Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Bepaling van schade en schadevergoeding

Onderdeel van Circulaire schadevergoedingen· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 22 december 1997

In hoofdstuk 4 is voor de belangrijkste besluiten omschreven in welke vergunningsituaties en voor welk type kosten met een schadevergoeding wordt ingestemd. In de praktijk is dit te herleiden tot twee situaties: De situatie waarin vergunningvoorschriften worden aangescherpt. In deze situatie komt de structurele bedrijfsschade in aanmerking voor een vergoeding. De situatie waarin een vergunning wordt ingetrokken. In deze situatie komen vermogensschade en incidentele bedrijfsschade in aanmerking voor een vergoeding. In dit hoofdstuk wordt per type vergunningbesluit beschreven hoe een schadevergoeding kan worden vastgesteld. Daarbij zullen de in hoofdstuk 3 omschreven criteria nader worden uitgewerkt. Voor alle duidelijkheid: het is de vergunninghouder die voor het verkrijgen van een schadevergoeding de informatie moet verschaffen. Het verzoek om een schadevergoeding vergt dus de nodige inspanning van de vergunninghouder. Een vergunninghouder heeft structurele bedrijfsschade als hij structureel kosten maakt of schade lijdt, die direct aan een voorgeschreven milieumaatregel zijn toe te schrijven. Het bovennormale deel van de milieu-investering dat wil zeggen de bovennormale investeringslast, geldt als basis voor de bepaling van de schadevergoeding. Bovennormale investeringslasten ontstaan doordat de vergunninghouder bovennormale milieumaatregelen treft. Uit de aanvraag om schadevergoeding moet blijken dat tussen de structurele bedrijfsschade en het vergunningbesluit een duidelijk verband bestaat. Het bevoegd gezag gaat na of de vastgestelde bedrijfsschade in redelijkheid is toe te rekenen aan het vergunningbesluit of dat deze voortkomt uit een ander besluit of andere gebeurtenis. De regel geldt dat alleen kosten die toe te schrijven zijn aan de milieumaatregel, voor vergoeding in aanmerking komen. Daartoe behoren kosten van de aanschaf van apparatuur en het aanbrengen van bouwkundige voorzieningen en kosten als het honorarium van een ingenieur of architect. Om een causaal verband te bepalen stellen Gedeputeerde Staten of Burgemeester en Wethouders eerst vast of de vergunninghouder de kosten ook zonder het vergunningbesluit zou hebben gemaakt. Het bestaande vergunningbesluit inclusief de voorafgaande WM-procedure (bekendmaking, inspraak), wordt hiertoe weggedacht. Maatregelen die vergunninghouders voor de start van een vergunningprocedure hebben genomen, kunnen niet toegerekend worden aan het vergunning-besluit. Maatregelen waarbij een vergunninghouder heeft volstaan met een melding voldoen alleen aan het vereiste van causaal verband als er al een vergunningbesluit was dat hem, bijvoorbeeld door doelvoorschriften, verplichtte die maatregelen te nemen. Ook wanneer er een vergunningbesluit aanwijsbaar is, kunnen de kosten soms aan een ander besluit of andere gebeurtenis toe te schrijven zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de primaire oorzaak van het maken van de kosten niet in het milieubesluit is gelegen, maar in een ander overheidsbesluit of een eigen beslissing van de ondernemer, een beslissing het bedrijf uit te breiden bijvoorbeeld. Kosten gemaakt om een vergunning te krijgen of een aanvraag om schadevergoeding op te stellen, zoals kosten van een deskundige, worden niet toegerekend aan het vergunningbesluit en komen dus niet voor een schadevergoeding in aanmerking. Hieronder staan enkele voorbeelden, waarbij de bedrijfsschade niet aan het vergunningbesluit kan worden toegerekend: De milieumaatregel komt niet overeen met de middelen die in het vergunningbesluit zijn voorgeschreven of zij draagt niet of onvoldoende bij aan het milieudoel dat in het vergunningbesluit is voorgeschreven. De extra investeringskosten komen voort uit omstandigheden die ten tijde van het vergunningbesluit in redelijkheid niet waren te voorzien. Het bevoegd gezag vergoedt de werkelijk gemaakte kosten niet alsnog, als deze door onvoorziene omstandigheden bij de eindafrekening van de schadevergoeding hoger blijken dan geraamd. Dergelijke extra kosten worden tot het ondernemersrisico gerekend. De extra investeringskosten komen voort uit een beslissing van de vergunninghouder, bijvoorbeeld een beslissing extra milieumaatregelen te nemen met het doel om de productie uit te kunnen breiden. De extra investeringskosten zijn ontstaan doordat de milieumaatregelen onoordeelkundig zijn getroffen. De kosten moeten worden toegerekend aan een ander overheidsbesluit. Wanneer bijvoorbeeld een milieuvergunning moet worden aangescherpt omdat een overheid een bestemmingsplan wijzigt, behoren de kosten van de milieumaatregelen niet te worden toegerekend aan het milieubesluit. Als een causaal verband is vastgesteld, moet aannemelijk worden gemaakt dat de bedrijfsschade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de vergunninghouder dient te blijven. Hiertoe is een drieledige toets ontworpen, die hieronder bij a, b en c wordt besproken: In de eerste plaats moet de milieu-investering doelmatig zijn, dat wil zeggen dat het gaat om een gewenst milieuresultaat dat tegen aanvaardbare kosten kan worden bereikt en dat vervolgens ook daadwerkelijk tegen de laagst mogelijke kosten wordt bereikt. Als een vergunninghouder aan de milieueisen van het bevoegd gezag ook tegen lagere kosten kan voldoen geldt het laagst mogelijke bedrag als uitgangspunt voor de berekening van een schadevergoeding. Om te kunnen vaststellen of er van een bovennormale last sprake is en hoe hoog deze is, moeten het normale voorzieningenniveau en de daarbij behorende kosten worden bepaald. Daartoe moeten worden nagegaan welk voorzieningenniveau bij concurrenten normaal is. Het is mede de taak van de vergunninghouder zelf om relevante concurrenten op te sporen. Bij het ontbreken van binnenlandse concurrenten kunnen de relevante concurrenten ook buitenlandse bedrijven zijn, mits deze in moderne industrielanden zijn gevestigd. Voor alle duidelijkheid zij vermeld dat de schadevergoedingsregeling is gericht op uitzonderlijke situaties, waarin sprake is van een onevenredige last voor een individueel bedrijf. De schadevergoedingsregeling is dus niet van toepassing als de overheid milieuvoorschriften aanscherpt vanuit algemene regels bedoeld om een hele bedrijfstak milieuhygiënisch te saneren. Dan is er immers geen sprake van één bedrijf dat zwaardere eisen krijgt opgelegd dan zijn concurrenten. Als de hoogte van de bovennormale last bepaald is, moet naar het relatieve gewicht ervan worden gekeken. Na het bepalen van de laagst mogelijk kosten van de investering en de hoogte van de bovennormale last, moet vervolgens het relatieve gewicht van deze last worden vastgesteld. Dit betekent dat moet worden nagegaan of de bovennormale last een aantoonbaar nadelige invloed heeft op de concurrentiepositie van het bedrijf. De vergunninghouder dient daarom na te gaan of aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan. De kosten van de bovennormale last moeten tenminste twintig procent hoger zijn dan de kosten van de normale milieumaatregelen. Alleen een bedrijf dat op zijn productmarkten met wezenlijke concurrentie te maken heeft, komt voor een schadevergoeding in aanmerking. De invloed van een bovennormale last op de concurrentiepositie van een bedrijf is over het algemeen moeilijk ondubbelzinnig en objectief vast te stellen. Deze invloed zal groter zijn naarmate de bovennormale last een groter beslag legt op de financiële ruimte van de ondernemer om zijn concurrentiepositie te handhaven of te verbeteren. Over het algemeen zal pas een wezenlijke aantasting van de concurrentiepositie optreden als de bovennormale last ten minste tien procent bedraagt van de gemiddelde cashflow over de laatste drie boekjaren. De vergunninghouder moet in zijn aanvraag om schadevergoeding vermelden op welke andere tegemoetkomingen voor zijn milieu-investeringen hij aanspraak kan maken. Hij moet daarbij zo veel als mogelijk is de hoogte van mogelijk te ontvangen bedragen noemen. Het bedrag dat hij uit andere bronnen ook daadwerkelijk ontvangt, moet in de accountantsverklaring worden opgenomen. Vergoedingen uit andere bronnen worden uiteraard van de bovennormale last afgetrokken. Het bevoegd gezag dient de vergoeding te bepalen naar billijkheid. In hoofdstuk 3 is al aangegeven dat tenminste twintig procent van de bovennormale last tot het normale ondernemersrisico behoort. Een vergoeding kan derhalve nooit hoger zijn dan tachtig procent van de bovennormale last. Het bevoegd gezag kan het vergoedingspercentage verlagen. Hierbij geldt het uitgangspunt dat de schadevergoeding lager is naarmate de vergunninghouder een aanpassing van de vergunning beter kan voorzien. Onder incidentele bedrijfsschade wordt verstaan een derving van inkomsten of winst of eenmalige uitgaven; vermogensschade bestaat uit desinvesteringen of vermindering van de kapitaalwaarde. Deze schaden kunnen optreden als het bevoegd gezag een vergunning intrekt, tenzij deze intrekking als sanctie gebeurt. Voor de vraag of schade wordt geleden en zo ja, hoeveel deze bedraagt, moet het bevoegd gezag nagaan welke kosten in redelijkheid aan het intrekkingsbesluit zijn toe te rekenen. Hiertoe stelt het vast welke bedrijfsactiviteiten de vergunning voorheen toeliet. Uitsluitend die schade die aan het stil moeten leggen van deze bedrijfsactiviteiten is toe te rekenen komt voor vergoeding in aanmerking. Wanneer het bevoegd gezag een vergunning intrekt, kan de vergunninghouder besluiten zijn activiteiten te beëindigen of te verplaatsen. Schade die in de bestaande bedrijfsvoering optreedt voordat de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd en die wordt veroorzaakt doordat het bevoegd gezag een vergunning intrekt, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Deze schade zal door de vergunninghouder, voorzover zij bijvoorbeeld bij een verplaatsing al optreedt, door een goede organisatie en planning, tot een aanvaardbaar minimum kunnen worden beperkt. Bij de schade die optreedt samenhangend met het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten wordt een onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin de vergunninghouder de bedrijfsactiviteiten definitief beëindigt en die waarbij hij in de gelegenheid is de bedrijfsactiviteiten naar elders te verplaatsen. Beëindigt de vergunninghouder zijn bedrijfsactiviteiten, dan kent de overheid een schadevergoeding toe voor de incidentele bedrijfsschade en voor de vermogensschade. De incidentele bedrijfsschade wordt bepaald aan de hand van de winst vóór belastingen en vóór buitengewone lasten (het netto-bedrijfsresultaat) verminderd met de rente die kan worden verkregen uit de vergoeding voor de vermogensschade. De wegvallende winst wordt voor een periode van vijf jaar vergoed. De vermogensschade wordt gevormd door de waardevermindering van het onroerend goed en de gebruikswaardevermindering van de machines en installaties die nog niet voor 80% of meer zijn afgeschreven. De gebruikswaardevermindering van deze machines en installaties kan worden bepaald aan de hand van de vervangingswaarde verminderd met de technische en economische afschrijvingen en rekening houdend met de restwaarde. Daarnaast zal in de regel een beperkte daling van de waarde van de opstallen plaatsvinden, ervan uitgaand, dat de aanwending ervan voor het intrekkingsbesluit zodanig was, dat daarmee een zo groot mogelijke opbrengst kon worden gegenereerd. Verplaatst een vergunninghouder zijn bedrijfsactiviteiten, dan kent de overheid eveneens een schadevergoeding toe voor de daarbij optredende incidentele bedrijfsschade en vermogensschade. De incidentele bedrijfsschade zal bestaan uit mogelijk hogere huisvestingskosten voor de heroprichting van het bedrijf op een andere locatie in dezelfde vorm en de daarmee samenhangende hypotheek- en taxatiekosten en de verhuiskosten van eventueel op de nieuwe lokatie bruikbare machines en installaties. De verhuiskosten moeten door het bedrijf worden onderbouwd met een offerte. Ook de omvang van de hogere kosten van huisvesting door vervangende nieuwbouw of vervangende bestaande huisvesting dient te worden onderbouwd. De hogere huisvestingskosten bestaan uit de kosten van financiering van het kunnen gebruiken van een vervangende kavel en de vervangende bedrijfsruimte, zo nodig gecorrigeerd voor de voordelen verbonden aan nieuw voor oud. Deze hogere huisvestingskosten worden voor een periode van vijf jaar vergoed. De hypotheek- en taxatiekosten worden gevormd door de kosten van het aangaan van een hypothecaire lening zoals de kosten van taxatie van het vervangende object, de afsluitprovisie en de notariskosten. De vermogensschade zal bestaan uit een beperkte waardevermindering van de oude opstallen omdat de exploitatie ervan niet meer op de oude voet kan plaatsvinden, en de gebruikswaardevermindering van nog niet volledig afgeschreven, maar niet op de nieuwe locatie te gebruiken machines en installaties minus de restwaarde. Een uitgangspunt voor het verkrijgen van instemming met de toekenning van een schadevergoeding is, dat niet op een andere wijze in een tegemoetkoming is, kan of behoort te worden voorzien. In het kader van het intrekken van vergunningen is in dit opzicht vooral het Fonds voor Stads- en Dorpsvernieuwing met daarbinnen de middelen voor het saneren van milieuhinderlijke bedrijven relevant. Uitsluitend indien en voor zover op basis hiervan geen of onvoldoende middelen beschikbaar kunnen worden gesteld, wordt met een vergoeding ingestemd. Dat betekent, dat in uitzonde-ringsgevallen naast gemeentelijke en/of provinciale bijdragen ook het instemmen met het toekennen van een schadevergoeding mogelijk is. Bij het indienen van een verzoek door Burgemeester en Wethouders of Gedeputeerde Staten om instemming met de toekenning van een schadevergoeding wegens het intrekken van een vergunning dient altijd te worden aangegeven in welke mate gemeentelijke en/of provinciale middelen voor de bedrijfsbeëindiging of -verplaatsing beschikbaar zijn en kunnen worden gesteld.De vergunninghouder moet zo mogelijk aangeven voor welke eventuele andere bijdragen hij nog in aanmerking komt. Daarbij moet tevens worden vermeld om welke bedragen het gaat. Het bedrag dat de vergunninghouder in zijn totaliteit uit andere bronnen ook daadwerkelijk ontvangt, moet in de accountantsverklaring worden opgenomen, waarin ook de omvang van de werkelijk gemaakte kosten staat vermeld. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding ten laste van de overheid is dat de schadevergoeding en de in zijn totaliteit uit andere bronnen ontvangen bijdragen samen nooit meer mogen bedragen dan de schade die wordt geleden. Het bevoegd gezag vergoedt de incidentele bedrijfsschade en de vermogensschade naar billijkheid. Dit betekent dat de berekende schadeposten steeds tot maximaal 80 of 60% wordt vergoed. Op deze wijze wordt tot uitdrukking gebracht dat ten minste 20% tot het normale ondernemersrisico behoort. Dit risico wordt groter naar gelang de ingetrokken vergunning ouder is. De milieunormen zijn over de hele linie steeds verder aangescherpt. Naarmate een vergunning langer ongewijzigd is gebleven, kan de vergunninghouder beter voorzien dat zijn vergunning zal worden aangepast. De vergunning is immers minder actueel. Dienen de activiteiten binnen tien jaar nadat de laatste vergunning is verleend te worden beëindigd, dan is een hogere vergoeding op zijn plaats dan wanneer een bedrijf langer aan dezelfde vergunningvoor-schriften moet voldoen. De hoogte van de vergoeding is daarom afhankelijk van de ouderdom van de vergunning maximaal 80 of 60%.

Rechtspraak bij dit artikel