Met de totale lineaire formatie kan een school vrij snel inzicht krijgen in de belangrijkste bestanddelen van de formatie. Uiteraard is het voor een school ook van belang precies te weten hoe groot elk van de componenten van de totale formatie is. Deze componenten worden hieronder één voor één toegelicht. Daarbij komen tevens de nog niet behandelde zaken aan bod: de berekening van de basisformatie indien er sprake is van nevenvestigingen, de toeslag voor herbezetting in verband met de maatregel ter bevordering van de arbeidsparticipatie van ouderen, de groeiformatie, de aanvullende formatie, de salarisopslag voor schoolleiders en de zorgformatie. Per formatiecategorie wordt toegelicht wat er verandert ten opzichte van de huidige systematiek.
De huidige basisformatie is gebaseerd op een formatie-schaal met een stapsgewijze opbouw. Per 6 tot 11 leerlingen ontvangt een school 0,2 of 0,3 fte extra basisformatie. Deze stapsgewijs opgebouwde formatieschaal komt te vervallen. De school ontvangt voortaan een vast aantal formatierekeneenheden (fre) per leerling (linearisering). Hierdoor wordt het voor de scholen inzichtelijker om te zien op hoeveel formatie ze recht hebben. Formatie voor vakonderwijs, frictieformatie en adv verdwijnen als afzonderlijke formatiecategorieën.
Binnen de basisformatie wordt in de nieuwe systematiek onderscheid gemaakt tussen groepsformatie en toeslagen.
Groepsformatie bestaat uit formatie voor de onderbouw en formatie voor de bovenbouw. Onder formatie voor de onderbouw wordt verstaan formatie bestemd voor het onderwijs aan leerlingen van 4 tot en met 7 jaar; deze formatie wordt geoormerkt voor inzet in de onderbouw (groepen 1 tot en met 4).
De formatie voor de bovenbouw is bestemd voor het onderwijs aan leerlingen vanaf 8 jaar; deze formatie wordt niet geoormerkt.
De opslag van drie procent op het aantal leerlingen wordt afgeschaft. In plaats daarvan wordt de formatietoekenning per leerling verhoogd. Omdat vrijwel alle tussentijdse instroom plaats heeft in de onderbouw, wordt deze verhoging geheel opgenomen in de onderbouwformatie.
De onderbouwformatie wordt bepaald door het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar op de teldatum te vermenigvuldigen met een vaste hoeveelheid formatierekeneenheden (fre). De huidige formatietoekenning voor de onderbouwformatie (exclusief opslagen voor de schoolleiding en het schoolprofielbudget) zou na linearisering 8,33 fre per leerling bedragen. De nieuwe systematiek gaat echter pas in op het moment dat de volgende stap in de groepsverkleining gezet wordt.
Bij de vervolgstappen gelden de volgende cijfers:
per 1 augustus 2000: 8,88 fre per leerling;
per 1 augustus 2001: 9,28 fre per leerling;
per 1 augustus 2002: 10,21 fre per leerling
Voor de berekening van de bovenbouwformatie (aantal leerlingen van 8 jaar en ouder) gelden de volgende cijfers:
per 1 augustus 2000: 6,97 fre per leerling;
per 1 augustus 2001: 6,97 fre per leerling;
per 1 augustus 2002: 6,97 fre per leerlingIn deze getallen zijn de huidige vergoedingen voor basisformatie, de frictieformatie, formatie voor vakonderwijs en adv opgenomen.
De basisformatie bestaat naast de groepsformatie uit een aantal toeslagen. Deze worden hieronder toegelicht.
Om te voorkomen dat scholen met minder dan 137 leerlingen er door de linearisering van de groepsformatie op achteruit gaan, wordt een toeslag voor kleine scholen toegekend. Deze toeslag wordt berekend volgens de volgende formule:
kst = 350 fre – lln x 2,57 fre
waarin kst staat voor de kleine-scholentoeslag en lln voor het totaal aantal leerlingen op de teldatum (het daadwerkelijke aantal, zonder correcties).
Een school met 120 leerlingen ontvangt als toeslag voor kleine scholen:
kst = 350 fre – 120 x 2,57 fre = 41,60 fre
Een school met 120 leerlingen ontvangt dus bovenop de onderbouw- en bovenbouwformatie een kleine-scholentoeslag van 41,60 formatierekeneenheden.
Voor de totale formatie van de school geldt een minimum van 530 formatierekeneenheden (voor alle formatiecategorieën inclusief de salarisopslag voor schoolleiders, maar exclusief de zorgformatie). Dit minimum is alleen relevant voor zeer kleine scholen (tot ongeveer 25 leerlingen).
Alle scholen ontvangen middelen voor de schoolleiding, bestaande uit een formatief deel en een salarisopslag. Het formatieve deel van de toeslag (bedoeld voor de uren die men aan managementtaken kan besteden) wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
formatieve deel schoolleidingstoeslag = (aantal leerlingen + schoolgewicht) x 0,45 fremet een minimum van 9 uur per week (45 fre).
De uitkomst omvat de huidige adv-vergoeding voor de formatieve schoolleidingstoeslag.
Het minimum van 9 uur per week zorgt ervoor dat de formatie voor de schoolleiding op de kleine scholen tenminste gelijk blijft aan de huidige omvang. Voor zover de uitkomst van de formule (0,45 fre per leerling plus 0,45 fre maal het schoolgewicht) niet toereikend is voor de 45 formatierekeneenheden die nodig zijn voor het minimum van 9 uur per week, kan de school het verschil vrijmaken uit de toeslag voor kleine scholen. Bij een school met 40 leerlingen en een schoolgewicht van 10 is de formatie voor de schoolleider 45 fre, waarvan 22,50 fre op grond van de formule wordt toegewezen, en de overige 22,50 fre onderdeel uitmaakt van de toeslag voor kleine scholen.
De salarisopslag voor de schoolleiding wordt vastgesteld aan de hand van onderstaande tabel, waarbij het aantal leerlingen van de school voor toepassing van de tabel eerst met drie procent wordt verhoogd, welk getal naar beneden wordt afgerond op een geheel getal. Deze verhoging voorkomt een achteruitgang ten opzichte van de huidige systematiek, waarin het aantal leerlingen nog voor alle formatietoewijzing met drie procent wordt verhoogd.
Aantal leerlingen*Het gaat om het aantal leerlingen op de teldatum vermeerderd met dire procent (naar beneden afgerond op een geheel getal)
Aantal formatierekeneenheden
1 tot en met 99
54
100 tot en met 199
86
200 tot en met 399
118
400 tot en met 899
140
900 en hoger
213
Scholen kunnen een toeslag ontvangen voor herbezetting in verband met de maatregel ter bevordering van de arbeidsparticipatie van ouderen. In de berekening van deze toeslag treden geen wijzigingen op.
Indien een basisschool bestaat uit een hoofdvestiging en één of meer nevenvestigingen, kan het voorkomen dat de school meer basisformatie had ontvangen als de vestigingen zelfstandige scholen waren geweest. In dat geval wordt (net als in de huidige systematiek) driekwart vergoed van het verschil tussen de basisformatie berekend voor de totale school (exclusief de salarisopslag voor de schoolleiding) en de basisformatie berekend voor de afzonderlijke vestigingen (ook exclusief de salarisopslag voor de schoolleiding). De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen.
Een eventueel verschil tussen de formatie die berekend is voor de totale school en de formatie berekend voor de afzonderlijke vestigingen kan in de nieuwe systematiek alleen aan de orde zijn als één of meerdere vestigingen als zelfstandige school in aanmerking zouden zijn gekomen voor een toeslag voor kleine scholen. De overige formatie-categorieën leiden voor de totale school altijd tot dezelfde uitkomsten als voor de afzonderlijke vestigingen. Daarom kan men de extra basisformatie voor scholen met meerdere vestigingen ook berekenen door driekwart van het verschil te nemen tussen de som van de kleine-scholentoeslagen waarop de afzonderlijke vestigingen recht zouden hebben als ze afzonderlijke scholen geweest waren en de kleine-scholentoeslag van de totale school. Scholen waarvan alle vestigingen 137 of meer leerlingen tellen, komen niet in aanmerking voor extra basisformatie.
Een school van 130 leerlingen kent twee vestigingen: de hoofdvestiging heeft 80 leerlingen en de nevenvestiging heeft 50 leerlingen. De kleine-scholentoeslag voor de totale school is:
350 fre – 130 x 2,57 fre = 15,90 fre
Als de hoofdvestiging een zelfstandige school was geweest, zou ze een kleine-scholentoeslag krijgen van:
350 fre – 80 x 2,57 fre = 144,40 fre
350 fre – 50 x 2,57 fre = 221,50 fre
De nevenvestiging zou als zelfstandige school een kleine-scholentoeslag ontvangen van:
De school heeft nu recht op driekwart van het verschil tussen de som van de kleine-scholentoeslagen van de afzonderlijke vestigingen en de kleine-scholentoeslag van de school als geheel:
(221,50 fre + 144,40 fre – 15,90 fre) x 0,75 = 262,50 fre
Er is een snellere manier om de extra basisformatie in verband met nevenvestigingen te berekenen. Als alle vestigingen minimaal 137 leerlingen tellen, is de extra basisformatie gelijk aan nul. Als de school als geheel minimaal 137 leerlingen telt, is de extra basisformatie gelijk aan drie-kwart van de som van de kleine-scholentoeslagen van de afzonderlijke vestigingen. En als ook de school als geheel minder dan 137 leerlingen telt, is de extra basisformatie gelijk aan: 262,50 fre maal het aantal nevenvestigingen (waarbij de hoofdvestiging niet meetelt bij de bepaling van het aantal nevenvestigingen). Dat getal 262,50 is niet zo maar een toevallige uitkomst, zoals in bovenstaand voorbeeld. Bij scholen kleiner dan 137 leerlingen is de uitkomst altijd 262,50 maal het aantal nevenvestigingen.
De formatie voor speciale doeleinden bestaat uit de formatie ter bestrijding van onderwijsachterstanden (ook wel ’gewichtenformatie’ genoemd) en de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en innovatie (ook wel ’schoolprofielbudget’ genoemd). In beide formatiecategorieën vinden er wijzigingen in de systematiek plaats.
De berekening van het schoolgewicht is hiervoor al uit de doeken gedaan. De formatie voor de bestrijding van onderwijsachterstanden wordt bepaald door het schoolgewicht te vermenigvuldigen met 6,87 formatierekeneenheden. Dit getal is berekend op grond van het huidige budget voor onderwijsachterstandenformatie, inclusief de daarover toegekende adv.
Indien een basisschool bestaat uit een hoofdvestiging en één of meer nevenvestigingen, wordt het schoolgewicht berekend als waren het zelfstandige scholen. Dit is gunstiger voor de scholen, omdat daarmee beter recht wordt gedaan aan de feitelijke samenstelling van het leerlingenbestand van de afzonderlijke vestigingen. In het huidige (oude) systeem kan het namelijk voorkomen dat een school geen gewichtenformatie ontvangt, terwijl op één van de vestigingen een groot aantal leerlingen met het gewicht 1,25 en/of hoger onderwijs volgt. Indien op de andere vestigingen hoofdzakelijk leerlingen met het gewicht 1,0 zitten, kan het door de korting voorkomen dat de school als geheel geen onderwijsachterstandenformatie ontvangt. Dat doet geen recht aan de problematiek op de vestiging met veel leerlingen met het gewicht 1,25 en/of hoger. In de hier voorgestelde systematiek ontvangt de school ten behoeve van die nevenvestiging voortaan wel onderwijsachterstandenformatie.
Dit betekent overigens niet dat de formatie voortaan per vestiging wordt uitgekeerd. De school blijft de bekostigingseenheid.
De formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en innovatie (schoolprofielbudget), waarmee de scholen eigen keuzes kunnen maken op het gebied van personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en innovatie, blijft gehandhaafd. Het schoolprofielbudget wordt als volgt berekend:
schoolprofielbudget = (aantal leerlingen + schoolgewicht) x 0,29 fre
Groeiformatie wordt toegekend als het aantal leerlingen op een school fors gegroeid is ten opzichte van het leerlingenaantal op de teldatum. In de nu nog geldende regeling is het voor scholen erg lastig om het moment te bepalen waarop men recht heeft op groeiformatie. Daartoe dienen de aanspraken op formatie op grond van het actuele leerlingenaantal vergeleken te worden met de aanspraken zoals die gehonoreerd zijn op grond van het aantal leerlingen op de teldatum. Als het verschil tenminste 0,6 full-time equivalent voor een leraarsbetrekking bedraagt, kan de school groeiformatie aanvragen. Of een school deze drempel haalt, is afhankelijk van de groei in het leerlingenaantal, maar ook van de gewichten van de leerlingen. Uit een oogpunt van eenvoud wordt de drempel niet langer uitgedrukt in fte’s, maar in een vast aantal leerlingen. Hiermee is het voor scholen in één oogopslag duidelijk hoe groot de groei moet bedragen om voor groeiformatie in aanmerking te komen.
