Het systeem van de wet is er op gericht dat de bij een voorkeursrecht betrokken grond niet langer dan nodig met dat recht wordt ’bezwaard’. Heeft de gemeente een voorkeursrecht gevestigd en wordt aan de criteria voor die vestiging niet meer voldaan, dan moet dit recht vervallen. Hetzelfde geldt als de termijn die aan dat voorkeursrecht was gekoppeld is overschreden, tenzij uiteraard vóórdien het voorkeursrecht bestendigd is door inwerkingtreding van een opvolgende aanwijzing van de betrokken gronden.
Zo dient een voorstel van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 6 of artikel 8a, waaraan het rechtsgevolg van een voorkeursrecht is verbonden, vóór het verstrijken van de termijn door een raadsbesluit tot aanwijzing te worden bestendigd om het rechtsgevolg te kunnen laten voortduren. Gebeurt dit niet dan vervalt het recht, waarna het conform de in artikel 5 bedoelde wijze dient te worden doorgehaald.
In dit verband wordt er op gewezen, dat mocht dat doorhalen uit eigen beweging of na een daartoe strekkend verzoek achterwege blijven, beroep kan worden gedaan op de Awb: bezwaarschriftprocedure bij burgemeester en wethouders en beroep op de administratieve rechter. Voor de mogelijk hieruit voortvloeiende schade kan de gemeente aansprakelijk worden gesteld.
Ingevolge artikel 5 doen burgemeester en wethouders de aanwijzing vervallen door doorhaling van de desbetreffende aantekening in de desbetreffende stukken en het doen doorhalen in de openbare registers. Zij delen dit ook mee aan de betrokken eigenaren of beperkt gerechtigden.
Artikel 9 regelt dat als gronden betrokken waren bij een aanwijzingsbesluit tot voorkeursrechtgebied van tijdelijke aard (artikelen 2, vierde lid en 8) of een voorstel met eenzelfde rechtsgevolg van tijdelijke aard (artikelen 6 j∞ 7 of 8a), zij niet binnen twee jaar na het verstrijken van de onderscheidenlijke termijnen of het vervallen van het rechtsgevolg opnieuw bij een zodanig besluit worden aangewezen of bij een zodanig voorstel worden betrokken.
Hiermee is een soort sanctie opgeworpen tegen het niet tijdig bestendigen van een aanwijzing met een tijdelijk karakter.
In artikel 25 wordt geregeld dat er een recht op schadevergoeding kan ontstaan wanneer een verkoper tijdens zo’n tijdelijk voorkeursrecht zijn grond verkocht heeft aan de gemeente en deze de gang van zaken rond dat voorkeursrecht niet naar behoren afhandelt: de grond blijkt bijvoorbeeld later niet meer onder de criteria voor aanwijzing te vallen of de termijnen worden overschreden. Het gaat hier om een vergoeding van schade in geld, niet in natura. Het is in dit verband ook de vraag of de verkoper gebaat is bij een terugdraaien van de transactie met de gemeente; hij heeft destijds immers vrijwillig de grond ten verkoop aangeboden.
De bepaling van de schade geschiedt in beginsel door de gemeente op vordering van de gelaedeerde; zijn partijen het over de hoogte niet eens dan zal de burgerlijke rechter uitkomst moeten bieden. De beoordeling van de hoogte van de schade zal daarbij van geval tot geval moeten worden bezien. Het is aan de rechter hier een oordeel over te vellen aan de hand van alle relevante feiten.
Artikel 8
Gevolgen bij termijnoverschrijding bij een voorkeursrecht met tijdelijke werking
Onderdeel van Wijziging Wet voorkeursrecht gemeenten· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 25 september 1996