De nieuwe regeling van het ouderschapsverlof in het Burgerlijk Wetboek is in 1997 in werking getreden. Als gevolg daarvan bestonden de oude regeling in artikel I-C39 van het RPBO en de nieuwe regeling in het Burgerlijk Wetboek naast elkaar. Betrokkenen hebben, veelal mede op advies van het Ministerie van OCenW (zie de publicatie in Uitleg OCenW-Regelingen nr. 12 van 22 april 1998), een keuze tussen beide regelingen gemaakt die de meest gunstige uitkomst opleverde. De feitelijke uitwerking van het ouderschapsverlof was voor deze betrokkenen hetzelfde als die zou zijn geweest op grond van de nieuwe regeling zoals die hierboven is uiteengezet. Daarop moet een uitzondering worden gemaakt voor wat betreft de ouders van meerlingen of de (aspirant)-adoptieouders die de verzorging van meerdere kinderen tegelijk op zich hebben genomen. Het Burgerlijk Wetboek zal namelijk gewijzigd worden op het punt van de aanspraak op ouderschapsverlof voor ouders en verzorgers van meerlingen. Deze wijziging is al aangenomen in de Tweede Kamer en wacht nog op een akkoord van de Eerste Kamer. Voor die betrokkenen is daarom overeengekomen dat zij nogmaals recht hebben op verlof indien zij in het verleden reeds verlof hebben opgenomen op grond van de oude regeling. Uiteraard kan totaal nooit meer ouderschapsverlof worden opgenomen dan waarop op grond van de nieuwe regeling recht zou bestaan. Om dit doel te bereiken wordt de nieuwe regeling van toepassing verklaard op alle betrokkenen die voor het inwerkingtreden van de nieuwe regeling al ouderschapsverlof hebben genoten mits zij aan de overige voorwaarden van de nieuwe regeling voldoen. De beperking ’mits zij aan de overige voorwaarden van de nieuwe regeling voldoen’ heeft met name het gevolg dat de kinderen op grond waarvan (opnieuw) ouderschapsverlof wordt aangevraagd de leeftijd van acht jaren nog niet mogen hebben bereikt.
Artikel 6
Inwerkingtreding
Onderdeel van Ouderschapsverlof in het primair onderwijs· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 19 april 2000