Naar hoofdinhoud

Artikel A3

Vertrek en uitzetting

Onderdeel van Vreemdelingencirculaire 2000 (A)· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 12 juni 2026

In hoofdstuk drie zijn beleidsregels opgenomen over onder meer het vertrek en de uitzetting van de vreemdeling. Deze regels zijn deels ook van toepassing op EU-/EER onderdanen en Zwitserse onderdanen, evenals de familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede en derde, Vb en de vreemdelingen als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, Vb, die geen rechtmatig verblijf (meer) hebben. De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen: artikel 61 tot en met artikel 66a Vw; artikel 6.1 tot en met artikel 6.5 VV; artikel 3.1 Vb; artikel 6.1a tot en met 6.4 Vb. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Een terugkeerbesluit is een besluit waarin wordt vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf (meer) heeft in Nederland en waaruit de plicht blijkt om de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein (hierna: de lidstaten) te verlaten binnen de daarvoor genoemde termijn naar het land van terugkeer. Een terugkeerbesluit kan enkel tegen een onderdaan van een derde land worden uitgebracht. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Een terugkeerbesluit bevat de volgende elementen: de vaststelling dat een vreemdeling niet (langer) rechtmatig in Nederland verblijft; de plicht om de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein te verlaten; de termijn waarbinnen de vreemdeling aan zijn vertrekplicht moet voldoen; en het benoemen van het land/de landen waarnaar de vreemdeling moet terugkeren voor zover dat land/die landen bekend is/zijn. Er dient te zijn vastgesteld dat een vreemdeling niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijft. Specifiek voor vreemdelingen die een aanvraag om een verblijfsvergunning hebben ingediend geldt het volgende. Bij een afwijzing, een buitenbehandelingstelling, het intrekken of het niet verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning wordt vastgesteld dat er geen sprake (meer) is van rechtmatig verblijf. Dan wordt aan de voorwaarde voor element a voldaan. Tenzij er nog een andere aanvraagprocedure in eerste aanleg loopt waarvan de uitkomst in Nederland mag worden afgewacht. In dat geval wordt (nog) niet aan de voorwaarde voldaan en kan er (nog) geen terugkeerbesluit worden genomen. Een vreemdeling met een terugkeerbesluit voldoet niet aan zijn terugkeerverplichting als hij vertrekt naar een andere lidstaat. Ook niet als hij daar rechtmatig verblijf heeft. De vreemdeling voldoet alleen aan de terugkeerverplichting als hij het grondgebied van de lidstaten verlaat. Voor de termijnen die gelden wordt verwezen naar paragraaf A3/3 Vc. Een land van terugkeer kan zijn: het land van herkomst van de vreemdeling (voor een staatloze vreemdeling het land van gebruikelijke woonplaats); een land van doorreis op basis van communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen, waaronder begrepen het land waarnaar de vreemdeling kan terugkeren op basis van een removal order; of een ander derde land waarnaar de vreemdeling vrijwillig terug wil keren en waar de vreemdeling wordt toegelaten. In een terugkeerbesluit benoemt de IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie een of meerdere landen van terugkeer. Als het gestelde herkomstland niet aannemelijk is, benoemt de IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie zowel dat herkomstland als de landen waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze landen van terugkeer kunnen zijn. Het gevolg van een terugkeerbesluit is dat de vreemdeling gesignaleerd wordt in het Schengeninformatie Systeem inzake terugkeer overeenkomstig paragraaf A2/12 Vc. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND neemt een terugkeerbesluit: bij een afwijzing of het buiten behandeling stellen van de aanvraag; bij de intrekking of het niet verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning; als de vreemdeling zijn aanvraag intrekt; of als de IND op advies van de AVIM, Zeehavenpolitie en KMar een zwaar inreisverbod aan een vreemdeling oplegt zonder dat er een aanvraag is ingediend. De KMar, AVIM of Zeehavenpolitie neemt een terugkeerbesluit als na onderzoek is gebleken dat de vreemdeling niet rechtmatig in Nederland is en zowel Nederland als de lidstaten moet verlaten. Zie paragraaf A3/2 Vc in het geval de vreemdeling verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat. De IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie neemt een aanvullend terugkeerbesluit als: er in het eerder genomen terugkeerbesluit geen land van terugkeer is genoemd; of als in de terugkeerprocedure blijkt naar welk land een vreemdeling kan terugkeren, maar dat land niet is genoemd in het eerdere terugkeerbesluit. In het aanvullend terugkeerbesluit worden een of meerdere landen van terugkeer toegevoegd. Tegen het aanvullend terugkeerbesluit staan rechtsmiddelen open. De IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie neemt geen terugkeerbesluit als: er eerder een rechtsgeldig terugkeerbesluit is uitgebracht terwijl de vreemdeling nog niet heeft voldaan aan zijn vertrekverplichting die is opgenomen in het terugkeerbesluit; de IND de aanvraag heeft afgewezen, maar er nog een andere aanvraag in Nederland loopt die procedureel rechtmatig verblijf geeft, waarop nog niet in eerste aanleg is beslist; de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige is en zolang niet is vastgesteld dat er adequate opvang aanwezig is in het land van terugkeer (zie paragraaf A3/6.1 en B8/6.1 Vc) (zie artikel 5 Terugkeerrichtlijn: belang van het kind); er is vastgesteld dat familie-, gezins- of privéleven in de zin van artikel 8 EVRM zich verzet tegen het nemen van een terugkeerbesluit; er is vastgesteld dat de vreemdeling in het land van terugkeer een risico loopt op vervolging, zoals bedoeld in artikel 29 Vw of een reëel risico loopt op ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 29a Vw; er is vastgesteld dat er sprake is van een risico op schending van artikel 3 EVRM als gevolg van de gezondheidstoestand van de vreemdeling bij uitzetting naar het land van terugkeer (artikel 5 Terugkeerrichtlijn); als een overdrachtsbesluit ingevolge de Asiel- en Migratiebeheerverordening is genomen; of de vreemdeling valt onder het toepassingsbereik van Richtlijn 2004/38 (burger van de Europese Unie of familielid van de burger van de Europese Unie). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND, politie, KMar en ZHP starten een terugkeerprocedure op die gericht is op de terugkeer naar het land van herkomst van de vreemdeling, nadat zij de vreemdeling een terugkeerbesluit al dan niet in combinatie met een inreisverbod hebben uitgereikt. De politie, KMar en ZHP kunnen hierbij gebruik maken van model M107-A. De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen mag de vreemdeling op grond van artikel 4.38 Vb vorderen om te verschijnen om gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van het vertrek uit Nederland. Hieronder vallen in ieder geval de biometrische gegevens van de vreemdeling. De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen moet de vreemdeling uitleggen welke gegevens de vreemdeling moet verstrekken om het vertrek van de vreemdeling uit Nederland mogelijk te maken. De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen registreert de vordering tot het verstrekken van gegevens in de vreemdelingenadministratie. DTenV kan een vreemdeling bij de feitelijke terugkeer begeleiden. DTenV kan dit bijvoorbeeld doen bij: een niet-begeleide minderjarige; of een vreemdeling waarbij sprake is van een medische overdracht. Naast deze begeleiding door DTenV kunnen andere vormen van begeleiding plaatsvinden, zoals begeleiding: door de KMar in het kader van veiligheid van de vlucht; of door derden, zoals psychiatrisch geschoolde verpleegkundigen, ter vervulling van de reisvoorwaarden opgenomen in het BMA-advies. In het geval de vreemdeling in één van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland een geldige reguliere verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf heeft, wordt in de regel geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Ingevolge artikel 62a, derde lid, Vw wordt aan de vreemdeling in beginsel eerst het bevel gegeven zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven (model M106-B). Als dit bevel niet wordt nageleefd of als om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de vreemdeling is vereist, wordt tegen de vreemdeling wel een terugkeerbesluit uitgevaardigd door de IND, KMAR, politie of ZHP. In het geval de vreemdeling in één van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland internationale bescherming geniet, wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Om die reden kan ook geen inreisverbod worden opgelegd (zie ook A4/2.2 Vc). Ingevolge artikel 62a, derde lid, Vw wordt aan de vreemdeling het bevel gegeven zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven (model M106-B). De IND kan deze vreemdeling enkel ongewenst verklaren als hij zich buiten Nederland bevindt. Zie voor signalering en raadplegingsprocedure: paragraaf A2/12.10 Vc. Een vreemdeling die voldoet aan alle volgende kenmerken wordt door DTenV begeleid in de terugkeer naar de lidstaat die hem een verblijfsvergunning heeft verleend: de vreemdeling is afkomstig uit een derde land; de vreemdeling heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland; de vreemdeling is in het bezit van een door een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf; en aan de vreemdeling is geen terugkeerbesluit gegeven. Als de vreemdeling wel een terugkeerbesluit heeft gekregen, begeleidt DTenV niet in het vertrek naar de andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland die aan de vreemdeling een verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf heeft verleend. In dat geval zet DTenV in op vertrek naar het land zoals genoemd in het terugkeerbesluit. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Deze paragraaf bevat de beleidsregels omtrent de toepassing van artikel 62, tweede lid, Vw. De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking en AVIM onthouden of verkorten een vertrektermijn aan de hand van de in artikel 62, tweede lid, onder a, b en c, Vw opgenomen gronden, tenzij er redenen zijn om conform paragraaf A3/3.5 of A3/3.7 Vc desondanks een (volledige) vertrektermijn te gunnen. In de volgende paragrafen zijn beleidsregels opgenomen ter invulling van deze gronden om de vertrektermijn te verkorten of onthouden: artikel 62, tweede lid, onder a, Vw (onderduikrisico): paragraaf A3/3.2 Vc; artikel 62, tweede lid, onder b, Vw (kennelijk ongegrondheid): paragraaf A3/3.3 Vc; artikel 62, tweede lid, onder c, Vw (gevaar openbare orde, openbare veiligheid of nationale veiligheid): paragraaf A3/3.4 Vc. In paragraaf A3/3.3 Vc zijn beleidsregels opgenomen over de toepassing van de gronden uit artikel 62, tweede lid onder b, Vw bij een eerste aanvraag op een verblijfsvergunning asiel. In paragraaf A3/3.5 Vc zijn beleidsregels opgenomen over de toepassing van de gronden uit artikel 62, tweede lid onder a, Vw bij een eerste aanvraag om een verblijfsvergunning asiel. In paragraaf A3/3.6 Vc zijn beleidsregels opgenomen omtrent de proportionaliteit van het onthouden van een vertrektermijn. In paragraaf A3/3.7 Vc zijn beleidsregels opgenomen omtrent de verlenging van de vertrektermijn. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking en AVIM nemen aan dat er sprake is van een onderduikrisico in de zin van artikel 62, tweede lid, onder a, Vw als tenminste twee van de gronden als genoemd in artikel 5.6, tweede lid, Vb van toepassing zijn. De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking en AVIM moeten de gronden, als bedoeld in artikel 5.6, derde lid, Vb nader toelichten. Er wordt een onderduikrisico aangenomen bij een in Nederland geboren kind, indien het kind een terugkeerbesluit ontvangt nadat de ouder (of ouders) eerder een terugkeerbesluit heeft ontvangen en die ouder zich niet heeft gehouden aan zijn vertrekplicht. Daarmee wordt de grond, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, onder b, Vb, aan het kind toegerekend. Vereist is wel dat nog minimaal één van de andere gronden in artikel 5.6, tweede lid, Vb van toepassing is op het kind dan wel zijn ouder om ten aanzien van het gezin als geheel een onderduikrisico aan te nemen. Aan dat kind wordt dan in beginsel een vertrektermijn onthouden. Bij de uitleg van voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, onder s, Vb wordt aangesloten bij de bestaande invulling van dit begrip in artikel 3.74 Vb en paragraaf B1/4.3.3 Vc. De IND verstaat onder kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder b, Vw de situatie waarin de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen op grond van artikel 30b Vw. De IND onthoudt een vertrektermijn als een eerste aanvraag om een verblijfsvergunning asiel kennelijk ongegrond is. Bij het onthouden van een vertrektermijn op deze grond kan worden verwezen naar de motivering uit het besluit waarin de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kennelijk ongegrond is verklaard. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 69, tweede lid, onder a, punt 2, Vw is tenminste een van de volgende besluiten mogelijk: de vertrektermijn voor de vreemdeling wordt op grond van artikel 62, tweede lid, Vw verkort; de vreemdeling moet Nederland onmiddellijk verlaten. Het vertrek uit Nederland houdt op grond van de Terugkeerrichtlijn ook het vertrek in uit de andere lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland. De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM bepaalt dat de vreemdeling Nederland (en de andere lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland) onmiddellijk moet verlaten als het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM kan de vreemdeling aanmerken als een gevaar voor de openbare orde om één of meer van de redenen zoals opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc. De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM kan de vreemdeling ook aanmerken als een gevaar voor de openbare orde als sprake is van een verdenking van het plegen van een misdrijf. Bij de beoordeling of de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving betrekt de IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder in ieder geval: de aard en de ernst van het misdrijf; het tijdsverloop sinds het misdrijf werd gepleegd; en de omstandigheid dat de vreemdeling toen hij werd aangetroffen bezig was Nederland (en de andere lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland) te verlaten. Voor zover sprake is van een verdenking van het plegen van een misdrijf wint de IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM informatie in bij de politie of het OM over de gegrondheid van die verdenking waarbij in ieder geval wordt betrokken of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. De IND bepaalt dat de vreemdeling Nederland (en de andere lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland) onmiddellijk moet verlaten als de aanvraag is afgewezen omdat artikel 1F van toepassing is of omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Indien een visum van de vreemdeling nietig is verklaard of ingetrokken om redenen verband houdend met de openbare orde, zal in beginsel steeds eveneens sprake zijn van voldoende redenen om omwille van de openbare orde als bedoeld in artikel 62, tweede lid, Vw, de vertrektermijn te verkorten. Het vorenstaande geldt analoog ook bij de beëindiging van de vrije termijn van niet visumplichtige vreemdelingen, vanwege redenen die verband houden met openbare orde. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND beoordeelt bij een eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel waar met toepassing van artikel 30a, eerste lid, artikel 30c of artikel 31 Vw op wordt beslist in de volgende situaties of de vertrektermijn wordt verkort of onthouden op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, Vw: de vreemdeling is de toegang geweigerd, of er is sprake van een uitgestelde toegangsweigering zoals beschreven in A1/7.3 Vc; de vreemdeling is in bewaring gesteld; er is sprake van openbare orde aspecten, bijvoorbeeld (een verdenking van) het plegen van een misdrijf; de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is om proceseconomische redenen als bedoeld in de paragraaf C2/3 Vc niet in de Asiel- en migratiebeheerverordening-procedure behandeld, maar is inhoudelijk beoordeeld op inwilligbaarheid; de indiening van een verblijfsvergunning asiel is in overwegende mate ingegeven door sociaal-economische redenen; de vreemdeling heeft te kennen gegeven dat hij in het geval van afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is op grond van artikel 30c Vw buiten behandeling gesteld; bij een in Nederland geboren vreemdeling, voor wie een aanvraag is ingediend door de ouder, die eerder een terugkeerbesluit heeft gekregen en zich niet heeft gehouden aan de vertrekplicht. Indien géén van deze situaties zich voordoet, onthoudt of verkort de IND bij een eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel geen vertrektermijn op grond van artikel 62, tweede lid onder a, Vw. Indien tenminste één van deze situaties zich voordoet, beoordeelt de IND onverkort of er aanleiding bestaat een vertrektermijn te onthouden of te verkorten op grond van artikel 62, tweede lid onder a, Vw. Voor de gronden waarop de vertrektermijn in die gevallen kan worden verkort of onthouden is paragraaf A3/3.2 Vc van toepassing. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM ziet af van het onthouden van een vertrektermijn als de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling zodanig zijn dat het onthouden van een vertrektermijn niet proportioneel is. De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM betrekt bij de proportionaliteitstoets alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder in ieder geval: de aanwezigheid van in Nederland verblijvende familieleden, in het bijzonder minderjarige kinderen. Als er sprake is van gezinsleden zonder rechtmatige verblijfstitel, is er in de regel geen aanleiding het onthouden van een vertrektermijn disproportioneel te achten; de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van in Nederland verblijvende familie- of gezinsleden. Als de gezondheidstoestand geen aanleiding geeft om over te gaan tot toepassing van artikel 64 Vw, is er in de regel evenmin reden om het onthouden van een vertrektermijn om medische redenen disproportioneel te achten. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Een vreemdeling aan wie een vertrektermijn is verleend kan vragen om verlenging van deze termijn, zoals beschreven in artikel 6.3 VV. De vreemdeling krijgt door het indienen of het inwilligen van een verzoek om een verlenging van de vrijwillige vertrektermijn geen rechtmatig verblijf in Nederland. De DTenV mag bij de inwilliging van het verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn niet tot uitzetting overgaan totdat de verlengde vertrektermijn is verstreken. De vreemdeling heeft de plicht gedurende de verlengde vertrektermijn zelfstandig aan zijn vertrek te werken. Een vreemdeling kan een verzoek voor verlenging van de vrijwillige vertrektermijn uitsluitend op een van de volgende manieren indienen: persoonlijk bij één van de loketten van de IND; schriftelijk tijdens vertrekgesprekken met de ambtenaar van de DTenV. De ambtenaar van de DTenV moet het verzoek voor verlenging van de vrijwillige vertrektermijn doorsturen naar de IND. Om het besluit over de verlenging te nemen, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die aan het verzoek ten grondslag liggen. De IND biedt geen afzonderlijk herstel verzuim en geeft onmiddellijk een beschikking. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als een vreemdeling Nederland moet verlaten en niet over een geldig document voor grensoverschrijding beschikt op grond waarvan zijn toegang tot zijn land van herkomst of een ander land is gewaarborgd, ondersteunt DTenV de vreemdeling bij het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. Dit geldt ook voor vreemdelingen waarvan een (herhaalde) aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is afgewezen en de bevoegdheid tot uitzetting tijdelijk is opgeschort. DTenV mag de vreemdeling of derden verzoeken bewijsmiddelen die de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling onderbouwen, aan DTenV te overhandigen. Een vreemdeling die uitgezet wordt, moet over tenminste één van de volgende bewijsmiddelen beschikken waarmee de toegang tot het land van bestemming en een eventuele doorreis door een derde land is gewaarborgd: een (geldig) document voor grensoverschrijding; een re-entry permit. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als blijkt dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of een re-entry permit dan moet DTenV zo snel mogelijk tenminste een van de volgende bewijsmiddelen aanvragen bij de buitenlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land van herkomst van de vreemdeling: een geldig document voor grensoverschrijding; ‘re-entry permit’. DTenV moet een aanvraag voor een geldig document voor grensoverschrijding bij voorkeur samen met de vreemdeling opmaken. DTenV moet de vreemdeling informeren over welke informatie de vreemdeling moet verstrekken voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. De vreemdeling is zelf verantwoordelijk voor het door de vreemdeling ingevulde formulier of de aan DTenV verstrekte bewijsmiddelen geen asielgerelateerde informatie bevatten. DTenV hoeft deze bewijsmiddelen niet te vertalen en te screenen op gegevens waaruit indirect kan worden afgeleid dat het om een vreemdeling gaat die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend voordat het aan een diplomatieke vertegenwoordiging wordt overgelegd. DTenV moet bewijsmiddelen wel screenen op gegevens waaruit indirect kan worden afgeleid dat het om een vreemdeling gaat die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend bij landen waarvan bekend is dat het aanvragen van een verblijfsvergunning asiel tot problemen kan leiden bij de terugkeer van de vreemdeling tot dat land. DTenV mag aan de diplomatieke vertegenwoordiging uitsluitend aangeven dat: de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en om die reden Nederland moet verlaten; of de vreemdeling gehouden is om medewerking te verlenen aan de voorbereiding van zijn vertrek. DTenV moet beschikbare (kopieën van) bewijsmiddelen die de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling kunnen onderbouwen, voegen bij de aanvraag voor een geldig document voor grensoverschrijding. Als onmiddellijke uitzetting van de vreemdeling door middel van overdracht aan de buitenlandse grensautoriteiten of door plaatsing aan boord van een schip of een vliegtuig mogelijk is, vraagt DTenV geen geldig document voor grensoverschrijding en de eventueel benodigde visa, transitvisa en ‘re-entry permit’ bij de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging aan. Als de uitzetting van een vreemdeling in overeenstemming met artikel 65, eerste lid, Vw, niet zonder geldig document voor grensoverschrijding en de eventueel benodigde visa, transitvisa en ‘re-entry permit’ kan worden geëffectueerd, moet de ambtenaar belast met grensbewaking contact opnemen met DTenV. DTenV dient voor de effectuering van de uitzetting van de vreemdeling, een aanvraag in bij de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging voor een geldig document voor grensoverschrijding. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. DTenV nodigt de vreemdeling uit voor een presentatie bij de diplomatieke vertegenwoordiging voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. De politie of KMar heeft de bevoegdheid de vreemdeling te vorderen om te verschijnen voor een presentatie aan de diplomatieke vertegenwoordiging (zie model 90A). Voorafgaande aan de presentatie aan de diplomatieke vertegenwoordiging informeert DTenV de vreemdeling dat de vreemdeling niet is gehouden om inlichtingen te verstrekken aan de diplomatieke vertegenwoordiging met betrekking tot de reden van zijn verblijf in Nederland. DTenV moet de vreemdeling een kopie verstrekken van de aanvraag die is ingediend bij de diplomatieke vertegenwoordiging voor een geldig document voor grensoverschrijding. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. DTenV mag de aanvraag voor een geldig document voor grensoverschrijding, een identiteitsonderzoek of de presentatie van de vreemdeling bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het (vermoedelijke) land van herkomst niet starten indien de (herhaalde) aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in behandeling is bij de IND. Indien het asielberoep opschortende werking heeft mag DTenV een aanvraag voor een vervangend reisdocument indienen bij de autoriteiten van het land van herkomst, maar mag geen presentatie in persoon van de vreemdelingen bij de autoriteiten van het land van herkomst plaatsvinden. In het geval het asielberoep geen opschortende werking heeft en een ingediende voorlopige voorziening enkel de bevoegdheid tot uitzetting opschort, dan kan de vreemdeling wel worden gepresenteerd bij de autoriteiten van het land van herkomst. De vreemdeling zal in voornoemde gevallen vooraf in kennis worden gesteld van de aanvraag voor een vervangend reisdocument en de presentatie. DTenV moet voor een vreemdeling die in een justitiële inrichting of een andere inrichting is opgenomen, tijdens het verblijf in die inrichting een geldig document voor grensoverschrijding aanvragen. De vreemdeling die in een inrichting is geplaatst, moet aansluitend aan het einde van het verblijf in de inrichting worden uitgezet (zie paragraaf A3/10 Vc). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De Korpschef of de Commandant KMar moet de vreemdeling aanzeggen dat de vreemdeling Nederland moet verlaten, als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: de vreemdeling wordt niet in het bezit gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding door een diplomatieke vertegenwoordiging; de vreemdeling kan niet aan de buitenlandse grensautoriteiten worden overgedragen of uit Nederland worden uitgezet door middel van plaatsing aan boord van een schip of vliegtuig; er is geen sprake van de situatie dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Het vertrek van een vreemdeling uit Nederland mag plaatsvinden met behulp van een Europees reisdocument. Het Europees reisdocument wordt afgegeven door DTenV als op grond van één of meer aanwijzingen de nationaliteit of identiteit van de betrokken vreemdeling wordt aangenomen. Aan het Europees reisdocument worden bewijsmiddelen gevoegd als ondersteuning van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. De bewijsmiddelen mogen geen asielgerelateerde informatie bevatten. Het Europees reisdocument mag worden gebruikt: bij terugkeer van een vreemdeling naar het land van herkomst; bij de terugkeer van een vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst; als geldig ondersteunend document voor grensoverschrijding bij overdracht van een vreemdeling naar een Europees land. Om gebruik te maken van een Europees reisdocument in het kader van het vertrek van de vreemdeling uit Nederland moet aan alle volgende voorwaarden worden voldaan: het is niet mogelijk gebleken tijdig een geldig document voor grensoverschrijding te verkrijgen van de autoriteiten van het land van herkomst of een derde land, of er zijn met de autoriteiten van het betreffende land afspraken gemaakt over het gebruik van het Europees reisdocument; er bestaan één of meerdere aanwijzingen op grond waarvan de nationaliteit en/ of identiteit van de vreemdeling aangenomen kan worden; er bestaat een redelijke kans dat de vreemdeling wordt toegelaten in het land waar de vreemdeling naar terug moet keren. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De politie of de KMar moeten bij elk vertrek van een vreemdeling uit Nederland nagaan of de door de minister gegeven voorschriften en aanwijzingen zoals genoemd onder paragraaf A2/8 Vc zijn nageleefd over: het doorhalen van in het geldig document voor grensoverschrijding gestelde aantekeningen; het inhouden van afzonderlijke inlegbladen; het inhouden van identiteitsdocumenten. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag aantekeningen over het vertrek van de vreemdeling in een identiteitsdocument of een geldig document voor grensoverschrijding plaatsen als: de vreemdeling wordt uitgezet naar een derde land waar een ander land een overeenkomst mee heeft gesloten dat bemiddelt in de toelating tot het derde land; de vreemdeling rechtstreeks wordt uitgezet naar een land waar zijn toegang gewaarborgd is, omdat de vreemdeling onderdaan is van dat land of omdat hij in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding of toelating tot het land. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag in ieder geval geen aantekeningen over het vertrek van de vreemdeling in een identiteitsdocument of een geldig document voor grensoverschrijding plaatsen als: de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend; op de vreemdeling het beleid ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel (zie hoofdstuk B8/3 Vc) van toepassing is. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag verder geen aantekening over de uitzetting in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling maken als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: de uitzetting van de vreemdeling vindt door middel van overdracht aan de Belgische grensautoriteiten plaats; de vreemdeling wordt na de overdracht aan de Belgische grensautoriteiten uit het Beneluxgebied gezet. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet ten aanzien van een tijdelijk in bewaring genomen geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling alle volgende handelingen verrichten: het in bewaring genomen bewijsmiddel voor het vertrek van de vreemdeling uit Nederland per aangetekende brief versturen naar het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt waarlangs de vreemdeling Nederland zal verlaten; bij het versturen van het in bewaring genomen document naar het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt het tijdstip vermelden waarop de vreemdeling langs de doorlaatpost/ overgave-overnamepunt zal uitreizen. Het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt moet ten aanzien van een tijdelijk in bewaring genomen geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling alle volgende handelingen verrichten: het in bewaring genomen document aan de vreemdeling teruggeven nadat de vreemdeling het ontvangstbewijs voor terugontvangst van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling (model M101) heeft ondertekend; controleren of de vreemdeling Nederland verlaat; op het ingehouden ontvangstbewijs voor terugontvangst door de vreemdeling van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling een verklaring stellen waaruit blijkt dat het vertrek van de vreemdeling is gecontroleerd; het ontvangstbewijs voor terugontvangst door de vreemdeling van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling terugsturen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die het ontvangstbewijs heeft afgegeven. Het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt informeert onmiddellijk de betrokken politie, ZHP, KMar of DTenV in tenminste een van de volgende situaties: de vreemdeling zich niet op de afgesproken tijd en plaats bij het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt heeft gemeld; als de uitreis van de vreemdeling vertraging ondervindt; als de uitreis van de vreemdeling problemen ondervindt. Het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt overlegt met de politie, ZHP, KMar of DTenV over de te volgen handelwijze. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Om in aanmerking te komen voor het REAN-programma moet een vreemdeling alle volgende handelingen verrichten: een aanvraag voor vrijwillig vertrek indienen bij de IOM; een aanvraagformulier ondertekenen waarin de vreemdeling verklaart geen bezwaar te hebben tegen: het uitwisselen van informatie tussen de IOM, de IND en DTenV ten behoeve van (toetsing aan de voorwaarden voor) vrijwillige terugkeer; het uitwisselen van persoonsgegevens, datum aanvraag vrijwillige terugkeer, datum beëindiging aanvraag, (geplande) vertrekdatum en kopie reisdocument die na vertrek kunnen worden gedeeld met instanties in de migratieketen (IND, DTenV, COA, AVIM, KMar). Een vreemdeling komt niet in aanmerking voor het REAN-programma als hij de nationaliteit heeft van, of in het bezit is van een geldig (tijdelijke) reguliere verblijfsvergunning, of een asielvergunning voor onbepaalde tijd, van: een lidstaat van de EU; landen die deel uitmaken van de EER en/of EVA; een van de Europese microstaten (Andorra, Liechtenstein, Monaco, San Marino en Vaticaanstad); een land dat behoort tot de top 35 van de hoogste inkomens per hoofd van de bevolking volgens de Wereldbank, inclusief Taiwan. Een vreemdeling komt ook niet in aanmerking voor het REAN-programma als hij de afgelopen vijf jaar de EU heeft verlaten, zelfstandig of gedwongen, met ondersteuning van DTenV, Frontex, of de IOM. De IOM kan in afwijking van het voorgaande (mogelijke) slachtoffers van mensenhandel en niet-begeleide minderjarigen, of in andere schrijnende gevallen, ongeacht de nationaliteit of land van bestemming van de vreemdeling, assistentie verlenen bij het vertrek. De IOM moet ten aanzien van het REAN-programma alle volgende handelingen verrichten: bij de IND nagaan of de vreemdeling voldoet aan bovengenoemde voorwaarden om in aanmerking te komen voor het REAN-programma; en de IND vragen of er bezwaar is tegen het vertrek van de vreemdeling via de IOM. De IND heeft bezwaar tegen vertrek via de IOM, als de vreemdeling gesignaleerd staat vanwege opsporing. De IND informeert DTenV over de omstandigheid dat bezwaar is geuit tegen vertrek via de IOM. DTenV heeft bezwaar tegen vertrek via de IOM van een vreemdeling vanwege een geplande uitzetting of overdracht in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Als door DTenV al handelingen zijn gestart om het vertrek van de vreemdeling mogelijk te maken, kan DTenV tenminste één van de volgende beslissingen nemen: er is bezwaar tegen het vertrek via de IOM: het vertrek vindt via DTenV plaats; of er is geen bezwaar tegen vrijwillig vertrek van de vreemdeling via de IOM: DTenV staakt de eigen vertrekmaatregelen. Als er geen bezwaar is tegen het vrijwillig vertrek zal de vreemdeling door de IOM worden geïnformeerd dat hij via het REAN-programma mag vertrekken. DTenV kan intussen doorgaan met de voorbereidingen voor een eventueel gedwongen vertrek, mocht de vreemdeling uiteindelijk toch niet met de IOM vertrekken. De vreemdeling moet zorg dragen voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. Als DTenV, de (zeehaven)politie, de KMar of de IND in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, wordt dit document gebruikt bij het zelfstandige vertrek van de vreemdeling dat wordt gefaciliteerd door de IOM. De vreemdeling die in het bezit is van een W-document moet het W-document voorafgaand aan zijn vertrek uit Nederland bij de politie inleveren. De vreemdeling tekent bij vertrek een verklaring voor de IND, waarin staat dat de vreemdeling ermee instemt dat: openstaande vreemdelingrechtelijke procedures worden beëindigd dan wel dat een al toegekende verblijfsvergunning wordt ingetrokken; het vertrek van de vreemdeling op basis van informatie van de IND wordt verwerkt in de BRP. De IOM verstrekt de vreemdeling zijn vliegticket en een eventuele eenmalige financiële bijdrage op de luchthaven van vertrek. Hiervoor tekent de vreemdeling een vertrekverklaring van de IOM. De IOM moet de uitreisformaliteiten op de luchthaven afhandelen. De vreemdeling aan wie een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, moet door de KMar worden overgedragen aan de IOM. Voor de overdracht van de vreemdeling aan de IOM, heft de ambtenaar belast met de grensbewaking de vrijheidsbeperkende of de vrijheidsontnemende maatregel op. De IOM moet de IND en DTenV door middel van een vertrekverklaring berichten dat de vreemdeling is vertrokken met ondersteuning van de IOM. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De doelgroep van het tijdelijke herintegratiebeleid Syrië zoals beschreven in deze paragraaf is de Syrische vreemdeling, die op 1 oktober 2025 aantoonbaar in Nederland verbleef; als zodanig bekend is bij de organisaties in de migratieketen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Om in aanmerking te kunnen komen voor ondersteuning onder het tijdelijke herintegratiebeleid, moet de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoen: de vreemdeling bezit de Syrische nationaliteit of kan anderszins middels documentatie aantonen uit Syrië afkomstig te zijn en duurzaam toegang te hebben tot Syrië; de vreemdeling: doorloopt een asiel- of reguliere procedure; heeft een (tijdelijk) verblijfsrecht in Nederland (asiel of regulier); of heeft een terugkeerbesluit ontvangen naar aanleiding van een afwijzing van een verblijfsaanvraag. de vreemdeling verbleef op 1 oktober 2025 in Nederland; de vreemdeling is bekend bij organisaties in de migratieketen; de vreemdeling dient een verzoek tot ondersteuning onder het tijdelijke herintegratiebeleid in tussen 17 november 2025 en 1 januari 2026; de vreemdeling verleent medewerking aan DTenV door het (laten) verstrekken van benodigde informatie en het opvolgen van instructies met het oog op zijn vertrek; de vreemdeling ondertekent een verklaring ‘vrijwillig vertrek’ en verklaart daarbij eventuele nog aanhangige verblijfsmatige procedures – en als daar sprake van is een verblijfsvergunning – in te trekken dan wel afstand te doen; het vertrek uit Nederland van de vreemdeling betekent geen doorkruising van een strafrechtelijk vervolgings- of uitleveringstraject waarbij de vreemdeling betrokken is; het vertrek van de vreemdeling kan feitelijk worden gerealiseerd; het vertrek vindt uitsluitend plaats naar Syrië. Deze verklaring op schrift gebeurt door het invullen en ondertekenen van de Verklaring vrijwillig vertrek uit Nederland, te vinden op de website van de IND. Een verzoek om ondersteuning kan worden geweigerd, als de vreemdeling: een inreisverbod heeft van meer dan vijf jaar; is veroordeeld voor een zedendelict, doodslag, moord, mensenhandel of mensensmokkel; een gevaar is voor de nationale veiligheid; is afgewezen voor asiel op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag; of binnen de afgelopen vijf jaar de EU heeft verlaten met ondersteuning van de International Organisatie voor Migratie (IOM), een niet-gouvernementele organisatie (ngo), DTenV of Frontex. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Van personen die met ondersteuning op basis van het tijdelijke herintegratiebeleid Syrië zijn teruggekeerd naar Syrië en die binnen vijf jaar na vertrek weer Nederland of de EU inreizen kan de verstrekte herintegratieondersteuning worden teruggevorderd. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. DTenV biedt aan de vreemdeling die in aanmerking komt voor dit tijdelijke herintegratiebeleid Syrië de volgende ondersteuning: advies en informatie over herintegratie; hulp bij het verkrijgen van vervangende reisdocumenten; een vliegticket enkele reis naar Syrië; begeleiding bij vertrek op de luchthaven; een financiële herintegratiebijdrage in contanten van € 5.000 per volwassen persoon en € 2.500 per minderjarige. Syriërs die op 1 oktober bekend staan bij de autoriteiten in de migratieteken als niet-begeleide minderjarige komen voor een financiële herintegratiebijdragen van € 5.000 in contanten in aanmerking; Het algemene uitgangspunt is dat binnen twee maanden na aanmelding bij DTenV de uitreis plaatsvindt. Grote aanmeldingsaantallen bij DTenV of het niet voorhanden hebben van reisdocumenten, kunnen leiden tot een langere behandeltermijn. Mocht het om zwaarwegende redenen noodzakelijk zijn om van deze periode af te wijken dan kan DTenV hiertoe besluiten. De vreemdeling die na 31 december 2025 een aanvraag indient komt niet meer in aanmerking voor dit beleid. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De vreemdeling dient de aanvraag voor ondersteuning op basis van het herintegratiebeleid schriftelijk in via de website van DTenV. DTenV behandelt de aanvraag en zoekt ten behoeve van de beslissing op de aanvraag afstemming met ketenpartners. DTenV zoekt altijd afstemming met de IND met de vraag of er bezwaren zijn tegen het vertrek van de vreemdeling. Na het vertrek van een vreemdeling stelt DTenV de IND op de hoogte van het vertrek van de vreemdeling. Het herintegratiebeleid zal worden uitgevoerd door DTenV. DTenV kan besluiten om de IOM, Frontex of een andere partner een rol te geven in de uitvoering van deze beleidsregels. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Uitzetting van een vreemdeling vindt plaats op tenminste een van de volgende wijzen: door overdracht van de vreemdeling aan de buitenlandse grensautoriteiten; door plaatsing van de vreemdeling aan boord van een vliegtuig of schip van de onderneming die de vreemdeling naar Nederland heeft vervoerd; de vreemdeling wordt rechtstreeks of met een tussenstop uitgezet naar een land waarvan op basis van feiten en omstandigheden wordt aangenomen dat de vreemdeling daar de toegang wordt verleend. Voor wat betreft de mogelijkheid om een vreemdeling door DTenV te laten begeleiden bij de feitelijke terugkeer, wordt verwezen naar paragraaf A3/2 Vc. DTenV stelt uiterlijk 36 uur voorafgaand aan een door DTenV georganiseerde uitzetting of gedwongen overdracht de volgende personen in kennis van de reisgegevens: de vreemdeling; de gemachtigde die de vreemdeling bijstaat in de vertrekprocedure; en (indien van toepassing); de gemachtigde die de vreemdeling bijstaat in een nog openstaande verblijfsrechtelijke procedure. DTenV laat enkel het informeren van de vreemdeling over de aanstaande uitzetting of gedwongen overdracht achterwege als er een risico aanwezig is dat de veiligheid of de gezondheid van de vreemdeling of diens eventuele gezinsleden door het informeren in gevaar komt. De gemachtigde van de vreemdeling wordt wel tijdig in kennis gesteld van de reisgegevens. DTenV is niet verplicht om de vreemdeling en/of diens gemachtigde uiterlijk 36 uur voorafgaand aan de uitzetting of gedwongen overdracht in kennis te stellen van de nieuwe reisgegevens als de uitzetting of gedwongen overdracht op het aanvankelijk geplande moment geen doorgang vindt, maar alsnog uiterlijk op de tweede dag na de dag van het geannuleerde vertrek kan plaatsvinden. Bij terugkeer van de niet-begeleide minderjarige naar het land van herkomst of een ander land waar de niet-begeleide minderjarige heen kan gaan, moet de toegang tot adequate opvang geregeld zijn. Zolang niet vaststaat dat adequate opvang beschikbaar is (zie paragraaf B8/6.1 Vc), kan geen terugkeerbesluit worden genomen ten aanzien van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Indien nader onderzoek moet worden gedaan in dit kader, kan hangende dat onderzoek uitstel van vertrek worden verleend. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND verleent uitstel van vertrek aan de niet-begeleide minderjarige, als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: de niet-begeleide minderjarige heeft (ten tijde van de afwijzing van de asielaanvraag) nog niet de leeftijd van 18 jaar bereikt; en aan de niet-begeleide minderjarige kan geen terugkeerbesluit worden uitgevaardigd. De reden hiervoor is dat de niet-begeleide minderjarige niet kan terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar toegang redelijkerwijs is gewaarborgd, omdat niet is vastgesteld dat adequate opvang aldaar beschikbaar is. Het uitstel van vertrek vervalt: wanneer de vreemdeling de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt; of met het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Voorwaarde hiervoor is dat uit nader onderzoek blijkt dat adequate opvang voor de niet-begeleide minderjarige in het land van herkomst of een ander land waar toegang redelijkerwijs is gewaarborgd, beschikbaar is. De niet-begeleide minderjarige vreemdeling aan wie uitstel van vertrek is verleend, wordt geacht rechtmatig verblijf te hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, Vw 2000. Gedurende het uitstel van vertrek wordt de niet-begeleide minderjarige vreemdeling geacht medewerking te verlenen aan het onderzoek naar adequate opvang. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Nadat een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dient de toegang tot adequate opvang te zijn geregeld ten tijde van het vertrek. De DTenV stelt de voogd van de niet-begeleide minderjarige op de hoogte van het besluit dat de niet-begeleide minderjarige wordt uitgezet en de wijze waarop de uitzetting plaatsvindt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Voor het vertrek van het hoofd van een gezin uit Nederland geldt dat de tot het gezin behorende vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, zoveel mogelijk met het hoofd van het gezin vertrekken. Als gezamenlijk vertrek van het gezin niet mogelijk is, mag gescheiden vertrek plaatsvinden nadat de situatie van het gezin is beoordeeld en getoetst door de DTenV. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. In de volgende gevallen vindt in ieder geval geen uitzetting van vreemdelingen plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht van kracht is: als door een buitenlandse autoriteit de opsporing (en aanhouding ter fine van uitlevering) van een vreemdeling is of wordt gevraagd; als de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening niet het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven maar op grond van artikel 68, vijfde lid, onderdeel d, van de Procedureverordening niet wordt verwijderd. Wel wordt de vreemdeling geacht mee te werken aan de voorbereiding van het vertrek. Dit omvat onder meer het voeren van vertrekgesprekken, het indienen van een aanvraag voor een laissez-passer, en het verlenen van medewerking aan een presentatie in persoon bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het betreffende derde land ten behoeve van een vervangend reisdocument; als een vreemdeling tenminste aan een van de volgende voorwaarden voldoet: de vreemdeling is als verdachte van een misdrijf aangehouden en het strafonderzoek is niet door het OM beëindigd; de vreemdeling heeft een strafvervolging wegens een misdrijf lopen en op de strafvervolging is niet onherroepelijk beslist; de vreemdeling is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld en de opgelegde straf of strafrechtelijke maatregel is niet ondergaan; aan de vreemdeling is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de vrijheidsontnemende maatregel is niet ondergaan; als er voor de vreemdeling: een beletsel bestaat om terug te keren naar het land van herkomst in verband met ernstige schade (artikel 3 EVRM) of een gegronde vrees voor vervolging; en er ook geen ander land kan worden aangewezen waarnaar de vreemdeling kan terugkeren. als de vreemdeling naar een derde land moet vertrekken, niet zijnde zijn land van herkomst of land van doorreis. In de onder c genoemde vier situaties mag wel tot uitzetting worden overgegaan als het OM of het CJIB hiertegen binnen drie werkdagen geen bezwaar maakt. In de situatie gemeld onder d. wordt in het terugkeerbesluit opgenomen dat: de vreemdeling Nederland, het grondgebied van de EU (met uitzondering van Ierland), EER en Zwitserland moet verlaten binnen een gestelde vertrektermijn; de vreemdeling niet zal worden uitgezet naar het land van herkomst; en het voornemen tot uitzetting wel blijft bestaan. Als in de situatie gemeld onder d. op een later moment wordt vastgesteld dat artikel 3 EVRM zich niet meer verzet tegen uitzetting van de vreemdeling dan wel dat de vreemdeling niet langer te vrezen heeft voor vervolging, neemt de IND een besluit waaruit blijkt dat er niet langer een terugkeerbeletsel is. Dit besluit maakt de IND kenbaar aan de vreemdeling. Hiertegen kan de vreemdeling rechtsmiddelen aanwenden. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Met name als de vreemdeling kort vóór de geplande uitzetting of overdracht aangeeft een verblijfsaanvraag regulier te willen indienen, kan de IND op grond van de uitzonderingen als genoemd in artikel 3.1, Vb, en bij een herhaalde verblijfsaanvraag asiel op grond van de uitzonderingen als genoemd in artikel 56 van de Procedureverordening, besluiten dat uitzetting of overdracht toch doorgang kan vinden. De procedure in geval van een lastminuteaanvraag om een verblijfsvergunning asiel staat beschreven in paragraaf C2/5.4 Vc. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. DTenV is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting van vreemdelingen, met uitzondering van uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen: vreemdelingen die door de KMar in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) zijn aangetroffen. De Commandant KMar is verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de overdracht aan Duitsland of België via de landsgrenzen vreemdelingen die in het kader van het vreemdelingentoezicht worden aangetroffen en die op basis van bilaterale overeenkomsten met Duitsland, België en Luxemburg zonder uitgebreide formaliteiten kunnen worden overgedragen aan de autoriteiten van deze landen via de landgrenzen met België of Duitsland. Deze vreemdelingen worden door de politie aan de KMar overgedragen. De KMar zorgt voor de overdracht aan België of Duitsland; vreemdelingen die na toegangsweigering door de ambtenaar belast met de grensbewaking, door de KMar of ZHP onmiddellijk of zodra dit logistiek mogelijk is, uitgezet kunnen worden naar het land van herkomst. Uitzettingen vinden plaats via één van de justitiële inrichtingen. Hiervan uitgezonderd zijn in ieder geval de volgende vreemdelingen: vreemdelingen die zijn aangetroffen in het grensgebied in het kader van het MTV of in het kader van het vreemdelingentoezicht; vreemdelingen die worden uitgezet per vliegtuig en rechtstreeks naar de grensdoorlaatpost worden gebracht waarlangs de vreemdeling zal worden uitgezet. Het rechtstreeks via de grensdoorlaatpost laten vertrekken van vreemdelingen mag uitsluitend in de volgende gevallen: na overleg met de DTenV; in uitzonderlijke gevallen bij capaciteitsproblemen of bij overwegingen van openbare orde. De DTenV is bij uitzetting per vliegtuig verantwoordelijk voor het boeken van een vlucht voor de vreemdeling. Minimaal 48 uur voor vertrek controleert de DTenV of de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden: de vreemdeling beschikt over een geldig vliegticket; de vreemdeling beschikt over zijn geld en andere eigendommen; de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of een schriftelijke toezegging van de diplomatieke vertegenwoordiging voor een geldig document voor grensoverschrijding; de vreemdeling beschikt over persoonlijke bagage (maximaal 20 kg.); de vreemdeling beschikt als dit nodig is over een verklaring van medische vliegreisgeschiktheid (de ‘fit-to-fly-verklaring’). Voor de uitzetting plaatsvindt, wijst de ambtenaar belast met de feitelijke uitzetting de vreemdeling erop dat bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel heeft gevraagd, achtergelaten mogen worden. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De DTenV meldt de KMar of ZHP door middel van Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld, voorafgaand aan de uitzetting alle feiten en bijzonderheden die van belang kunnen zijn voor de veiligheid tijdens de uitzetting of de veiligheid van de ambtenaren belast met de begeleiding tijdens de vlucht. De DTenV kan de KMar op basis van gedragsaspecten verzoeken om begeleiding van de vreemdeling tijdens de vlucht. De DTenV maakt voor de overdracht van de vreemdeling aan de KMar ten behoeve van de feitelijke uitzetting model M24-A op. Bij de overdracht van de vreemdeling ondertekent de KMar het exemplaar van het model M24-A en geeft het getekende exemplaar terug aan de ambtenaar die de vreemdeling heeft overgedragen aan de KMar. Afhankelijk van de wijze van vertrek, maakt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het relevante bericht op zodat de IND wordt geïnformeerd dat de vreemdeling is vertrokken en of deze gesignaleerd moet worden. Als signalering aan de orde is, wordt dit door de IND opgevoerd. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. In artikel 23a en 23b van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie) zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de gedwongen uitzetting of overdracht van vreemdelingen. Artikel 23a van de Ambtsinstructie bevat de voorwaarden waaronder hulpmiddelen kunnen worden ingezet. De hulpmiddelen kunnen worden ingezet om de veiligheid te borgen in en om het vervoermiddel. De eisen van subsidiariteit en proportionaliteit dienen te allen tijde in acht te worden genomen bij het toepassen van hulpmiddelen bij een uitzetting. Deze inschatting dient te worden gemaakt tijdens of vlak voor de daadwerkelijke uitzetting. Uitgangspunt van de Koninklijke Marechaussee blijft dat de uitzetting op een zo humaan en professioneel mogelijke wijze gebeurt. Dit betekent dat hulpmiddelen alleen worden ingezet indien dit strikt noodzakelijk is, en dat gedurende het vervoer continu wordt bekeken of met de inzet van minder vergaande hulpmiddelen kan worden volstaan. De informatie over het gedrag van de vreemdeling, opgenomen in het Sigma/ de checklist/ geleidebrief (zie model M118), dient bij deze inschatting te worden betrokken. De gezagvoerder van het luchtvaartuig wordt vooraf, in een zo vroeg mogelijk stadium, geïnformeerd omtrent de begeleide uitzetting. Daarbij wordt het eventuele gebruik van hulpmiddelen aangegeven en bij de gezagvoerder om toestemming gevraagd om dit gebruik van hulpmiddelen voort te zetten. In het geval er nog geen hulpmiddelen zijn ingezet, wordt aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig toestemming gevraagd, om indien nodig over te kunnen gaan tot het aanwenden van geweld en/ of het gebruik van hulpmiddelen. De volgende hulpmiddelen kunnen, afzonderlijk dan wel gecombineerd, worden gebruikt: stalen handboeien: ten behoeve van het fixeren van handen; combinatieriem met klittenband boeien (de bodycuff): ten behoeve van het fixeren van de polsen aan de voorzijde van het lichaam met een mogelijkheid tot verbinding met de enkels; klittenband boeien: ten behoeve van het fixeren van handen, armen, benen en/of voeten; tiewraps: kunstof bindstrips ten behoeve van het fixeren van lichaamsdelen, handen en/of voeten; tuff-ties: kunststof touw/gewoven nylon ter fixatie van lichaamsdelen, handen; schuimcap: een helm welke dient ter voorkoming dat de vreemdeling zichzelf of anderen verwondt door bijvoorbeeld te bijten of door met het hoofd te slaan; gelaatsmasker en/ of spuugmasker danwel een spuugnetje: een masker/netje over alleen het gelaat/ de mond of het gehele hoofd dat dient ter bescherming ten bijten en/of spugen. Deze hulpmiddelen zijn onderhevig aan innovatie en kunnen in de loop der tijd aangepast/vervangen worden met het oogpunt op humaan, proportionaliteit en veiligheid. De Koninklijke Marechaussee meldt iedere toepassing van bovenstaande hulpmiddelen bij de Inspectie van Justitie en Veiligheid. De Inspectie ziet toe op een goede uitvoering van deze taak. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Een ambtshalve genomen overdrachtsbesluit wordt aan de vreemdeling kenbaar gemaakt als een kennisgeving van terugname wordt bevestigd van een vreemdeling die geen aanvraag heeft ingediend om een verblijfsvergunning asiel. Dit gebeurt door verzending aan de gemachtigde van de vreemdeling en/of door uitreiking of toezending aan de vreemdeling. Daarbij wordt de vreemdeling gewezen op de verplichting mee te werken aan de overdracht en dit overdrachtsbesluit na te komen. De Commandant KMar beoordeelt of de vreemdeling wordt overgedragen in de vorm van een gecontroleerd vertrek of onder geleide. Bij de beoordeling beziet de Commandant KMar of uit de geaccordeerde claim blijkt dat een begeleide overdracht gewenst is. De DTenV adviseert de Commandant KMar bij de beoordeling voor een gecontroleerd vertrek of onder geleide. De DTenV maakt de datum van overdracht aan de vreemdeling bekend. De DTenV verstrekt de vreemdeling die vrijwillig reist naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, het geldige document voor grensoverschrijding. De DTenV vermeldt op het geldig document voor grensoverschrijding aan welke lidstaat de vreemdeling wordt overgedragen. Als de vreemdeling onder geleide reist, houdt zijn begeleider het geldig document voor grensoverschrijding onder zich. Bij gecontroleerd vertrek per vliegtuig wordt het geldig document voor grensoverschrijding afgegeven aan de gezagvoerder die het geldig document voor grensoverschrijding bij aankomst aan de grensbewakingsautoriteiten overhandigt. De ambtenaar van de dienst die het geld en andere persoonlijke eigendommen van de vreemdeling in beheer heeft, verstrekt dit na vertrek uit Nederland bij aankomst in de andere lidstaat aan de vreemdeling. DTenV verstrekt de volgende informatie aan de IND of rechtstreeks aan de verantwoordelijke lidstaat: de vlucht- en/of reisgegevens; een kopie van het laissez-passer; een kopie van de beschikbare reis- of identiteitspapieren, voor zover deze nog niet zijn verstrekt aan de IND bij het leggen van de claim; overige bijzonderheden die bekend zijn bij de DTenV, die van belang kunnen zijn voor de verantwoordelijke lidstaat. De IND en/of DTenV verzendt alle relevante informatie naar de verantwoordelijke lidstaat conform de bepalingen van artikel 48 en, indien van toepassing, artikel 49 en 50, van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. In alle volgende situaties moet de politie het vertrek van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DTenV melden: als de vreemdeling een bevel heeft ontvangen om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van de andere lidstaat (model M106-A). Deze handelingen worden uitsluitend verricht bij vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, maar niet de Europese Unie. Aan vreemdelingen die de Europese Unie moeten verlaten reikt de politie een terugkeerbesluit uit (model M107-A); als de vreemdeling zelfstandig de woonruimte heeft verlaten tijdens de procedure voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of vóór het ingaan van de vertrektermijn; als de vreemdeling zelfstandig de woonruimte heeft verlaten in of na de vertrektermijn van de procedure voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De politie meldt het vertrek van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DTenV door alle volgende handelingen te verrichten: toezenden van een bericht van vertrek; aangeven op welke wijze de vreemdeling is vertrokken. De KMar maakt in alle volgende situaties melding van het vertrek van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DTenV: als de vreemdeling is uitgezet; als de vreemdeling vanuit strafrechttraject is uitgezet, conform het VRIS-protocol; als de vreemdeling onder toezicht is vertrokken nadat de vreemdeling zich zelfstandig heeft gemeld bij de KMar of de ZHP op een luchthaven of zeehaven voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding; als de vreemdeling onder toezicht is vertrokken na een MTV-controle; als de vreemdeling is overgedragen na een MTV-controle; als de inbewaringstelling is opgeheven en de vreemdeling een bevel heeft ontvangen om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van de andere lidstaat (model M106-A). De vreemdeling hoeft niet de Europese Unie te verlaten; als de vreemdeling een bevel heeft ontvangen om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van de andere lidstaat (model M106-A). Een bevel om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van de andere lidstaat (model M106-A) geldt uitsluitend voor vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, maar niet de Europese Unie hoeven te verlaten. Aan vreemdelingen die de Europese Unie moeten verlaten reikt de politie of de KMar een terugkeerbesluit uit; als bij controle op uitreis blijkt dat een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf zelfstandig uit Nederland vertrekt. Als deze vreemdeling nog niet eerder een terugkeerbesluit met een inreisverbod heeft ontvangen, kan de KMar dit aan de vreemdeling uitreiken (model M107-A). De KMar meldt het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DTenV door alle volgende handelingen te verrichten: toezenden van een bericht van vertrek; aangeven op welke wijze de vreemdeling is vertrokken. Als de vreemdeling in Nederland opvang heeft genoten, melden de KMar en de politie ook de opvangverlenende instantie het vertrek of de uitzetting van de vreemdeling uit Nederland. Het COA moet de beëindiging van de onderdakvoorziening of de opvangvoorziening van een vreemdeling aan de IND en de DTenV melden door toezending van het model M100-A. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als de politie constateert dat de vreemdeling niet langer op zijn woonadres verblijft waardoor uitzetting niet mogelijk is, meldt de politie aan de IND en de DTenV het vertrek van de vreemdeling. De politie vergezelt deze melding met een voorstel tot signalering aan de IND. De IND moet nagaan of de vreemdeling ondertussen rechtmatig verblijf heeft gekregen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND kan uitstel van vertrek verlenen op grond van artikel 64 Vw als: de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen; of er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De vreemdeling krijgt uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw als BMA aangeeft dat voor de vreemdeling of één van zijn gezinsleden vanwege de gezondheidssituatie medisch gezien niet verantwoord is om te reizen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als gezinsleden in verband met artikel 64 Vw worden aangemerkt: echtgenoten en (geregistreerde) partners en hun minderjarige kinderen of minderjarige kinderen uit een eerste of eerder huwelijk; de meerderjarige kinderen die feitelijk tot het gezin behoren en in het land van herkomst al behoorden tot het gezin. Een uitzondering op de definitie van gezinsleden volgt als er sprake is van het achterwege laten van de uitzetting van een minderjarig kind. Als gezinsleden worden dan aangemerkt: de (stief/pleeg)ouders van het minderjarige kind; de minderjarige (stief)broers en zussen van het minderjarige kind; de meerderjarige broers en zussen die feitelijk behoren tot het gezin en in het land van herkomst al behoorden tot het gezin van de (stief/pleeg)ouders. Voor de wijze waarop de familierechtelijke relatie en het feitelijke behoren tot het gezin wordt aangetoond, wordt verwezen naar paragraaf C5/1.3 en C5/1.4 Vc. In het kader van deze regeling hoeven officiële bewijsmiddelen waarmee de familierechtelijke relatie wordt aangetoond, niet gelegaliseerd te zijn door de Minister van Buitenlandse Zaken. Het verlenen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw doet zich niet eerder voor dan vanaf het moment waarop de rechtsplicht ontstaat Nederland te verlaten. Uitzondering hierop is de ambtshalve toets die de IND uit kan voeren in de parallelle procedure (zie paragraaf A3/7.2.3 Vc). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De vreemdeling krijgt uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen. Er is uitsluitend sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM: als uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie; en als de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf niet beschikbaar is; of als in geval de noodzakelijke medische behandeling wel beschikbaar is, gebleken is dat deze aantoonbaar niet toegankelijk is. Onder een medische noodsituatie verstaat de IND: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND concludeert dat de medische behandeling niet in het land van herkomst (of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken) beschikbaar is als, in één van de volgende gevallen: uit het BMA-advies blijkt dat in het desbetreffende land geen of onvoldoende behandelmogelijkheden aanwezig of beschikbaar zijn; uit het BMA-advies blijkt dat in het desbetreffende land onderbrekingen in de medicijnvoorraden voorkomen, die een maand of langer duren; het BMA vanwege de situatie in het land van herkomst niet in staat is om te adviseren over de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het land van herkomst; of uit het BMA-advies blijkt dat, ter voorkoming van een medische noodsituatie, mantelzorg noodzakelijk is voor het slagen van de medische behandeling, terwijl de vreemdeling heeft aangetoond deze mantelzorg in het land van herkomst niet te kunnen ontvangen van één of meer gezins- of familieleden dan wel via professionele (thuis)zorg. Zie over mantelzorg verder hieronder. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De bewijslast dat de vreemdeling geen toegang zal hebben tot de vereiste medische zorg rust op de vreemdeling. Dit is van belang in die gevallen waarin het BMA in het medisch advies: heeft geconcludeerd dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie; en heeft aangegeven, dat de medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf beschikbaar is. Als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond middels originele documenten, kan hij in beginsel niet aannemelijk maken dat de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst of het land waarnaar hij kan vertrekken voor hem niet toegankelijk is. Dit is anders als: de vreemdeling wel een (kopie van een) verlopen paspoort heeft overgelegd, of zijn identiteit en nationaliteit is aannemelijk geacht in een voorgaande asiel en/of reguliere procedure; en nadien geen redelijke twijfel is ontstaan over de nationaliteit of identiteit van de vreemdeling. Het enkele ontbreken van identiteitsdocumenten is geen reden om de toegankelijkheid van de zorg niet te beoordelen. In het besluit moet worden gemotiveerd om welke reden er niet kan worden getoetst aan de feitelijke toegankelijkheid van de zorg vanwege het ontbreken van een originele documenten, die de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling aantonen. Als documenten met betrekking tot de nationaliteit van de vreemdeling gelden in ieder geval: een paspoort; of een ander door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven document met pasfoto waarin staat aangegeven dat de vreemdeling de nationaliteit van het betreffende land bezit. De documenten met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling moeten officiële, door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven documenten zijn met daarin tenminste een pasfoto en de geboorteplaats en -datum van de vreemdeling. Het ontbreken van documenten ter staving van de identiteit en nationaliteit valt de vreemdeling niet toe te rekenen, indien: hij heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld; of hij heeft aangetoond dat de enige mogelijkheid voor de afgifte of verlenging van een geldig document voor grensoverschrijding vereist dat hij in persoon terugkeert naar het land van herkomst. Aan het vereiste om middels documenten de identiteit en nationaliteit aan te tonen wordt niet voorbijgegaan om de enkele reden dat de vreemdeling in Nederland een medische behandeling ondergaat. In de situatie dat de vreemdeling wel zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond middels documenten, legt de IND het medisch advies ter informatie voor aan de vreemdeling en biedt hem daarbij de mogelijkheid om aan de hand van documenten zoals bedoeld in A3/7.1.5 aannemelijk te maken dat de medische zorg voor hem ontoegankelijk is. De IND geeft de vreemdeling een termijn van vier weken om te reageren. De omstandigheid dat een vreemdeling enkel aangeeft dat de kosten voor een medische behandeling hoog zijn of dat de plek, waar de medische behandeling kan plaatsvinden, ver weg is van de woonplaats van de vreemdeling, vormt onvoldoende reden om een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM aan te nemen. De IND kent geen betekenis toe aan niet onderbouwde stellingen over enig beletsel dat in de weg staat aan het verkrijgen van toegang tot de benodigde zorg. Om te beoordelen of de medische zorg niet toegankelijk is voor de vreemdeling worden bewijsstukken gevraagd die inzicht geven in de kosten van de medische behandeling in relatie tot het inkomen van de vreemdeling. Ook gaat het om bewijsstukken over de afstand tussen de woonplaats van de vreemdeling en de zorginstelling (in het land van herkomst) en eventueel diens reismogelijkheden in relatie tot de medische klachten. Als er sprake is van een vertrekmoratorium voor het gebied waar de medische zorg beschikbaar is, zal de IND ambtshalve concluderen dat de medische zorg niet toegankelijk is. De IND verleent uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw aan een vreemdeling, die afkomstig is uit een land waarvoor een gedeeltelijk besluit- en vertrekmoratorium geldt, als: de vreemdeling afkomstig is uit een gebied, dat niet onder de werking van het besluit- en vertrekmoratorium valt; en de behandelmogelijkheden alleen aanwezig zijn in een gebied waarvoor het moratorium geldt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Het BMA kan in het medisch advies opnemen dat mantelzorg noodzakelijk wordt geacht, als mantelzorg essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling. De IND verstaat onder mantelzorg de vanwege de aard van de medische aandoening noodzakelijke verzorging van de vreemdeling door derden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn. Indien in een land van herkomst of bestendig verblijf professionele (thuis)zorg beschikbaar is, dan kan zorg zoals gegeven bij mantelzorg ook verleend worden door medewerkers van deze professionele (thuis)zorg. Het BMA zal in het medisch advies opnemen of deze vorm van professionele (thuis)zorg beschikbaar is. Om in aanmerking te komen voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw vanwege door BMA noodzakelijk geachte mantelzorg moet de vreemdeling aantonen dat: de vreemdeling in Nederland mantelzorg (die een essentieel onderdeel is van de medische behandeling) ontvangt van een of meer gezins- of familieleden, die hier te lande verblijven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of Nederlander zijn; en de vreemdeling in het land van herkomst of bestendig verblijf geen mantelzorg kan ontvangen van één of meer gezins- of familieleden; en in het land van herkomst of bestendig verblijf de zorg, zoals gegeven in de vorm van mantelzorg, niet verleend kan worden door medewerkers van een professionele (thuis)zorg instelling. Het BMA zal in het medisch advies uit eigen beweging of desgevraagd opnemen of deze vorm van professionele (thuis)zorg al dan niet beschikbaar is. Als de vreemdeling in Nederland geen mantelzorg ontvangt van gezins- of familieleden, maar mantelzorg wordt verleend door een andere derde (niet zijnde een medisch professional) dan kan de IND overwegen dat deze in het land van herkomst ook door een derde verleend kan worden. De IND kent geen betekenis toe aan niet onderbouwde stellingen over het ontbreken van mantelzorg in het land van herkomst of bestendig verblijf. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De vreemdeling die een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw wil indienen, maakt daarvoor gebruik van het formulier ‘Aanvraag uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw’ en voegt de relevante medische gegevens en bewijsmiddelen als hieronder vermeld toe. De IND stelt het aanvraagformulier en bijlagen beschikbaar via de website www.ind.nl; De vreemdeling legt bij de schriftelijke aanvraag alle bewijsmiddelen als bedoeld in paragraaf A3/7.2.4 Vc over. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Het indienen van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw schort de vertrekplicht niet op. In afwachting van het besluit op de aanvraag, heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw. In beginsel maakt DTenV geen gebruik van de bevoegdheid tot uitzetting van de vreemdeling, zolang op de aanvraag op grond van artikel 64 Vw niet is beslist. Het indienen van de aanvraag op grond van artikel 64 Vw schort de door het COA te volgen procedures tot beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva niet op. Als de IND de aanvraag afwijst, brengt de IND de vreemdeling hier schriftelijk van op de hoogte. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND toetst op grond van artikel 6.1e Vb ambtshalve tijdens de eerste asielprocedure of een vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw. De IND neemt medische omstandigheden mee, die tijdens de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel tot uiting komen. In verband met de ambtshalve toets op grond van artikel 6.1e Vb moet de vreemdeling een recente, volledige ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring verstrekken en zijn identiteit en nationaliteit laten vaststellen zoals beschreven in paragraaf A3/7.2.4 Vc. De IND past de ambtshalve toets ook toe bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel of bij afwijzing van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die vergunning. De IND toetst in dat geval uitsluitend ambtshalve als de vreemdeling de voor die beoordeling relevante medische gegevens en overige bescheiden heeft overgelegd. Bij een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel geldt de ambtshalve toets niet. De IND past de ambtshalve toets niet toe als artikel 6.1e, tweede lid, Vb van toepassing is. De IND maakt een meeromvattende beschikking over het besluit op de asielaanvraag en de ambtshalve toets aan artikel 64 Vw. De meeromvattende beschikking wordt zoveel mogelijk in de niet-versnelde procedure gemaakt. Voor de ambtshalve toets in reguliere zaken wordt verwezen naar paragraaf B1/3.4.1.1 Vc. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De vreemdeling legt bij de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw in ieder geval de volgende bewijsmiddelen over: een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring, niet ouder dan zes maanden, met vermelding van de behandelaar(s) bij wie de vreemdeling momenteel onder behandeling staat; een gedagtekend en ondertekend schriftelijk bewijs van de medische behandelaar(s), niet ouder dan zes weken op het moment waarop het bewijs overgelegd wordt, waaruit blijkt: de naam, het adres en het registratienummer van het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg of het Nederlands Instituut van Psychologen van de behandelaar(s); welke medische klachten de vreemdeling heeft, waarvoor hij door de behandelaar(s) wordt behandeld; de datum van de start van de behandeling en als dit bekend is de verwachte einddatum van de behandeling. relevante medische gegevens, dat wil zeggen meer gedetailleerde informatie over: de actuele klachten en diagnose die de behandelaar heeft geconstateerd; de medische voorgeschiedenis; de aard van de ingezette of in te zetten behandeling; de voorgeschreven medicatie (indien van toepassing); het beloop van de behandeling en de te verwachten duur ervan. een kopie van een geldig document voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocument of andere bewijsmiddelen waarmee de vreemdeling inzicht in zijn identiteit en nationaliteit geeft. De relevante medische gegevens moeten aan alle volgende voorwaarden voldoen: afkomstig zijn van de behandelaar(s) van de vreemdeling; een antwoord bevatten op alle vragen die het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft gesteld in haar brief aan de behandelaar(s). Deze brief maakt onderdeel uit van de bijlage ‘toelichting en bewijsmiddelen medische omstandigheden’; geen antwoorden bevatten op andere vragen dan die gesteld door het BMA. Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding beschouwt de IND de volgende documenten als een bewijsmiddel van identiteit en nationaliteit: een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is, waarin de autoriteiten van dat land motiveren waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding; en aanvullende gegevens en bewijsmiddelen met betrekking tot zijn identiteit en nationaliteit zoals een identiteitskaart, een geboorteakte of een nationaliteitsverklaring. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND vraagt de vreemdeling of zijn gemachtigde in ieder geval om aanvullende informatie of bewijsmiddelen als: het aanvraagformulier niet volledig is ingevuld; de door de vreemdeling verstrekte informatie niet duidelijk is; de relevante medische gegevens of overige bewijsmiddelen niet volledig zijn of in het geheel ontbreken. Het BMA beoordeelt in dit kader of de relevante medische gegevens zijn aangeleverd. Als het BMA oordeelt dat de vreemdeling niet alle relevante medische gegevens heeft overgelegd, dan meldt het BMA dit bij de IND. De IND geeft schriftelijk aan de vreemdeling aan, welke gegevens ontbreken. De eerder ingestuurde medische stukken hoeft de vreemdeling niet opnieuw naar de IND te sturen. Als deze medische stukken ouder zijn geworden dan drie maanden dan moet de vreemdeling zorgen voor een actualisering van de medische stukken en deze naar de IND zenden. De IND stelt de aanvraag buiten behandeling of wijst de aanvraag af als de vreemdeling niet binnen de door de IND gegeven termijn het verzuim heeft hersteld. Paragraaf B1/3.4.1.3 Vc is van overeenkomstige toepassing. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Bij de beoordeling van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verzoekt de IND het BMA om een advies uit te brengen, als de IND dit op grond van de overgelegde bewijsmiddelen nodig acht om de aanvraag te beoordelen. De IND verzoekt het BMA in ieder geval niet om een advies uit te brengen als de vreemdeling incomplete of ontbrekende bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.2.4 Vc overlegt en deze niet heeft aangevuld, ondanks dat de IND hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld. Het raadplegen van BMA is niet nodig als het gaat om een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij zwangerschap, tuberculose of klinische opname (zie ook paragrafen A3/7.3.2.5, A3/7.3.2.6 en A3/7.3.2.7 Vc). De vreemdeling hoeft zijn medische situatie niet aan te tonen als DTenV, het COA of de ambtenaar belast met grensbewaking, concrete aanwijzingen heeft dat de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen. De vreemdeling moet in ieder geval onder behandeling staan bij een behandelaar. De ambtenaar belast met de uitzetting of ontruiming of de ambtenaar van DTenV moet ook zonder nadere onderbouwing van het beroep op artikel 64 Vw door de vreemdeling zich ervan vergewissen of de uitzetting achterwege moet blijven en bij de IND een medisch advies (laten) vragen. De IND vraagt het BMA geen informatie over behandelmogelijkheden in het land van herkomst als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. In dat geval is niet duidelijk in welk land naar behandelmogelijkheden moet worden gezocht en wordt uitgegaan van het bestaan ervan. De IND vraagt het BMA geen informatie over behandelmogelijkheden in het land van herkomst -bij een (ambtshalve) verzoek om toepassing van artikel 64 Vw- als de vreemdeling afkomstig is uit één van onderstaande landen: een Europese lidstaat en IJsland, Noorwegen, Zwitserland en Liechtenstein, Verenigd Koninkrijk, Australië, Japan, Canada, Singapore, Nieuw Zeeland, Israël, Qatar, Koeweit en de Verenigde Staten. Afkomstig uit een land van herkomst ziet niet alleen op personen met de nationaliteit van een van de betrokken landen, maar ook op vreemdelingen die een verblijfsrecht hebben verkregen in de genoemde landen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND doet, onder verwijzing naar het medisch advies van BMA, schriftelijk alle volgende mededelingen aan de vreemdeling: dat uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 Vw; de duur van het uitstel van vertrek. De IND verleent uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw met als ingangsdatum de datum van de aanvraag om uitstel van vertrek door de vreemdeling. Uitzondering hierop is de situatie dat: de vreemdeling de voor de aanvraag relevante bewijsmiddelen na het indienen van de aanvraag heeft aangeleverd. Dan geldt als ingangsdatum de datum, waarop de vreemdeling zijn aanvraag compleet heeft gemaakt; de IND de vreemdeling uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verleent in afwachting van definitieve besluitvorming. Dan geldt als ingangsdatum de datum van het besluit, waarbij uitstel van vertrek is verleend (zie paragraaf A3/7.3.2 Vc). De duur van het uitstel van vertrek is gelijk aan de periode die in het medisch advies van BMA is genoemd, waarvoor de vreemdeling naar verwachting onder behandeling zal staan, met een maximum van een jaar. De IND informeert DTenV dat uitzetting tijdelijk achterwege blijft. Als de vreemdeling aanspraak wil maken op Rva-verstrekkingen, informeert de IND ook het COA. Als de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, plaatst de IND daarin een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (bijlage 7g VV), met vermelding van de duur van het uitstel van vertrek. De periode van dit uitstel mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden. Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan geldt een van de volgende situaties: als artikel 64 Vw voor de duur van minder dan zes weken wordt toegepast, krijgt de vreemdeling een brief van de IND waarin staat voor hoe lang het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw geldt; als artikel 64 Vw voor de duur van meer dan zes weken wordt toegepast, krijgt de vreemdeling een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (bijlage 7g VV). De geldigheidsduur van het document W2 is altijd gelijk aan de periode van het uitstel van vertrek. Na afloop van het uitstel van vertrek ontstaat de plicht voor de vreemdeling om Nederland te verlaten overeenkomstig de vertrektermijn van het gelijktijdig met de toekenning of voordien gegeven terugkeerbesluit. Er is geen nieuw besluit nodig. De IND trekt het verleende uitstel van vertrek in, als de vreemdeling onvoldoende actief heeft gewerkt aan: het realiseren van zijn vertrek. Van een vreemdeling wordt verwacht dat hij: een medisch dossier overlegt ter vertaling voor een medisch behandelaar in het land van herkomst, als daar om wordt gevraagd; probeert op andere wijze in het bezit te komen van documenten om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen waarmee hij vervangende reisdocumenten kan verkrijgen om Nederland te kunnen verlaten (zie paragraaf B8/4 Vc). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND kan besluiten om toepassing te geven aan artikel 64 Vw in afwachting van definitieve besluitvorming. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND stelt vast of de vreemdeling alle bewijsmiddelen heeft overgelegd die nodig zijn om bij het BMA een medisch advies op te vragen voor de beoordeling van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw (zie paragraaf A3/7.2.4 Vc). De IND past artikel 64 Vw toe, in afwachting van de beslissing op de aanvraag om uitstel van vertrek, als de IND vaststelt dat: de vreemdeling een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw heeft ingediend; de vreemdeling bij deze aanvraag alle bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.2.4 Vc heeft overgelegd op de wijze zoals beschreven in die paragraaf; en het BMA heeft aangegeven geen medisch advies binnen twee weken uit te kunnen brengen. De IND verleent in dat geval uitstel van vertrek voor maximaal zes maanden vanaf de datum van de beschikking, waarbij artikel 64 Vw wordt toegepast. Het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw vervalt; nadat de zes maanden zijn verstreken; of na het definitieve besluit op de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw; of na het besluit als bedoeld in paragraaf A3/7.1.5. en paragraaf A3/7.3.2.2 Vc. Als de IND na zes maanden nog geen besluit heeft genomen, past de IND ambtshalve opnieuw artikel 64 Vw toe. Paragraaf A3/7.3.1 Vc is van toepassing met betrekking tot het plaatsen van een verblijfssticker dan wel het verstrekken van een brief of W2-document. De vreemdeling aan wie het in deze paragraaf beschreven uitstel van vertrek is verleend, heeft recht op opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op zijn aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw als hij een uitgeprocedeerde asielzoeker is of een asielzoeker die zich in de hoger beroepsfase van de asielprocedure bevindt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. In de niet-versnelde procedure kan in afwachting van definitieve besluitvorming uitstel van vertrek worden verleend op grond van artikel 64 Vw, als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen en de intentie bestaat om BMA-onderzoek op te starten, dan wel reeds opgestart is, in het kader van artikel 64 Vw na ontvangst van de bewijsmiddelen en -stukken. De vreemdeling wordt op het moment van afwijzen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel een toestemmingsverklaring toegezonden en erop gewezen dat de uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw, voor een periode van zes maanden of zoveel korter totdat een ambtshalve besluit wordt genomen. Als de IND het BMA advies afwacht dan wordt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen nadat het BMA advies is afgerond. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De vreemdeling kan, onder voorwaarden, op grond van de Rva in aanmerking komen voor opvang als de IND uitstel van vertrek heeft verleend in afwachting van definitieve besluitvorming als bedoeld in paragraaf A3/7.3.2 Vc. De vreemdeling die meent op grond van vorenstaande in aanmerking te komen voor opvang, richt zich met dat verzoek tot het COA. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Bij zwangerschap van een vreemdeling blijft de uitzetting per vliegtuig achterwege gedurende de periode van zes weken voor tot zes weken na de bevalling. De vreemdeling overlegt een verklaring van een arts of verloskundige waaruit de vermoedelijke bevallingsdatum blijkt. Deze periode van zes weken start vanaf zes weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling zoals deze uit de verklaring van de arts of verloskundige blijkt. Wanneer de vreemdeling of een gezinslid wordt overgedragen op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening of aan een bij die verordening aangesloten staat waarmee een terug- en overname overeenkomst is gesloten, verleent de IND geen uitstel van vertrek. De DTenV beoordeelt of overdracht kan plaatsvinden, waarbij overdracht niet per definitie per vliegtuig plaatsvindt. Zie paragraaf A3/7.4.2. Vc. De IND schort de uitzetting van de vreemdeling en van zijn gezinsleden op als bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden tbc is geconstateerd. Voor de toepassing van artikel 64 Vw wegens tbc is geen advies van het BMA nodig en is ook geen toestemmingsverklaring vereist. Een gedagtekende verklaring van een GG&GD arts geldt als afdoende bewijs, dat de vreemdeling aan tbc lijdt. Deze verklaring moet vermelden dat de vreemdeling tbc heeft en wat de te verwachten behandeltermijn is. De verklaring van de GG&GD-arts mag niet ouder zijn dan twee weken. Als sprake is van verdenking van tbc, zal de vreemdeling in beginsel uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw krijgen tot het onderzoek naar tbc is voltooid. Als de IND aan de vreemdeling uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verleent, dan is paragraaf A3/7.3.2 Vc van toepassing. De IND beëindigt het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als de vreemdeling bij wie tbc is geconstateerd: zich onttrekt aan de medische behandeling; en er geen besmettingsgevaar aanwezig is. In dat geval is er niet langer een reisbeletsel op grond van artikel 64 Vw. Wanneer de vreemdeling of een gezinslid wordt overgedragen op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening of aan een bij die verordening aangesloten staat waarmee een terug- en overname overeenkomst is gesloten, verleent de IND geen uitstel van vertrek. De DTenV beoordeelt of overdracht kan plaatsvinden. Zie paragraaf A3/7.4.2. Vc. De IND kan uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verlenen zonder hiervoor medisch advies aan het BMA te vragen. De vreemdeling overlegt een opnameverklaring van het ziekenhuis, die niet ouder is dan twee weken. De IND verleent uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw zonder BMA-advies als: de vreemdeling klinisch is opgenomen; de vreemdeling een actieve medische behandeling ondergaat die niet buiten de kliniek mogelijk is; in dit verband niet in staat is om te reizen. De IND verleent in deze gevallen uitstel van vertrek voor de duur van de opname tot een maximum van een half jaar. Het verleende uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw vervalt van rechtswege twee weken na beëindiging van opname. Opname in klinieken of instellingen die geen direct klinisch behandeldoel hebben maar bijvoorbeeld een langdurig verblijfsdoel (bv. begeleid wonen projecten), wordt niet aangemerkt als klinische opname die aan reizen in de weg staat. In dat geval verleent de IND geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw. Wanneer de vreemdeling of een gezinslid wordt overgedragen op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening of aan een bij die verordening aangesloten staat waarmee een terug- en overname overeenkomst is gesloten, verleent de IND geen uitstel van vertrek. De DTenV beoordeelt of overdracht kan plaatsvinden. Zie paragraaf A3/7.4.2. Vc. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND wijst een aanvraag op grond van artikel 64 Vw niet af onder verwijzing naar een inreisverbod als: er een zwaar inreisverbod is opgelegd en de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten ná het opleggen van het inreisverbod nog niet heeft verlaten. Artikel 66a, zevende lid, Vw blijft dan buiten toepassing; er een licht inreisverbod is opgelegd. Dit inreisverbod staat gelet op artikel 66a, zesde lid, onder b, Vw in geen geval, dus ook niet in de situatie dat Nederland weer wordt ingereisd terwijl dit inreisverbod nog van kracht is, in de weg aan het verlenen van uitstel van vertrek. In deze gevallen wordt het inreisverbod opgeschort. Artikel 66a, zevende lid, Vw is wel van toepassing als: de vreemdeling eerder heeft voldaan aan zijn vertrekplicht; Nederland opnieuw inreist; en het zware inreisverbod nog steeds van kracht is. De IND past in dat geval artikel 64 Vw niet toe, maar kan wel overgaan tot analoge toepassing van artikel 64 Vw. De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan bij analoge toepassing aanleiding zijn om tijdelijk de vreemdeling niet uit te zetten. Uitzetting blijft in dat geval achterwege zonder dat sprake is van rechtmatig verblijf. Het zware inreisverbod behoudt onverminderd zijn werking. De IND maakt in deze situatie geen aantekening in het document voor grensoverschrijding. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND verleent geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw als de vreemdeling op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt overgedragen aan een bij deze verordening aangesloten lidstaat. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen aan deze andere lidstaat. Als de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw vanuit vreemdelingenbewaring wordt ingediend, moet DTenV of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen bij het doorzenden van de aanvraag naar de IND melding maken van het feit dat de vreemdeling de vrijheid is ontnomen. De IND behandelt deze aanvragen met voorrang. Als de aanvraag op grond van artikel 64 Vw wordt ingewilligd, wordt de bewaring op grond van artikel 59 Vw opgeheven. Een vreemdeling die een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw indient terwijl hij in bewaring verblijft, komt niet in aanmerking voor toepassing van het beleid zoals neergelegd in paragraaf A3/7.3.2 Vc. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND past artikel 64 niet toe als de vreemdeling afkomstig is uit een lidstaat van de Europese Unie. In dat geval gaat de IND er vanuit dat de medische voorzieningen in de betrokken lidstaat beschikbaar en toegankelijk zijn. De vreemdeling kan dit weerleggen door met bewijsmiddelen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Die bewijsmiddelen moeten bij het indienen van de aanvraag worden overgelegd. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De vreemdeling mag de behandeling van een eerste, tijdig ingediend verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel in Nederland afwachten. Een verzoek om een voorlopige voorziening moet binnen 24 uur na bekendmaking van het besluit zijn ingediend. Het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening levert geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw op en betekent evenmin dat de vreemdeling aanspraak maakt op de verstrekkingen ingevolge de Rva. De vreemdeling mag de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland afwachten als sprake is van tenminste één van de volgende situaties: redenen van openbare orde of nationale veiligheid verzetten zich daartegen; het gevaar bestaat dat de mogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst of overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat verloren zou gaan; er is sprake van een poging van de vreemdeling om de uitzetting te frustreren; de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw met toepassing van artikel 4:6 Awb is afgewezen. De vaststelling of er sprake is van het frustreren van de uitzetting moet plaatsvinden aan de hand van alle individuele omstandigheden van de vreemdeling. DTenV beoordeelt of het de vreemdeling te doen is de geplande uitzetting te frustreren of dat de behandeling van het verzoek in Nederland mag worden afgewacht. DTenV brengt hierover aan de IND een advies uit, waaraan door de IND bij de besluitvorming rekening mee wordt gehouden. Als de IND oordeelt dat de behandeling van het eerste, tijdig ingediende verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland mag worden afgewacht, wordt de vreemdeling of zijn raadsman direct schriftelijk of mondeling op de hoogte gebracht. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De termijn van uitzetting via een aanvoerende vervoersonderneming, zoals bedoeld in artikel 65, eerste lid, onder b, Vw gaat in op het tijdstip van staande houden van de vreemdeling. De plaatsing van de vreemdeling aan boord van een schip of vliegtuig dat bij dezelfde vervoersonderneming in gebruik is, mag na zes maanden plaatsvinden. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De Staat of andere openbare lichamen die kosten maken bij een uitzetting en deze kosten ten laste brengen van de vreemdeling, moeten, als de vreemdeling zelf niet in staat is de kosten te voldoen, zo veel mogelijk gebruik maken van tenminste één van de volgende mogelijkheden: een ticket; een garantiesom; een waarborgsom dat is gedeponeerd; een garantverklaring die is afgegeven. Het ticket, de garantiesom of de waarborgsom wordt aangewend voor de betaling van de kosten van het vertrek. Een garantsteller mag door de Staat of een ander openbaar lichaam worden aangesproken om aan zijn verplichtingen te voldoen. Als de Staat of andere openbare lichamen kosten van de uitzetting wil verhalen moet aan alle volgende voorwaarden zijn voldaan: de vreemdeling moet een verklaring ondertekenen waaruit blijkt dat de vreemdeling geen bezwaar heeft tegen invordering van de noodzakelijke kosten van uitzetting; als de vreemdeling bezwaar heeft tegen het invorderen van de kosten van de uitzetting mag de Staat of andere openbare lichamen de verhaalsbevoegdheid juridisch afdwingen door middel van een civiele procedure. De Staat of andere openbare lichamen moeten voor het volgen van een civiele procedure contact opnemen met de IND; het verhalen van kosten bij vreemdelingen op wie het beleid ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel van toepassing is, moet in overleg met de IND gebeuren. De Staat of andere openbare lichamen moeten van het geld dat ontvangen is voor de kosten van de uitzetting schriftelijke opgave doen aan de IND. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De KMar, politie, Openbaar Ministerie, DTenV, DJI en IND moeten ten aanzien van vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS) de werkafspraken hanteren die zijn vastgelegd in de Ketenprocesbeschrijving Vreemdeling In de Strafrechtketen (VRIS). Als een land een formeel uitleverings- of overleveringsverzoek indient, mogen er geen uitzettingshandelingen plaatsvinden totdat de uitleverings- of overleveringsprocedure is afgerond. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet bij het aantreffen van een vreemdeling die aan alle volgende kenmerken voldoet onmiddellijk Bureau SIRENE informeren: een vreemdeling die gesignaleerd staat voor opsporing en aanhouding; een vreemdeling van wie door een buitenlandse autoriteit uitlevering of overlevering is gevraagd. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft Bureau SIRENE alle volgende informatie: de personalia van de vreemdeling; de autoriteit die het uitleverings- of overleveringsverzoek doet; in welk systeem de vreemdeling gesignaleerd staat. Bureau SIRENE moet onmiddellijk de buitenlandse autoriteit verzoeken per ommegaande te berichten of een uitleverings- of overleveringsverzoek wordt ingediend. Bureau SIRENE moet het antwoord van de buitenlandse autoriteit onmiddellijk bekend maken bij de Korpschef of de Commandant KMar. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid ontvangt het uitleverings- of overleveringsverzoek van de buitenlandse autoriteit en neemt dit in behandeling. In de gevallen waarin het antwoord van de buitenlandse autoriteit over het al dan niet indienen van een uitleveringsverzoek nog niet is ontvangen, mag de buitenlandse autoriteit voorafgaand aan het formele uitleverings- of overleveringsverzoek, om voorlopige aanhouding van de vreemdeling vragen. De Korpschef of de Commandant KMar neemt voor het verzoek om voorlopige aanhouding contact op met de bevoegde officier van justitie. Een vreemdeling die in vreemdelingenbewaring is gesteld, moet door de Korpschef of de Commandant KMar in strafrechtelijke bewaring worden geplaatst. De Korpschef of de Commandant KMar informeert DTenV over de overplaatsing van de vreemdeling. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen informeert DTenV als de voorgenomen uitzetting van de vreemdeling wordt opgeschort gedurende de afhandeling van een verzoek om voorlopige aanhouding of uitlevering en de vreemdeling niet meer op korte termijn kan worden uitgezet. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De vreemdelingenketen moet contact opnemen met DTenV voor informatie over: internationale verdragen en overeenkomsten over terug- en overname van vreemdelingen; de te volgen procedures bij terug- of overname van vreemdelingen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel