtingen voort te zetten, in te trekken of te wijzingen. Voor wat
betreft de periode van verlenging
wordt aangesloten bij het bepaalde in het heronderzoeksplan 2007 ISD
Midden-Langstraat.
Voor personen ouder dan 57,5 jaar wordt de door het ministerie van SZW
aangegeven lijn gevolgd.
Als blijkt dat er kansen zijn, worden met belanghebbende afspraken
gemaakt over hoe die kansen te
benutten en daarmee uitstroom te bevorderen. Is die mogelijkheid er niet
dan krijgt belanghebbende
ontheffing van de sollicitatieplicht met een maximale duur van drie
jaar. Leeftijd op zich is geen
criterium voor ontheffing. Het gaat daarbij om een combinatie met andere
factoren.
Voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar geldt expliciet dat
de verplichting om algemeen
geaccepteerde arbeid te aanvaarden slechts van toepassing is nadat het
dagelijks bestuur zich
genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende
kinderopvang, de toepassing van
voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene (artikel 9,
lid 4 WWB).
Artikel 7 Algemene bepalingen
Re-integratie-instrumenten worden alleen ingezet als zonder die inzet
het vinden van algemeen
geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Bovendien worden de instrumenten
alleen ingezet als aan de
hand van onderzoek is gebleken dat door de inzet van die instrumenten
het vinden van algemeen
geaccepteerde arbeid mogelijk wordt. Re-integratie moet bovendien de
kortste weg naar arbeid zijn.
Daarmee wordt niet alleen de tijd tussen de inzet van het instrument en
de werkaanvaarding bedoeld,
Re-integratieverordening
Pagina 14 van 17
maar ook de inspanningen die het kost om dat doel te bereiken. Alleen
als binnen een reeds lopende
voorziening blijkt dat arbeidsinschakeling niet tot de mogelijkheden
behoort, kan maatschappelijke
participatie een doel van de inzet van re-integratie-instrumenten zijn.
Ook in dat geval geldt dat het
instrument beschikbaar moet zijn en dat het adequaat en toereikend moet
zijn voor het beoogde doel.
De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject
ligt bij het dagelijks bestuur, dat
immers ook verantwoordelijk is voor de effectieve en doelgerichte inzet
van schaarse middelen.
Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid moet rekening gehouden
met de wensen van de
belanghebbende. Voor het slagen van het traject is de motivatie van de
belanghebbende belangrijk.
Bovendien wordt, voordat tot het traject wordt besloten, de inhoud van
het traject besproken met de
belanghebbende, waarna het trajectplan door beide partijen ondertekend
wordt.
Voor alle tot de doelgroep behorende inwoners van de gemeenten Heusden,
Loon op Zand en
Waalwijk staan de re-integratie-instrumenten genoemd in hoofdstuk 3 ter
beschikking.
Arbeid als zelfstandige is ook algemeen geaccepteerde arbeid en biedt
perspectief op uitstroom. Reintegratieactiviteiten
kunnen derhalve ook gericht zijn op het starten van een eigen bedrijf
of
onderneming.
Artikel 8 Sociale activering
Volgens de WWB dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn
op arbeidsinschakeling. Voor
bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen
doel. Voor deze personen
staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop.
Gezien de beperkte middelen uit het werkdeel in relatie tot de omvang
van de doelgroep, kan het een
overweging zijn onderscheid te maken tussen sociale activering als
onderdeel van een reintegratietraject,
als voorbereiding op arbeidsinschakeling (eerste lid), en sociale
activering gericht op
het laten participeren van de persoon in de maatschappij (vijfde lid).
Kosten in verband met
voorbereiding op arbeidsinschakeling zijn aan te merken als
trajectkosten en drukken op het werkdeel
van de WWB.
De kosten die gemaakt worden voor maatschappelijke participatie ter
voorkoming van maatschappelijk
isolement kunnen niet aangemerkt worden als re-integratiekosten en
kunnen derhalve niet betaald
worden uit het werkdeel van de WWB. Het algemeen bestuur kan besluiten
uitkeringsgerechtigden
met behoud van uitkering deelname aan activiteiten gericht op
maatschappelijke participatie toe te
staan. De activiteiten worden dan gezien als welzijnsactiviteiten en
daaraan verbonden kosten komen
dan ten laste van de gemeentelijke welzijnsmiddelen. Een keuze voor een
andere (gemeentelijke dan
wel ISD-) financiering is uiteraard ook mogelijk.
Het zevende lid geeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid om nadere
regels te stellen. Dit vraagt
nadere uitwerking met betrekking tot financiële en organisatorische
aspecten, wellicht in regionaal
verband. In dat kader is het noodzakelijk de positionering van de ISD
bij sociale activering als
welzijnszaak nader te bepalen.
