- **1.** De Bank stelt interne richtlijnen vast met betrekking tot:
- - **a.** belangenverstrengeling, die voldoen aan artikel 4 bis, derde, zevende en achtste lid van de richtlijn kapitaalvereisten; en
- - **b.** afkoelingsperiodes, die voldoen aan artikel 4 bis, derde lid, vierde lid, eerste alinea, en zesde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
- **2.** De Bank hanteert een afkoelingsperiode van minimaal drie maanden, conform artikel 4 bis, vierde lid, tweede alinea, en vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, jegens een persoon werkzaam voor de Bank, die rechtstreeks betrokken is geweest bij het toezicht op een instelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, waar deze persoon rechtstreeks betrokken is geweest bij het toezicht op die instelling, indien deze persoon in dienst treedt bij of een contract sluit voor het verrichten van professionele diensten met:
- - **a.** die instelling;
- - **b.** een dienstverlener van die instelling;
- - **c.** een aan die instelling gelieerde entiteit; of
- - **d.** een rechtstreeks concurrent van die instelling.
- **3.** In geval van een directeur als bedoeld in artikel 12a, hanteert de Bank een afkoelingsperiode als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, van minimaal zes maanden, conform artikel 4 bis, vierde lid, tweede alinea, van de richtlijn kapitaalvereisten.
Terug naar versiegeschiedenis
Versie 1
Bankwet 1998
+1 toegevoegd 3 gewijzigd
Toegevoegde artikelen
Via Stb. 2026, 219
Gewijzigde artikelen
Gewijzigd
- i. verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen: Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PbEU 2021, L 22)toegevoegd: ;
- j einde.toegevoegd: richtlijn kapitaalvereisten:Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG. einde
2. De Bank vormt een integrerend onderdeel van het Europees Stelsel van Centrale Banken met betrekking tot de taken en plichten die het Verdrag aan dat Stelsel opdraagt.
Via Stb. 2026, 219
Gewijzigd
1. De directie van de Bank is belast met het besturen van de Bank. De directie bestaat uit een president en ten minste drie en ten hoogste vijf directeuren.
2. De president en de directeuren worden voor een periode van zeven jaren bij koninklijk besluit benoemd. Herbenoeming in dezelfde functie kan eenmaal plaatsvinden. Voor elke benoeming wordt door de raad van commissarissen, de directie gehoord, een aanbevelingslijst van in beginsel drie personen opgemaakt.
3. Voorafgaand aan het opmaken van de aanbevelingslijst stelt de raad van commissarissen, de directie gehoord, een functieprofiel op.toegevoegd: Het functieprofiel is gebaseerd op objectieve en transparante criteria. In het geval van directeuren als bedoeld in artikel 12a wordt het functieprofiel langs elektronische weg door de Bank openbaar gemaakt. einde
4. De president en de directeuren kunnen slechts indien zij niet meer voldoen aan de eisen voor de uitoefening van hun functie of indien zij op ernstige wijze zijn tekortgeschoten bij koninklijk besluit worden geschorst of uit hun functie worden ontheven. Ontheffing uit de functie vindt voorts plaats op eigen verzoek.
5. Onze Minister draagt zorg voor de mededeling in de Staatscourant van de in dit artikel bedoelde koninklijke besluiten.toegevoegd: In het geval van directeuren als bedoeld in artikel 12a bevat het koninklijk besluit en de mededeling in de Staatscourant, als bedoeld in het vierde lid, de redenen voor de ontheffing uit de functie, tenzij de betrokkene zich daartegen verzet. einde
6. Met betrekking tot de taken en werkzaamheden ter verwezenlijking van de doelstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, neemt de directie de hoedanigheid van de president als lid van de Raad van bestuur alsmede van de Algemene Raad van de Europese Centrale Bank in acht.
7. De salarissen en de toezeggingen omtrent het pensioen alsmede regelingen omtrent vergoeding van onkosten van de president en de directeuren worden vastgesteld door de raad van commissarissen en goedgekeurd door Onze Minister.
Via Stb. 2026, 219
Gewijzigd
1. De artikelen 2:363, zesde lid, 2:380, 2:383, tweede lid, tweede zin, met uitzondering van de openstaande bedragen, alsmede de afdelingen 3 en 4 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de Bank. De Bank mag, mede ter bepaling van het resultaat, de waardering van de beleggingen, effecten en valuta doen berusten op grondslagen die afwijken van het bepaalde in artikel 2:384, eerste lid, tweede zin, of tweede lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek, voorzover dit in overeenstemming is met hetgeen in afdeling 14 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek daaromtrent is bepaald.
2. Van de bepalingen van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wijkt de Bank bovendien af, voorzover die afwijking naar het oordeel van de raad van commissarissen noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 2 bedoelde doelstellingen.
3. Van de bepalingen van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wijkt de Bank bovendien af voor zover die afwijking noodzakelijk is om uitvoering te kunnen geven aan instructies, als bedoeld in artikel 3, derde lid. De Bank stelt de raad van commissarissen onverwijld van de afwijking in kennis.toegevoegd:
4. Indien de Bank uit hoofde van de uitvoering van haar wettelijke taken en bevoegdheden zeggenschap verwerft over een entiteit, wordt dit niet beschouwd als overheersende zeggenschap als bedoeld in artikel 406 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. einde
Via Stb. 2026, 60