Een school heeft in de nieuwe systematiek recht op groeiformatie als het aantal leerlingen tenminste 13 leerlingen hoger is dan het aantal leerlingen op de teldatum verhoogd met drie procent, welk getal naar beneden wordt afgerond op een geheel getal. Dit betekent dat een school die op de teldatum 200 leerlingen telde, in aanmerking komt voor groeiformatie op het moment dat de school (200 x 1,03 + 13 =) 219 leerlingen telt. Bij een tweede en volgende toekenning van groeiformatie wordt het nieuwe aantal leerlingen vergeleken met het aantal leerlingen op het vorige groeimoment. Zodra het aantal leerlingen opnieuw met 13 is toegenomen, kan opnieuw groeiformatie aangevraagd worden. Bij de school in dit rekenvoorbeeld is dat dus bij (219 + 13 =) 232 leerlingen.
Voor extreme groei ná 31 maart van het schooljaar kan de school (uiterlijk tot en met 31 mei) aanspraak maken op bijzondere groeiformatie. Deze aanspraak ontstaat indien het aantal leerlingen tussen 1 april en 31 mei is toegenomen met minimaal 26 leerlingen ten opzichte van het aantal leerlingen op 31 maart. Een dergelijke situatie doet zich soms voor bij de oplevering van een nieuwbouwwijk. Voor de toekenning gelden dezelfde bedragen als bij de ’normale’ groeiregeling.
De groeiformatie (resp. de bijzondere groeiformatie) bedraagt 8,72 fre per extra leerling, bestaande uit extra groepsformatie en een verhoging van het formatieve deel van de toeslag voor de schoolleiding. De (bijzondere) groeiformatie wordt uitgekeerd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de groei. Voor de eerste toepassing van de groeiregeling in het schooljaar wordt het aantal extra leerlingen bepaald ten opzichte van het aantal leerlingen op de teldatum, vermeerderd met drie procenten naar beneden afgerond. Immers, de reguliere bekostiging is nog altijd gebaseerd op het aantal leerlingen plus drie procent. (Weliswaar telt voor de bekostiging voortaan alleen het feitelijke aantal leerlingen op de teldatum, maar de vergoeding per leerling is tegelijk verhoogd om recht te doen aan de tussentijdse instroom van leerlingen). Indien een school in aanmerking komt voor een toeslag voor kleine scholen, wordt de extra groepsformatie verminderd met een korting. De reden hiervoor is dat deze kleine scholen vanwege de toeslag voor kleine scholen reeds meer fre’s per leerling ontvangen dan de grotere scholen. Bij een tweede en volgende toepassing van de groeiregeling wordt het aantal extra leerlingen bepaald door het verschil te nemen tussen het nieuwe aantal leerlingen en het aantal leerlingen op het vorige groeimoment.
Een school komt in aanmerking voor aanvullende formatie wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden. De bestaande criteria blijven gehandhaafd. Wel wordt alle formatie voortaan vastgesteld in formatierekeneenheden, en niet meer in uren. De hoogte van de toekenningen verandert hier niet door.
In het kader van het ’Weer Samen Naar School’-beleid ontvangt elk samenwerkingsverband zorgformatie ter realisering van het zorgplan. De toekenning van deze zorgformatie was tot nu toe gerelateerd aan de omvang van de scholen. In het kader van de vereenvoudiging van de formatieregeling zal ook deze formatiecategorie gelineariseerd worden. Per leerling wordt 0,434 formatierekeneenheden toegekend. De uitkomst wordt per school rekenkundig afgerond op een geheel getal.
Artikel 5
De berekening van de formatie stap voor stap
Onderdeel van Wijziging van het Formatiebesluit WPO per 1 augustus 2000· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 29 maart 2000