Artikel 9 Leerwerkstages
De leerwerkstage heeft als belangrijkste doel het opdoen van
vaardigheden in een vakgebied,
waardoor uitstroom naar betaald werk mogelijk wordt gemaakt. De
leerwerkstage is bedoeld voor
belanghebbenden die op korte termijn (< 1jr) perspectief op betaald
werk hebben. Voor de
leerwerkstage geldt dat niet alleen het arbeidsperspectief bepalend is
voor de inzet van de
voorziening. Scholing/training staat voorop.
Het derde lid geeft een duurbeperking. De termijn 6 maanden komt overeen
met in de WWB
genoemde termijn van werken met behoud van uitkering. Leerwerkstages
zijn een betrekkelijk nieuw
instrument om langdurig werklozen te reïntegreren. Voor de term
“leerwerkstage” is gekozen om te
benadrukken dat het gaat om een soort scholingsinstrument: niet de
arbeid zelf, maar het leren
werken staat centraal. Een leerwerkstage is in principe bij iedere
werkgever of instelling mogelijk, niet
met uitsluitend de bedoeling daar in dienst te treden.
Re-integratieverordening
Pagina 15 van 17
Artikel 10 Proefplaatsingen
Bij de proefplaatsing is het doel vooral het wennen aan aspecten die
samenhangen met betaald werk.
Het opdoen van specifiek vaardigheden op de werkplek staat voorop
waardoor uitstroom naar betaald
werk mogelijk wordt. Net als de leerwerkstage kan het instrument worden
ingezet voor leden van de
doelgroep met een perspectief op betaald werk op korte termijn (<
1jr). Voor de proefplaatsing geldt
net als voor leerwerkstages dat niet alleen het arbeidsperspectief
bepalend is voor de inzet van het
instrument. De proefplaatsing duurt maximaal zes maanden en heeft het
oogmerk dat aansluitend een
dienstverband wordt aangeboden. Het kabinet is voornemens ook binnen de
Werkloosheidswet de
mogelijkheid tot proefplaatsing te creëren, met behoud van
uitkering.
Artikel 11 Detacheringsbanen
De WWB houdt de mogelijkheid op om à la de Wiw personen een
dienstverband aan te bieden, om op
detacheringsbasis werkervaring op te doen.
Het eerste lid biedt de mogelijk tot het aangaan van het dienstverband
aan personen met een WWB-,
IOAW- en IOAZ-uitkering en jongeren beneden de 23 jaar. Voor de
doelgroep nuggers/Anw bestaat er
geen plicht om dezelfde voorzieningen aan te bieden als WWB-ers. Nuggers
en Anw-ers beschikken
over voldoende inkomsten om in hun levensonderhoud te voorzien. Met hun
arbeidsinschakeling
bespaart de gemeente geen uitkeringsgelden. Gelet op de beperkte
middelen in het werkdeel ligt het
niet voor de hand om gesubsidieerd werk open te stellen voor deze
doelgroep.
In het derde lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij
worden of twee vlakken afspraken
gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin
worden zaken geregeld als
de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de
wijze waarop de
begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en
inlener worden afspraken
gemaakt over werktijden, verlof, de inhoud van het werk, etc.
Het zesde lid biedt het dagelijks bestuur de bevoegdheid nadere
beleidsregels vast te stellen ten
aanzien van de detacheringsbanen, de duur van de subsidie (gekoppeld aan
de mate van
productiviteit), de hoogte, en de voorwaarden en verplichtingen die aan
de subsidie worden
verbonden.
Artikel 12 Loonkostensubsidies
Het eerste lid geeft de basis voor de loonkostensubsidie, waarbij
expliciet wordt aangeven dat het
primair gaat om een re-integratievoorziening. De voorziening wordt ook
hier aangeboden aan
personen met een WWB-, IOAW- en IOAZ-uitkering en jongeren beneden de 23
jaar. Voor de
doelgroep nuggers/Anw bestaat er geen plicht om dezelfde voorzieningen
aan te bieden als WWBers.
Nuggers en Anw-ers beschikken over voldoende inkomsten om in hun
levensonderhoud te
voorzien. Met hun arbeidsinschakeling bespaart de gemeente geen
uitkeringsgelden. Gelet op de
beperkte middelen in het werkdeel ligt het niet voor de hand om
gesubsidieerd werk open te stellen
voor deze doelgroep.
Het instrument loonkostensubsidies gericht op re-integratie is onder de
WWB geheel vormvrij
geworden. Het beleid komt tot uitdrukking in de hoogte van de subsidie
(gekoppeld aan de mate van
productiviteit), de termijn en de aan de subsidie verbonden
verplichtingen (b.v. bieden van scholing en
begeleiding). Het vierde lid geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid
hierover nadere regels te
stellen.
