In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen als aanvulling op of een uitwerking van:
artikel 66a Vw;
artikel 66b Vw;
artikel 67 Vw;
artikel 24, eerste en tweede lid, Vo (EU) 2018/1861;
de artikelen 6.5, 6.5a, 6.5b en 6.6 Vb;
de artikelen 8.18, aanhef en onder b, en 8.22 Vb.
Het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring van een vreemdeling op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b tot en met e, Vw, is van overeenkomstige toepassing op het inreisverbod dat wordt opgelegd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw, voor zover sprake is van een werkelijke, actuele, voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. Verwezen wordt naar paragraaf A4/3.1 onder b tot en met e Vc.
Het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring van een vreemdeling is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid neergelegd in artikel 66a, tweede lid, Vw om een inreisverbod uit te vaardigen aan een vreemdeling die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten. Verwezen wordt naar paragraaf A4/3.1 Vc.
De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt daarnaast een inreisverbod uit op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw tegen een vreemdeling die:
de vrije termijn, als bedoeld in artikel 3.3 Vb, met meer dan drie dagen heeft overschreden en die Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten.
op grond van artikel 3.3 Vb aanspraak kan maken op een vrije termijn, maar die onder meer in het toezicht is aangetroffen en niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 12 Vw en artikel 6 SGC, tenzij de vreemdeling onderbouwt dat dit te wijten is aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen.
de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel zonder verschoonbare reden intrekt voordat een beslissing is genomen, terwijl aanwijzing bestaat dat de aanvraag niet kansrijk geacht moet worden. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan een vreemdeling die afkomstig is uit een land dat is geplaatst op de lijst behorend bij artikel 3.37f, derde lid, VV (bijlage 13, veilige landen van herkomst).
door intrekking of niet verlenging van de verblijfsvergunning niet meer in het bezit is van de verblijfsvergunning; de IND vaardigt op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw geen inreisverbod uit tegen de vreemdeling na intrekking of niet verlenging van de verblijfsvergunning vanwege het niet langer voldoen aan de verleningsgrond of beperking.
De IND heft een inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zesde lid, Vw op en vaardigt een inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zevende lid, 7 Vw uit als artikel 66a, zevende lid, Vw van toepassing is.
De IND maakt gebruik van de in artikel 6.5, vierde lid, Vb geboden mogelijkheid om af te wijken van het eerste tot en met het derde lid ingeval de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt geen inreisverbod uit als:
de IND een ander land dat partij is bij de asiel- en migratiebeheerverordening heeft verzocht de vreemdeling op grond van deze verordening terug te nemen of over te nemen;
de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning, verleend door een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland, tenzij de vreemdeling in aanmerking komt voor een zwaar inreisverbod;
het uitvaardigen van een inreisverbod aan de vreemdeling een schending van artikel 8 EVRM betekent.
In paragraaf A2/12.10 Vc wordt de raadplegingsprocedure met het oog op signalering beschreven in het geval de vreemdeling verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland. Een vreemdeling met internationale bescherming in een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland kan geen terugkeerbesluit uitgevaardigd krijgen en daarom kan hem ook geen inreisverbod worden opgelegd. Voor het geven van een bevel zich onmiddellijk te begeven naar de verblijfgevende lidstaat, zie paragraaf A3/2 Vc.
Bij het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod weegt de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen artikel 8 EVRM-aspecten mee. Verwezen wordt naar paragraaf B7/3.8 Vc.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De IND, de politie, KMar en ZHP bepalen de duur van een inreisverbod. Ingevolge artikel 66a, vierde lid, Vw wordt de duur van het inreisverbod berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein daadwerkelijk heeft verlaten. Met een inreisverbod wordt de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein voor een bepaalde termijn verboden.
De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt een inreisverbod uit voor zover mogelijk voor de maximale duur zoals die in artikel 6.5a Vb is genoemd.
De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt, op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw, een inreisverbod uit voor de duur van één jaar, in de volgende gevallen:
de vrije termijn, als bedoeld in artikel 3.3 Vb, met meer dan drie dagen maar niet meer dan 90 dagen is overschreden; of
de vreemdeling bijvoorbeeld in het toezicht is aangetroffen en niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 12 Vw en artikel 6 SGC, tenzij de vreemdeling onderbouwt dat dit is te wijten aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen.
De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt, op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw, een inreisverbod uit voor de duur van twee jaar in geval de vrije termijn, als bedoeld in artikel 3.3 Vb, met meer dan 90 dagen is overschreden.
De IND, de politie, KMar en ZHP maken bij het bepalen van de duur van een inreisverbod geen gebruik van artikel 6.5a, derde en vierde lid, Vb. Gezien de formulering van artikel 6.5a, derde en vierde lid, Vb wordt als aanvullende eis gesteld dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Als hier sprake van is, is tevens sprake van aanvullende omstandigheden en kan de duur van het inreisverbod onder meer aan de hand van artikel 6.5a, vijfde lid, Vb worden bepaald.
De IND vaardigt een inreisverbod uit in beginsel voor de duur van tien jaar als er sprake is van één van de in artikel 6.5a, vijfde lid, Vb genoemde omstandigheden en sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
De IND kan ook buiten de gevallen als bedoeld in artikel 6.5a, vijfde lid, Vb, in beginsel een inreisverbod uitvaardigen voor de duur van tien jaar als er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Daarbij kan worden gedacht aan een verdenking van een misdrijf of de omstandigheid dat de persoonlijke gedraging van een vreemdeling leidt tot een ernstige bedreiging van de openbare orde.
De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verkort de duur van het inreisverbod, of laat een inreisverbod achterwege, als de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.
Ingevolge artikel 6.5a, zesde lid, Vb vaardigt de IND een inreisverbod uit voor de duur van twintig jaar als de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of als zwaarwegende belangen nopen tot een duur van meer dan tien jaar.
Met de vrijheidsstraf zoals bedoeld in artikel 6.5a Vb, wordt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf bedoeld. Als meerdere vrijheidsstraffen zijn opgelegd, worden deze bij elkaar opgeteld.
Het beleid dat geldt voor het voorbereiden van het besluit tot ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op het voorbereiden van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.3 Vc.
Het beleid dat geldt voor het bekendmaken van het besluit tot ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op het bekendmaken van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod, met uitzondering van onderstaande situatie. Zie paragraaf A4/3.4 Vc.
In artikel 66a, vijfde lid, Vw wordt bepaald dat als een beschikking, waarbij het inreisverbod is uitgevaardigd, bekend wordt gemaakt door toezending, hiervan mededeling wordt gedaan in de Staatscourant.
Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen aan de vreemdeling die in het kader van binnenlands toezicht of bij controle aan de buitengrens bij uitreis wordt aangetroffen een inreisverbod oplegt, handelt de ambtenaar als volgt:
hij reikt het origineel van de beschikking aan de vreemdeling in persoon uit;
hij verstrekt een brochure in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal met betrekking tot het inreisverbod;
hij maakt hiervan een proces-verbaal op;
hij zendt, in het geval een gemachtigde van de vreemdeling bekend is, een kopie van de beschikking aan de gemachtigde toe.
Het beleid dat geldt voor het opleggen van een inreisverbod is van overeenkomstige toepassing bij het opleggen van een inreisverbod aan de grensdoorlaatpost. Zie hiervoor Vc A4/2.
Als het niet meer mogelijk is om voor het vertrek van de vreemdeling een inreisverbod uit te vaardigen, dan geldt in afwijking van A4/2.4.1 het volgende:
Wanneer de ambtenaar belast met de grensbewaking van oordeel is dat er gronden zijn voor het uitvaardigen van een inreisverbod, dan moet deze ambtenaar een voornemenprocedure starten.
Voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit geeft deze ambtenaar uitvoering aan de hoorplicht, zoals bedoeld in artikel 4:8 Awb. De vreemdeling wordt erop gewezen dat een inreisverbod kan worden opgelegd, ook als de vreemdeling aan de vertrekverplichting gaat voldoen.
De ambtenaar belast met de grensbewaking biedt de vreemdeling in het kader van het voornemen de gelegenheid zijn adresgegevens in het buitenland kenbaar te maken.
De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt in het voornemen kenbaar:
de grondslag voor het opleggen van een inreisverbod;
de duur van het inreisverbod; en
de mogelijkheid dat de vreemdeling een schriftelijke zienswijze in de Nederlandse taal naar voren kan brengen tegen het opleggen van een inreisverbod en de voorgenomen duur binnen vier weken na uitreiking van het voornemen.
De ambtenaar belast met de grensbewaking handelt bij de uitreiking van het voornemen als volgt:
hij reikt het voornemen aan de vreemdeling in persoon uit;
hij verstrekt een brochure in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal met betrekking tot het uitvaardigen van een inreisverbod; en
hij verstrekt informatie op welke wijze de vreemdeling zijn zienswijze naar voren kan brengen.
De hulpofficier van justitie of de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van de Koninklijke Marechaussee die daartoe is aangewezen door de Commandant der Koninklijke Marechaussee betrekt alle feiten en omstandigheden die de vreemdeling in de zienswijze naar voren brengt.
De hulpofficier van justitie of de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van de Koninklijke Marechaussee die daartoe is aangewezen door de Commandant der Koninklijke Marechaussee besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod binnen acht weken nadat de termijn van vier weken voor het naar voren brengen van een zienswijze is verstreken. De beschikking wordt naar het door de vreemdeling opgegeven (e-mail)adres in het buitenland gezonden en van de inhoud wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Als geen geldig (e-mail)adres van de vreemdeling in het buitenland bekend is, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Staatscourant. Als een gemachtigde bekend is, wordt tevens een kopie van het besluit naar de gemachtigde gezonden op dezelfde dag als die waarop het besluit naar het door de vreemdeling opgegeven (e-mail)adres is gezonden.
Het beleid dat geldt voor opneming van signaleringen is van overeenkomstige toepassing. Zie hiervoor paragraaf A2/12 Vc.
Het beleid dat geldt voor de vorm van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de vorm van de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.6.2 Vc.
De IND merkt een aanvraag tot opheffing van het inreisverbod aan als (grond van het) bezwaar- of beroepschrift als tegen het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod nog rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
De IND gaat over tot opheffing van het inreisverbod indien dringende individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven. De paragrafen A4/3.6 en A4/3.7 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.
De IND gaat niet over tot opheffing van het inreisverbod op grond van omstandigheden die reeds bij het opleggen van het inreisverbod zijn betrokken of betrokken hadden kunnen worden.
Overeenkomstig artikel 6.5, vierde lid, Vb heft de IND het inreisverbod – in afwijking van artikel 6.5, tweede en derde lid, Vb – niet op als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
In paragraaf A4/2.1 Vc staat opgesomd in welke vier situaties een inreisverbod op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw wordt uitgevaardigd.
Artikel 6.5b, eerste lid, Vb geeft de bevoegdheid het inreisverbod dat is opgelegd op basis van artikel 66a, tweede lid, Vw op te heffen, indien de vreemdeling aantoont de Europese Unie geheel in overeenstemming met de op hem rustende verplichting, bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Wet, uit eigen beweging en binnen de aan hem verleende vertrektermijn te hebben verlaten.
Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt, indien de vreemdeling aantoont sinds zijn vertrek uit de Europese Unie een ononderbroken periode van ten minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten de EU te hebben verbleven, tenzij:
er sprake is van een beletsel uit hoofde van openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in paragraaf B1/4.4 Vc;
hij aan strafvervolging is onderworpen; of
een inreisverbod is opgelegd met toepassing van art. 66a, zevende lid, Vw, dan wel aanleiding bestaat dit inreisverbod op te leggen.
Het inreisverbod waarop artikel 6.5b, tweede lid, Vb betrekking heeft, betreft de situatie waarin:
de vreemdeling niet binnen de vertrektermijn aan zijn terugkeerverplichting uit hoofde van het terugkeerbesluit heeft voldaan; of
de vreemdeling een vertrektermijn is onthouden.
Artikel 6.5b, tweede lid, Vb geeft de bevoegdheid het inreisverbod dat is opgelegd in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, op te heffen, indien de vreemdeling aantoont:
dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na het inreisverbod een ononderbroken periode van ten minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten de Europese Unie heeft verbleven; en
dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is.
Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt, indien de vreemdeling:
aantoont de Europese Unie uit eigen beweging en zelfstandig te hebben verlaten; en
aantoont dat hij sinds zijn vertrek uit de Europese Unie na het inreisverbod een ononderbroken periode van tenminste een jaar buiten de Europese Unie heeft verbleven;
tenzij,
de gegevens, bedoeld in artikel 6.5b, derde lid, Vb, niet zijn verstrekt;
hij aan strafvervolging is onderworpen;
er sprake is van een beletsel uit hoofde van openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in paragraaf B1/4.4 Vc;
hij voorafgaand aan het opgelegde inreisverbod reeds eerder onderwerp was van een terugkeerprocedure die leidde tot zijn vertrek; of
een inreisverbod is opgelegd met toepassing van art. 66a, zevende lid, Vw, dan wel aanleiding bestaat dit inreisverbod op te leggen.
De IND willigt een aanvraag tot opheffing van een inreisverbod dat een vreemdeling is opgelegd omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid, als bedoeld in artikel 6.5a, zesde lid, Vb uitsluitend in als de vreemdeling sinds het uitvaardigen van het inreisverbod en het vertrek uit Nederland ten minste tien aaneengesloten jaren buiten Nederland heeft verbleven.
Als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling op het moment van het beoordelen van de aanvraag om opheffing van het inreisverbod nog steeds een ernstige bedreiging voor de nationale veiligheid vormt, verlengt de IND de duur van het inreisverbod.
Voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’, zie paragraaf B1/4.4 Vc.
Het beleid dat geldt voor de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke opheffing van het inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.8 Vc.
Naar aanleiding van de raadplegingsprocedure genoemd in paragraaf A2/12.10 Vc heft de IND ambtshalve het lichte inreisverbod op, als:
Nederland een vreemdeling heeft gesignaleerd of voornemens is te signaleren in SIS ter fine van de weigering van de toegang of inzake terugkeer in combinatie met een inreisverbod;
de betreffende vreemdeling verblijf heeft of krijgt in een andere lidstaat van de Europese Unie (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland; en
na de raadplegingsprocedure genoemd in paragraaf A2/12.10 Vc de signalering in SIS moet worden gewist of niet in SIS wordt ingevoerd.
Als in bovenstaande situatie sprake is van een zwaar inreisverbod en de verblijfgevende lidstaat heeft aangegeven het (voorgenomen) verblijfsrecht te handhaven of het verblijfsrecht niet in te trekken, heft de IND ambtshalve het inreisverbod op.
Als de verblijfgevende lidstaat niet binnen de reactietermijn van het raadplegingsverzoek heeft aangegeven (voornemens te zijn) het verblijfsrecht in te trekken, dan wordt het zware inreisverbod opgeheven als:
de verblijfgevende lidstaat na het verstrijken van de reactietermijn reageert en aangeeft het verblijfsrecht niet in te trekken; of
een redelijke termijn is verstreken na de reactietermijn en de verblijfgevende lidstaat niet alsnog heeft aangegeven het verblijfsrecht in te trekken.
De IND beoordeelt bij de opheffing van een inreisverbod of een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 wordt opgelegd.
Hoe de IND omgaat met signaleringen in SIS of E&S naar aanleiding van een verzoek om opheffing van de signalering, staat opgenomen in paragraaf A2/12.10 Vc.
Het inreisverbod vervalt van rechtswege na afloop van de duur die aan het inreisverbod is verbonden.
Artikel 66a, zesde en zevende lid, Vw blijven buiten toepassing als de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland ná het opleggen van het inreisverbod nog niet heeft verlaten. Het inreisverbod heeft in die situatie geen invloed op de mogelijkheid tot het verkrijgen van rechtmatig verblijf, zoals bedoeld in artikel 8 Vw.
De hiervoor genoemde rechtsgevolgen van het inreisverbod treden pas in als de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland daadwerkelijk heeft verlaten. In dat geval staat het inreisverbod wel in de weg aan het verkrijgen van rechtmatig verblijf, behoudens (volgende) aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel en de uitzonderingen die voortvloeien uit artikel 66a, zesde en zevende lid, Vw.
De vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd anders dan op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw en in Nederland verblijft, is strafbaar op grond van artikel 108 Vw. De vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw en in Nederland verblijft, is strafbaar op grond van artikel 197 WvSr.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Bij het besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling, weegt de IND de belangen van de vreemdeling af tegen het algemeen belang van de Nederlandse staat.
Als de vreemdeling tweemaal een bij de Vw strafbaar gesteld feit heeft begaan, dient de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een voorstel tot ongewenstverklaring van deze vreemdeling bij de IND in.
De IND besluit uitsluitend tot ongewenstverklaring van de vreemdeling als ten aanzien van de bij de Vw strafbaar gestelde feiten die de vreemdeling heeft begaan, sprake is van:
een proces-verbaal;
een transactie; of
een uitgevaardigde strafbeschikking.
