Indien gedeeltelijk ouderschapsverlof zich ook uitstrekt over vakanties, wordt de bezoldiging voor het gedeelte dat wordt gewerkt over die periode op dezelfde wijze berekend als de bezoldiging buiten de vakanties zoals dat ook gebeurt bij andere vormen van buitengewoon verlof op grond van het Rpbo.
Om de verlofwerktijdfactor te kunnen berekenen gedurende de periode waarin een personeelslid ouderschapsverlof opneemt, wordt eerst de verhouding bepaald tussen het aantal uren ouderschapsverlof dat wordt opgenomen in die periode en het aantal uren dat in die periode gewerkt had moeten worden. Het betreft het aantal uur dat feitelijk gewerkt had moeten worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met vakanties, feestdagen en ingepland adv-verlof (zie voor het sparen van adv-verlof hieronder). Door de aldus verkregen factor, de verloffactor, te vermenigvuldigen met de werktijdfactor kan de verlofwerktijdfactor worden berekend (zie de vragenrubriek informatiecentrum PO, Uitleg OCenW-Regelingen nummer 30a van 1998).
Een lerares heeft een betrekkingsomvang met werktijdfactor 1. Op grond van de geboorte van één kind heeft ze recht op 995 uur ouderschapsverlof. Ze kiest ervoor om 995 uur ouderschapsverlof volledig op te nemen en uit te spreiden over een jaar.
De verloffactor bedraagt in dat geval 995/1659 = 0,5998. Door deze factor te vermenigvuldigen met de werktijdfactor (1) wordt de verlofwerktijdfactor berekend. In dit geval komt deze overeen met de verloffactor en is die 0,5998. De werktijdfactor is in dat jaar dus 1 - 0,5998 = 0,4002.
Een leraar heeft een betrekkingsomvang met werktijdfactor 0,8. Op grond van de geboorte van een tweeling heeft hij recht op 0,8 maal 1410 uur = 1128 uur ouderschapsverlof. Hij kiest ervoor om de eerste 796 (=0,8 x995) uur op te nemen als voltijdverlof en aansluitend de resterende 332 uur uit te spreiden over een periode van een half jaar. Hij kiest er in dit geval dus bewust voor om de twee verlofperiodes op elkaar te laten aansluiten. De regeling biedt echter de mogelijkheid om het verlof in twee periodes op te nemen met daartussen een periode waarin weer volledig wordt gewerkt. Het betreft in dit voorbeeld immers een tweeling.
Gedurende de eerste 796 uur verlof bedraagt de verhouding tussen de verlofuren en de te werken uren 1. De verlofwerktijdfactor is derhalve 0,8 en de werktijdfactor is in die eerste periode 0.
In het halfjaar waarin deeltijdverlof wordt opgenomen moet worden gekeken hoeveel uur zou moeten worden gewerkt zonder verlof. Dit is bijvoorbeeld 730 uur (veronderstelling). Zijn verloffactor over die periode kan berekend worden door de 332 uur verlof te delen door 730 uur. Dit is 0,4548. Zijn verlofwerktijdfactor bedraagt 0,8 maal 0,4548 = 0,3638.
De werktijdfactor is in die periode dus 0,8 - 0,3638 =0,4362.
Voor personeel dat gebruikmaakt van de mogelijkheid om adv-uren te sparen ten behoeve van spaarverlof geldt het volgende. Om adv-uren te sparen moeten die uren als het ware ’extra’ gewerkt worden boven op de jaartaak. Dit geldt eveneens tijdens een periode van ouderschapsverlof. Om die reden kan niet worden doorgegaan met sparen als het ouderschapsverlof als voltijdverlof wordt opgenomen. In dat geval wordt er immers niet, dus ook niet ’extra’ gewerkt.
Als het ouderschapsverlof niet in de vorm van voltijdverlof wordt opgenomen, moet betrokkene het aantal uren dat in de oorspronkelijke betrekkingsomvang ’extra’ diende te worden gewerkt om verlof te kunnen sparen, ook gedurende de ouderschapsverlofperiode extra werken. Bij de berekening van de verlofwerktijdfactor blijven deze extra gewerkte uren buiten beschouwing.
Meer voorbeelden van dergelijke berekeningen zijn te vinden in de ICO-vragenrubriek in Uitleg OCenW-Regelingen nr. 30a van 16 december 1998, aangevuld in Uitleg OCenW-Regelingen nr. 5 van 17 februari 1999.
Artikel 4
Berekening salaris
Onderdeel van Ouderschapsverlof in het primair onderwijs· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 19 april 2000