Artikel 13 Scholing
In het rapport “Werklozen zonder startkwalificatie”1 wordt geconcludeerd
dat de inzet van scholing als
re-integratievoorziening de afgelopen jaren sterk is afgenomen. Dit
wordt mede veroorzaakt door het
spanningsveld tussen enerzijds zo snel mogelijke arbeidsinschakeling (de
kortste weg naar werk) en
anderzijds de duurzaamheid van arbeidsinpassing. Op basis van het
principe «de kortste weg naar
werk» dient ook de scholing zo kort mogelijk te zijn. De praktijk leert
dat dat niet werkt, waardoor
klanten snel weer terug in de uitkering raken (draaideureffect). Met
name op de duurzaamheid wordt
steeds meer de nadruk gelegd. Dit houdt in dat scholing en training een
belangrijke plaats innemen op
de re-integratieladder. Daarbij onderscheiden zich verschillende vormen
van scholing en training, die
1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 30851, nrs 1-2
Re-integratieverordening
Pagina 16 van 17
allen hun verschillende betekenis hebben. Dit varieert van het verwerven
van een startkwalificatie tot
het aanbieden van een functiegerichte training.
Scholing is een voorziening die in het algemeen de mogelijkheid biedt
voor duurzame
arbeidsparticipatie. Scholing wordt geïndiceerd voor klanten waarvoor
scholing een essentiële
voorwaarde is om kans te maken op een duurzame plaatsing op de
arbeidsmarkt. Het uitgangspunt
blijft om eerst de arbeidsmogelijkheden te verkennen waarvoor geen
scholing nodig is. Als die er niet
zijn, bijvoorbeeld omdat terugkeer naar het oude beroep niet mogelijk is
of omdat de vakkennis van de
uitkeringsgerechtigde is verouderd, behoort scholing tot de
mogelijkheden. Vervolgens wordt er
gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie van de scholing. Er dient een
directe relatie te bestaan met
een vacature of een concrete vraag op de regionale arbeidsmarkt.
Tenslotte wordt het scholingsplan
getoetst aan de motivatie en de cognitieve vaardigheden.
Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is
vooraf algemene richtlijnen te
geven die in de verordening moeten worden opgenomen. Daarom is dit
artikel alleen nodig indien het
dagelijks bestuur op het niveau van de verordening een aantal
randvoorwaarden wil formuleren, zoals
die genoemd zijn in het derde lid. Het tweede lid geeft aan dat de
scholing zowel aangeboden kan
worden als voorziening die ingekocht kan worden, als in de vorm van een
subsidie. Dit laatste kan van
belang zijn indien de klant op eigen initiatief met een vorm van
scholing komt die door het dagelijks
bestuur als noodzakelijk wordt geacht, maar die niet bestaat binnen het
reguliere scholingsaanbod
van de gemeente.
Artikel 14 Voorzieningen gericht op nazorg
Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat
klanten na uitstroom niet na
een korte periode terugvallen in de uitkering. Het dagelijks bestuur kan
ertoe besluiten veel aandacht
te besteden aan nazorg, met als doel een werkelijk duurzame plaatsing te
realiseren. In de meeste
gevallen is nazorg een onderdeel van een re-integratietraject, echter
niet in alle gevallen, bijvoorbeeld
als de belanghebbende rechtstreeks is geplaatst, zonder interventie van
een re-integratiebedrijf.
Hierdoor ontstaat de noodzaak van de beschikbaarheid van een aparte
voorziening met als doel een
duurzame plaatsing te realiseren. In het bijzonder kan gedacht worden
aan de zgn. no-riskpolis die het
werkgeversrisico bij uitval door ziekte dekt. Dit risico wordt gedekt
door een aparte polis als
voorziening voor nazorg aan te bieden. In het re-integratiebesluit
worden nadere regels gesteld ten
aanzien van de toepassing van voorzieningen gericht op nazorg.
Artikel 15 Wiw en IDLW
Omdat de Wiw- en ID-regeling per 1 januari 2004 vervallen, is het
noodzakelijk de afspraken met de
bestaande Wiw/ID-werknemers, inleners en werkgevers te herzien. In het
beleidsplan 2004 en de
beleidsnotitie Re-integratie “Brug naar de toekomst” wordt uitgelegd wat
de komende jaren de
bedoeling met gesubsidieerde arbeid is. Over de toepassing, vorm en
financiën heeft het dagelijks
bestuur op 26 april 2004 voor de jaren 2004 en verder een besluit
genomen.
Het derde lid geeft aan dat de voormalige Wiw- en ID-dienstbetrekkingen
voorzieningen zijn in de zin
van de WWB.