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft bij het opmaken van een eerste proces-verbaal tegelijkertijd aan de vreemdeling de waarschuwing dat, als hij nogmaals een bij de Vw strafbaar gesteld feit begaat, de ambtenaar een voorstel tot ongewenstverklaring indient. Van deze waarschuwing maakt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een aantekening in de BVV.
De IND beoordeelt zo snel mogelijk na het onherroepelijk worden van een rechterlijk vonnis waarin de maatregel als bedoeld in artikel 37a WvSr ten aanzien van een vreemdeling is verlengd, of wordt besloten tot ongewenstverklaring.
De IND besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De IND beschouwt de vreemdeling als een gevaar voor de openbare orde als sprake is van tenminste één van de onderstaande gevallen:
De vreemdeling vormt een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het beleid als neergelegd in paragraaf A3/3 Vc onder het kopje ‘daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde’ is van overeenkomstige toepassing.
De vreemdeling is wegens een misdrijf:
veroordeeld tot een gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie) of heeft een taakstraf of vrijheidsontnemende maatregel opgelegd gekregen waarbij het (totale) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of maatregel ten minste één dag bedraagt; of
bij herhaling veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie) of heeft bij herhaling een taakstraf, onvoorwaardelijke geldboete of vrijheidsontnemende maatregel opgelegd gekregen, een transactieaanbod aanvaard of een strafbeschikking opgelegd gekregen.
De vreemdeling overeenkomstig paragraaf A2/12.6 Vc voor signalering in SIS in aanmerking komt wegens een gevaar voor de openbare orde.
De IND besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling als deze een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De IND beschouwt een vreemdeling als een gevaar voor de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw als daarvoor concrete aanwijzingen zijn.
Voor de toepassing van het begrip 'gevaar voor de nationale veiligheid', zie paragraaf B1/4.4 Vc.
De IND kan een vreemdeling die in één van de lidstaten van de Benelux of Schengen ongewenst is verklaard, op een met redenen omkleed verzoek van één van lidstaten, ook voor de andere lidstaten ongewenst verklaren.
De IND kan tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, Vw besluiten als de vreemdeling buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan. Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, is in ieder geval een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
De IND besluit niet tot ongewenstverklaring als de ongewenstverklaring een schending van artikel 8 EVRM betekent. Bij het besluit tot ongewenstverklaring weegt de IND artikel 8 EVRM-aspecten mee. Verwezen wordt naar paragraaf B7/3.8 Vc.
Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen van oordeel is dat er gronden zijn voor de ongewenstverklaring van een vreemdeling, dan dient deze ambtenaar onmiddellijk een voorstel tot ongewenstverklaring in bij de IND, door middel van toezending van model M63 of een ander gemotiveerd schrijven. Bij het model M63 of het gemotiveerde schrijven voegt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen alle gegevens en bewijsmiddelen die voor de beoordeling van het voorstel tot ongewenstverklaring relevant kunnen zijn. De IND beschouwt in ieder geval afschriften van processen-verbaal als relevant.
Als op andere wijze dan op aangeven van de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, is gebleken dat er gronden zijn voor de ongewenstverklaring van een vreemdeling, besluit de IND ambtshalve tot ongewenstverklaring.
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft uitvoering aan de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 4:7 en artikel 4:8 Awb in ieder geval in de volgende situaties:
de vreemdeling verblijft niet rechtmatig in Nederland;
de vreemdeling bevindt zich in een politiecel, een cel van de KMar of in een huis van bewaring;
de vreemdeling heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend.
De IND geeft uitvoering aan de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 4:7 en artikel 4:8 Awb in andere dan de genoemde situaties.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Hoe het besluit tot ongewenstverklaring bekend wordt gemaakt is afhankelijk van de situatie en welke gegevens bekend zijn (zie artikel 67, tweede lid, Vw).
De IND zendt het besluit tot ongewenstverklaring naar de gemachtigde. Daarnaast doet de IND mededeling van het besluit tot ongewenstverklaring in de Staatscourant.
Als de gemachtigde van de vreemdeling niet bekend is of de gemachtigde stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, dan geldt het volgende:
de IND zendt de beschikking – met de brochure – per aangetekende brief naar het laatst bekende adres van de vreemdelingen
de IND doet mededeling van de beschikking in de Staatscourant.
Indien er geen adres van de vreemdeling is, wordt volstaan met de mededeling van de beschikking in de Staatscourant.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De vreemdeling die ongewenst is verklaard, mag niet langer in Nederland verblijven. De vreemdeling moet Nederland direct verlaten en mag ook niet meer terug naar Nederland reizen. Het verblijf in Nederland van een vreemdeling die ongewenst is verklaard, is strafbaar op grond van artikel 197 WvSr. Voor wat betreft de signalering wordt verwezen naar paragraaf A2/12.6 Vc.
Bij de toepassing van artikel 6.6, tweede lid, Vb weegt de IND de belangen van de vreemdeling af tegen het algemeen belang van de Nederlandse Staat.
Als een vreemdeling die ongewenst verklaard is vanwege gevaar voor de nationale veiligheid een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring heeft ingediend, willigt de IND deze aanvraag uitsluitend in als de vreemdeling sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland tien jaren onafgebroken buiten Nederland heeft verbleven.
Als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling nog steeds een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, wijst de IND de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring af.
Voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’, zie paragraaf B1/4.4 Vc.
Er kunnen zich bijzondere feiten en omstandigheden voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het belang van de vreemdeling moet prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. De IND kan het algemeen belang van de Nederlandse Staat uitsluitend laten wijken voor het belang van de vreemdeling als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden in het geval van de vreemdeling die bij de totstandkoming van de algemene regel over opheffing van de ongewenstverklaring niet zijn betrokken.
In ieder geval merkt de IND het enkele feit dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit en niet meer in Nederland heeft verbleven, niet aan als een bijzonder feit of bijzondere omstandigheid.
Voorheen paragraaf 3.5.1.
De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring moet de vreemdeling indienen bij de IND.
De vreemdeling hoeft geen verklaring als bedoeld in artikel 6.6 lid 4 onder d Vb over te leggen als het overleggen van deze verklaring niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege de algemene situatie of het ontbreken van een registratie van gepleegde misdrijven of strafvervolging in het in artikel 6.6 lid 4 onder d Vb bedoelde land.
Voorheen paragraaf 3.5.2.
Voorheen paragraaf 3.5.
De IND neemt uitsluitend in de volgende drie situaties aan dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die leiden tot de inwilliging van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring:
de ongewenstverklaring is in strijd met het recht op familie- of gezinsleven dan wel privéleven, bedoeld in artikel 8 EVRM;
de ongewenstverklaring is in strijd met artikel 3 EVRM welke duurzaam is en het handhaven van de ongewenstverklaring is disproportioneel;
3.103aa Vb respectievelijk artikel 17 en 18 Kwalificatieverordening is van toepassing.
Bij de beoordeling van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring, betrekt de IND in ieder geval alle feiten en omstandigheden die zijn genoemd in de paragrafen B7/3.8 en B9/14 Vc, voor zover deze feiten en omstandigheden sinds de ongewenstverklaring zijn gewijzigd.
In het geval van gewijzigde feiten en omstandigheden, beoordeelt de IND of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het belang van de ongewenst verklaarde vreemdeling bij familie- of gezinsleven dan wel privéleven in Nederland meer gewicht moet worden toegekend dan aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat. Bij deze beoordeling zet de IND altijd de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten Nederland af tegen de tijd die sinds het besluit tot ongewenstverklaring is verstreken.
Als een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zijn terugkeer naar het land van herkomst in strijd is met artikel 3 EVRM, beoordeelt de IND bij het nemen van een besluit op de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring in deze situatie:
of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en zo ja
of de gevolgen van het handhaven van de ongewenstverklaring voor de vreemdeling disproportioneel zijn, afgewogen tegen het belang van de Nederlandse Staat.
De IND neemt aan dat de ongewenstverklaring duurzaam in strijd is met artikel 3 EVRM als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de IND heeft in een besluit vastgesteld dat artikel 3 EVRM een beletsel is bij terugkeer naar land van herkomst;
dit beletsel bestaat al minimaal 10 jaar en de vreemdeling bevindt zich al die tijd zonder verblijfsvergunning of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw in Nederland;
tijdens deze 10 jaar leefde de vreemdeling in vrijheid en maakte geen gebruik van de Nederlandse voorzieningen; en
vertrek van de vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst is ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan die vertrekplicht niet mogelijk gebleken.
Een vreemdeling heeft een inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar hij zich kan vestigen.
De IND neemt disproportionaliteit aan als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Bij de beoordeling betrekt de IND in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf. Als de vreemdeling disproportionaliteit aannemelijk heeft gemaakt, willigt de IND de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring in.
Als een ongewenstverklaarde vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indient, beoordeelt de IND of de vreemdeling in aanmerking komt voor deze verblijfsvergunning. De IND verleent de vreemdeling op grond van artikel 3.103aa Vb, respectievelijk artikel 17 en 18 Kwalificatieverordening, een verblijfsvergunning asiel als de vreemdeling:
aannemelijk maakt dat hij vluchteling is als bedoeld in artikel 29 Vw; of
bij terugkeer een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 29a Vw.
Als de IND aan de vreemdeling de hiervoor genoemde verblijfsvergunning verleent, heft de IND de ongewenstverklaring op.
De IND heft de ongewenstverklaring niet op en verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel als omschreven in artikel 3.103aa Vb, respectievelijk artikel 17 en 18 Kwalificatieverordening, als:
de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid;
de vreemdeling zich heeft schuldig gemaakt aan verstoringen van de openbare orde; of
artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.
Als de IND een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel afwijst en de vreemdeling onder het bereik van de Terugkeerrichtlijn valt, heft de IND de ongewenstverklaring
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De IND kan op grond van artikel 6.7 Vb in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen een ongewenstverklaring tijdelijk opheffen. De IND stelt bij een tijdelijke opheffing voorwaarden aan de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland. De IND beoordeelt een aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring aan de hand van het beleidskader opgenomen in paragraaf A4/3.8.3 t/m A4/3.8.4 Vc. De IND beoordeelt een aanvraag die is ingediend door een internationaal strafhof of tribunaal aan de hand van het specifieke beleidskader in paragraaf A4/3.8.7 Vc.
Een aanvraag tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring moet schriftelijk bij de IND worden ingediend, door uitsluitend één van de hierna genoemden:
de vreemdeling;
de gemachtigde van de vreemdeling; of
een instantie die stelt een bijzonder belang te hebben bij de komst van de vreemdeling naar Nederland.
De IND verstaat onder ‘instantie’ in ieder geval het OM of een internationaal strafhof of tribunaal. Als de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingediend door het OM, moet een Hoofdofficier van Justitie deze ondertekenen. Als de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingediend door een internationaal strafhof of tribunaal, moet een persoon van het niveau van een Hoofdofficier van Justitie, onder wie een rechter, deze ondertekenen.
Voorheen paragraaf 3.7.1.
De aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring moet in ieder geval alle volgende gegevens bevatten:
volledige personalia van de vreemdeling, inclusief eventuele aliassen waarvan hij zich eerder heeft bediend;
datum en plaats van binnenkomst van de vreemdeling;
vluchtnummers van de heen- en terugvlucht van de vreemdeling;
type, nummer en geldigheidsduur van het reisdocument van de vreemdeling;
reden en noodzaak van de komst van de vreemdeling. Als de komst van de vreemdeling noodzakelijk is voor een strafzaak bevatten deze gegevens in ieder geval informatie over (de actuele stand en/of het te verwachten verloop van) de strafzaak alsmede de rol die de vreemdeling speelt in de strafzaak;
het belang van de aanvragende instantie bij de komst van de vreemdeling naar Nederland, als de aanvrager niet de vreemdeling of zijn gemachtigde is;
het belang dat de vreemdeling heeft bij zijn komst naar Nederland, als de vreemdeling of zijn gemachtigde de aanvrager is;
verblijfplaats(en) van de vreemdeling gedurende zijn verblijf hier te lande; en
garanties omtrent het verblijf en de kosten van het verblijf van de vreemdeling.
De vreemdeling, de gemachtigde van de vreemdeling of een instantie die stelt een bijzonder belang te hebben bij de komst van de vreemdeling naar Nederland geeft aan wat de redenen zijn voor het eventueel niet (kunnen) verstrekken van deze gegevens. De IND betrekt dit bij de beoordeling van de aanvraag.
Voorheen paragraaf 3.7.2.
De IND kan in de volgende situaties de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring inwilligen:
Er is sprake van zwaarwegende familieomstandigheden;
De komst van de vreemdeling naar Nederland is noodzakelijk in verband met een getuigenis in een rechtszaak;
De komst van de vreemdeling naar Nederland is noodzakelijk in verband met een eigen strafzaak.
De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring altijd de omstandigheden af tegen de ernst en actualiteit van de feiten die aan de ongewenstverklaring ten grondslag hebben gelegen.
