Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf

Artikel 9

Artikel 9

Onderdeel van Keuringsreglement COKZ kaas· Agrarisch recht

Deze tekst geldt sinds 18 oktober 2001

1. Doorlevering van kaas, uitgezonderd boerenkaas, binnen de voor de onderscheiden kaassoorten voorgeschreven minimale rijpingsduur als bedoeld in bijlage 2 van de regeling resp. binnen de voor de desbetreffende kaas in het product-dossier genoemde minimale rijpingsduur, door de eerste bereider aan de opvolgende bereider, mag slechts plaatsvinden: in hoeveelheden van ten minste tien kazen van dezelfde bak of charge bijeen; op een zodanig tijdstip dat de verplaatsing van de kaas is beëindigd op de voorlaatste dag van de voor de onderscheiden kaassoorten voorgeschreven minimale rijpingsduur als bedoeld in bijlage 2 van de regeling resp. op de voorlaatste dag van de voor de desbetreffende kaas in het productdossier genoemde minimale rijpingsduur des middags om twaalf uur; in geval van doorlevering voor de veertiende dag na de eerste dag van de bereiding des morgens om tien uur, naar maximaal vier opslagadressen, met dien verstande dat kaas van een dagproductie bij niet meer dan twee opslagadressen mag worden opgeslagen. 2. In geval van doorlevering van kaas, uitgezonderd boerenkaas, als in het eerste lid bedoeld, is de eerste bereider van de kaas, welke is voorzien van een rijkskaasmerk, verplicht van elke aflevering schriftelijk kennis te geven aan het COKZ, onder vermelding van, per bak of charge of gedeelte daarvan afzonderlijk: de datum van aflevering; de kaassoort danwel de naam van de kaas als bedoeld in het productdossier; de datum van de eerste dag van de bereiding; het bak- of chargenummer; het aantal kazen; de letters en volgnummers van het eerste en het laatste rijkskaasmerk, dat op kazen van de desbetreffende bak of bakken of op de verpakkingen van de kazen is aangebracht; de naam en het adres van de opvolgende bereider, alsmede het opslagadres van de kaas, indien dit afwijkt van het eerstgenoemde adres. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 11 dient deze kennisgeving met betrekking tot kaas, waarvoor de voor de onderscheiden kaassoorten voorge-schreven minimale rijpingsduur als bedoeld in bijlage 2 van de regeling resp. voor de desbetreffende kaas in het productdossier genoemde minimale rijpingsduur meer is dan 21 dagen plaats te vinden binnen twee werkdagen na aflevering en voor kaas, waarvoor de voorgeschreven minimale rijpingsduur als bedoeld in bijlage 2 van de regeling resp. de minimale rijpingsduur als bedoeld in het desbetreffende productdossier 21 dagen of minder is, op de dag van aflevering. In afwijking van het bovenstaande dient de kennisgeving van doorlevering van kaas als bedoeld in het eerste lid onder c, twee werkdagen voor doorlevering plaats te vinden. 4. De opvolgende bereider is verplicht: de in het eerste lid bedoelde kaas naar bereidingsdatum gescheiden op te slaan totdat de gehele voor de desbetreffende kaassoort voorgeschreven minimale rijpingsduur als bedoeld in bijlage 2 van de regeling resp. totdat de voor de desbetreffende kaas in het productdossier genoemde minimale rijpingsduur, is verstreken; de kaas in een ter plaatse aanwezige voorraadadministratie naar bereidingsda-tum gescheiden te vermelden. 5. Door of namens het bestuur kunnen aanwijzingen worden gegeven omtrent de wijze waarop: de in het tweede lid bedoelde kennisgeving moet geschieden; de in het vierde lid bedoelde administratie moet worden gevoerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel