Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Relatie met de Algemene wet bestuursrecht

Onderdeel van Wijziging Wet voorkeursrecht gemeenten· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 25 september 1996

Op de besluiten die voor de vestiging van het voorkeursrecht moeten worden genomen is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het gaat daarbij niet alleen om de rechtsgevolgen die de vestiging van het voorkeursrecht met zich meebrengt, maar ook om de voorbereiding van die besluiten. Bij de voorbereiding van een aanwijzing speelt in beginsel artikel 4:8 van de Awb een rol. Dit artikel verplicht een gemeente om, voordat zij een beschikking geeft waartegen een belanghebbende, die de beschikking níet heeft aangevraagd, naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen, indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen en die gegevens niet door de belanghebbende zijn verstrekt. Vestiging van een voorkeursrecht is hiervan een typisch voorbeeld. Artikel 4:11, onder a en c, Awb biedt echter de mogelijkheid om in bepaalde gevallen toepassing van de hoorplicht van artikel 4:8 achterwege te laten. Het gaat dan om situaties waarbij of de vereiste spoed zich er tegen verzet of het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld. Deze situatie doet zich bij uitstek voor bij de aanwijzing tot voorkeursrechtgebied krachtens een voorstel van burgemeester en wethouders. Immers, als voorafgaande aan het voorstel van burgemeester en wethouders eerst gedurende enige tijd zienswijzen tegen dat voorstel kunnen worden ingediend, wordt de spoed die aan het voorstel als zodanig inherent is, geweld aangedaan. Ook kan het met het voorstel beoogde doel juist worden doorkruist als belanghebbenden daarvan tevoren in kennis worden gesteld. Bij een raadsbesluit tot aanwijzing ligt het wat genuanceerder; hierbij is van belang of het gaat om een besluit in eerste aanleg, waarbij het voorkeursrecht voor het eerst wordt gevestigd, of om een besluit dat een eerder gevestigd (tijdelijk) voorkeursrecht voortzet, bijvoorbeeld een bestendiging van een voorstel van burgemeester en wethouders ingevolge de artikelen 6 of 8a, of van een tijdelijk voorkeursrecht ingevolge artikel 2, vierde lid. Bij een raadsbesluit in eerste aanleg geldt hetzelfde als hierboven voor het voorstel van burgemeester en wethouders is betoogd: met een beroep op artikel 4:11, onder a en c, Awb kan de gemeenteraad toepassing van artikel 4:8 Awb achterwege laten. Bij een raadsbesluit tot bestendiging van een tijdelijk voorkeursrecht op grond van een voorstel ingevolge artikel 8a is daarvoor echter minder reden. De rechtsgevolgen van het voorstel van burgemeester en wethouders vervallen in elk geval na acht weken (vergelijk artikel 8a, derde lid, onder d). In die periode kunnen belanghebbenden door de gemeenteraad in de gelegenheid worden gesteld om hun zienswijzen naar voren te brengen over het te nemen raadsbesluit. Eventueel kan de uitnodiging daartoe onder de kennisgeving van de zakelijke betekenis van de aanwijzing, die de gemeente aan alle betrokkenen moet zenden ingevolge artikel 4, tweede lid, worden gesteld. Hoewel de artikelen 6 en 8a spreken over een voorstel van burgemeester en wethouders, wordt aan een zodanig voorstel wel reeds het rechtsgevolg verbonden van een raadsbesluit tot vestiging van het voorkeursrecht (vgl. de artikelen 6, tweede lid, en 8a, tweede lid). Om deze reden kan zo’n voorstel aangemerkt worden als een besluit in de zin van de Awb. Het is dan ook onderworpen aan de rechtsbescherming ingevolge de Awb: bezwaar bij het betrokken bestuursorgaan en vervolgens beroep bij de administratieve rechter. Ter wille van de duidelijkheid is dit met zoveel woorden in artikel 9a van de wet vastgelegd. In het eerste lid van het nieuwe artikel 9a wordt uitdrukkelijk vastgelegd dat het voorstel van burgemeester en wethouders aangemerkt wordt als een besluit in de zin van de Awb indien dat voorstel het rechtsgevolg van de aanwijzing heeft gekregen. Het tweede lid van artikel 9a voorziet erin dat bezwaar en beroep die zijn ingediend tegen zo’n voorstel van burgemeester en wethouders, hun werking blijven behouden voor zover dat voorstel tijdig wordt overgenomen of bestendigd door een raadsbesluit tot aanwijzing van diezelfde gronden. Dit zijn de situaties bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, onder b, en 8a, derde lid, onder b. Zo kunnen belanghebbenden naar keuze òf direct bezwaar maken tegen het voorstel van burgemeester en wethouders òf daarmee wachten tot het raadsbesluit tot vestiging van het voorkeursrecht is genomen. In het eerste geval wordt ingevolge het tweede lid van artikel 9a een aanhangig bezwaar of beroep tegen een voorstel van burgemeester en wethouders omgezet in een bezwaar tegen het raadsbesluit, voor zover dit dezelfde zaken betreft. Op deze wijze wordt voorkomen dat tweemaal een procedure moet worden gevolgd; eenmaal tegen het voorstel van burgemeester en wethouders en vervolgens tegen het raadsbesluit. Gevolg van deze regeling is bovendien dat de ráád de beslissing op bezwaar moet nemen of bij de rechter optreedt als het verwerende bestuursorgaan. Het derde lid van artikel 9a regelt vervolgens hetzelfde als het tweede lid, maar dan voor het geval dat het voorstel van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 8a reeds gevolgd wordt door een voorstel op grond van een ontwerp-plan als bedoeld in artikel 6 en de fase van een aanwijzing ingevolge artikel 8 dus wordt overgeslagen. Het moet daarbij overigens wel om dezelfde gronden gaan. Het gaat dan om de situatie beschreven in artikel 8a, derde lid, onder c.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel