Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Holdingconstructies

Onderdeel van Herziening besluit inzake overdracht van aandelen in het kader van een kasgeld- c.q. holdingconstructie· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 14 augustus 1995

Op 11 juli 1990 is ook arrest gewezen inzake twee zogenoemde holdingconstructies. Deze arresten, BNB 1990/291* (rolnr. 25 655) en BNB 1990/292* (rolnr. 25 687), vormen een vervolg op het arrest Hoge Raad 24 september 1980, rolnr. 19 435, BNB 1980/331*. In de hiervoor vermelde kasgeldarresten is aansluiting gezocht bij deze holdingarresten. Ik ben derhalve van oordeel dat ook met betrekking tot holdingconstructies de beleidslijnen zoals die zijn uiteengezet ten aanzien van de bestrijding van kasgeldconstructies tot richtsnoer dienen te worden genomen; met name kan worden gedacht aan het tarief en aan situaties waarbij een belangenverschuiving optreedt. Voor de beoordeling van herkapitalisatie bij holdingconstructies verwijs ik naar mijn stellingname in punt 4. Het in de overige onderdelen gestelde geldt voor zover van toepassing ook voor holdingconstructies. In dit kader wijs ik op de situatie dat een belastingplichtige van derden verworven aandelen, welke hij veelal kortstondig in privé houdt, doorverkoopt aan een door hem beheerste (houdster)vennootschap. Van geval tot geval dient te worden getoetst of een dergelijke verkoop van aandelen voldoet aan de criteria van de holdingarresten; bij deze beoordeling is mede van belang is of belastingplichtige alternatieve wegen openstonden. De stelling dat de belastingplichtige per saldo financieel geen voordeel heeft behaald met de doorverkoop staat aan toepassing van het holdingbeleid niet in de weg. Ook is het antwoord op de vraag of de koopsom is gefinancierd niet van belang. Ik verwijs naar de – sterk door de feiten bepaalde – arresten van de Hoge Raad van 17 november 1993, rolnr. 29 371, BNB 1994/29 en 9 maart 1994, rolnr. 29 327, BNB 1994/141*.

Rechtspraak bij dit artikel