Het vierde lid geeft het dagelijks bestuur op basis van het eerder
genoemde besluit van 26 april 2004
de bevoegdheid nadere beleidsregels vast te stellen ten aanzien van de
dienstbetrekkingen en
arbeidsovereenkomsten genoemd in het eerste en tweede lid, de duur van
de subsidie, de hoogte, en
de voorwaarden en verplichtingen die aan de subsidie worden
verbonden.
Artikel 16 Inkomstenvrijlating
Met het amendement Bruls is het mogelijk gemaakt de inkomsten van
uitkeringsgerechtigden die
werken in deeltijd voor een deel vrij te laten. De vrijlating bedraagt
maximaal 25% van de inkomsten
per maand, tot het in de Wet werk en bijstand in artikel 31, lid 2 onder
o, genoemde maximum.
Op grond van de WWB wordt vereist dat het dagelijks bestuur een oordeel
velt over de vraag of de
arbeid die door de belanghebbende tegen betaling wordt verricht,
bijdraagt aan diens
arbeidsinschakeling. Er zijn weinig situaties voor te stellen waarbij
dat niet het geval zal zijn. Met
andere woorden: in beginsel moeten inkomsten uit arbeid die een
bijstandsgerechtigde gedurende zes
Re-integratieverordening
Pagina 17 van 17
aaneengesloten maanden heeft verdiend (tot het gestelde maximum) buiten
beschouwing worden
gelaten als "aan de bijstandsgerechtigde toe te rekenen middelen". Dat
geldt in beginsel voor iedereen
die bijstand geniet. Het onderbreken van de periode van vrijlating heeft
geen opschortende werking
ten opzichte van de einddatum.
Artikel 17 Premies
Deze voorziening kenmerkt zich door de uitstroombevorderende werking in
bredere zin voor personen
die via een vorm van een re-integratietraject er in slagen algemeen
geaccepteerde arbeid te
verkrijgen.
Er wordt onderscheid te maken tussen het einddoel (duurzaam algemeen
geaccepteerde arbeid) en
de inzet van voorzieningen om dat doel te bereiken. Als het doel bereikt
is dan volgt premie. Dit houdt
dan in dat tijdens het re-integratietraject en de inzet van
voorzieningen (sociale activering,
participatieplaats, leerwerkstage, proefplaatsing, detacheringsbaan,
loonkostensubsidie, scholing,
oud-ID+-Wiw) géén premie wordt verstrekt. Het recht op een premie
ontstaat als via de inzet van het
re-integratietraject en/of de re-integratievoorziening duurzaam algemeen
geaccepteerde arbeid wordt
verkregen. Er kan ook sprake zijn van de inzet van een
re-integratietraject en/of re-integratievoorziening
door een derde partij, anders dan de ISD, zoals bijvoorbeeld het UWV
(betrokkene komt
na een WW-periode in de WWB en kan het UWV-traject afmaken). Ook kan er
sprake zijn van een
hulpverleningstraject of traject sociale activering gericht op
zelfredzaamheid, ter voorkoming c.q.
doorbreking van sociaal isolement dat door of via een derde partij wordt
uitgevoerd. Een dergelijke
traject of voorziening kan gelijk gesteld worden aan een traject of
voorziening die door de ISD wordt
uitgevoerd. Onder voorwaarde dat de betrokken persoon tot de
WWB-doelgroep behoort en duurzaam
regulier werk vindt, kan een premie toegekend worden.
In het re-integratiebesluit stelt het dagelijks bestuur vervolgens
nadere regels over de doelgroepen, de
voorwaarden en de hoogte van de premie.
Artikel 18 Afweging
Een bijzondere positie neemt in de alleenstaande ouder met kinderen tot
12 jaar. De
belangenafweging ten aanzien van de zorgtaak dient zorgvuldig te
geschieden, waarbij flankerende
voorzieningen een cruciale rol spelen. De algemene arbeidsplicht geldt
immers voor iedereen. Alleen
op individuele basis is een ontheffing mogelijk. Dit artikel gaat in op
die belangenafweging. Daarbij
blijft de eigen verantwoordelijkheid voor de ouder om in kinderopvang te
voorzien het uitgangspunt.
Dit is immers geen WWB-voorziening waarop via de WWB aanspraak
afgedwongen kan worden. Het
dagelijks bestuur bevordert wel de beschikbaarheid van flankerende
voorzieningen zoals
kinderopvang.
Artikel 20 Beëindiging
Naast de mogelijkheid tot het beëindigen van de voorziening geeft dit
artikel het dagelijks bestuur de
bevoegdheid enige tijd geen nieuwe voorziening aan te bieden indien het
beoogde doel niet gehaald
is dan wel door verwijtbaar toedoen van de deelnemer een eerdere
voorziening (voortijdig) beëindigd
is.
Artikel 21 Hardheidsclausule
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 22 Inwerkingtreding
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 23 Citeerartikel
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.