De IND neemt uitsluitend aan dat er een noodzaak tot de komst van de vreemdeling bestaat als sprake is van een officiële oproep van het OM of een rechterlijke instantie aan de vreemdeling om te getuigen.
De IND neemt niet aan dat er een noodzaak tot de komst van de vreemdeling bestaat bij:
een civiele zaak; of
een bestuursrechtelijke zaak, waaronder inbegrepen een vreemdelingrechtelijke zaak.
Bij de behandeling door de rechtbank van een civiele of een bestuursrechtelijke zaak, waaronder begrepen een vreemdelingrechtelijke zaak kan, worden volstaan met de gemachtigde van de vreemdeling.
In andere zaken dan civiele of een bestuursrechtelijke, waaronder begrepen een vreemdelingrechtelijke, neemt de IND uitsluitend aan dat er een noodzaak tot de komst van de vreemdeling bestaat als:
de rechtbank kenbaar maakt dat de vreemdeling aanwezig moet zijn; of
als een gemachtigde niet kan volstaan.
De vreemdeling moet aannemelijk maken dat sprake is van één van de situaties genoemd onder a, b of c.
Voorheen paragraaf 3.7.3.
De IND heft een ongewenstverklaring van een vreemdeling die een gevaar vormt voor de nationale veiligheid slechts tijdelijk op als aannemelijk is dat de nationale veiligheid niet in gevaar komt met de komst van de vreemdeling naar Nederland. Deze voorwaarde geldt in aanvulling op de voorwaarden a, b en c uit paragraaf A4/3.8.3 Vc.
De IND betrekt bij de beoordeling of de nationale veiligheid in gevaar komt met de komst van de vreemdeling naar Nederland met name de volgende belangen:
het belang van strafrechtelijke vervolging en het voorkomen van straffeloosheid;
het belang van de nationale veiligheid. De IND neemt als uitgangspunt dat een eerder geconstateerd gevaar voor de nationale veiligheid nog geruime tijd actueel blijft. De vreemdeling of de aanvrager kan feiten en omstandigheden aanvoeren waaruit blijkt dat het gevaar voor de nationale veiligheid verminderd of verdwenen is. Dit kan ook uit informatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten blijken;
de mogelijkheden van vertrek uit Nederland na afloop van de strafrechtelijke procedure. Hierbij betrekt de IND onder meer of een (geldig) reisdocument beschikbaar is of verkregen kan worden.
De IND maakt bij elke aanvraag een individuele afweging van deze belangen. De IND legt dit voor aan Onze Minister. De IND besluit slechts tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring met instemming van Onze Minister.
Het bovenstaande is van overeenkomstige toepassing op vreemdelingen die om andere redenen dan vanwege nationale veiligheid ongewenst zijn verklaard, maar die op het moment van beoordeling van de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring een gevaar vormen voor de nationale veiligheid.
Aan de komst van de vreemdeling naar Nederland en de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring stelt de IND alle volgende voorwaarden:
De komst en de duur van de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring worden beperkt tot de tijd die nodig is voor het doel waarvoor de vreemdeling naar Nederland komt. Als de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en als de vreemdeling overkomt om strafrechtelijk te worden vervolgd, betreft het de tijd die nodig is voor het doel de duur van de strafrechtelijke procedure of de duur van de eventuele strafexecutie;
Binnenkomst in en vertrek uit Nederland moeten geschieden via een Nederlandse grensdoorlaatpost;
De tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring gaat in op het moment van binnenkomst van de vreemdeling in Nederland.
Voorheen paragraaf 3.7.5.
De ambtenaar belast met de grensbewaking controleert de binnenkomst in en het vertrek uit Nederland van de vreemdeling van wie de ongewenstverklaring tijdelijk is opgeheven. De IND stelt de ambtenaren belast met de grensbewaking op de hoogte van de komst van de vreemdeling naar Nederland. Bij vertrek van de vreemdeling uit Nederland stellen de ambtenaren belast met de grensbewaking de IND van het moment van het vertrek op de hoogte. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring gaat gepaard met tijdelijke toegangsverlening aan een met het oog op weigering van toegang in het SIS gesignaleerde vreemdeling.
De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen houdt tijdens het verblijf van de vreemdeling in Nederland toezicht op hem. Welke vorm van toezicht geïndiceerd is, beziet de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen per vreemdeling. De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen stemt de toe te passen vorm van toezicht af met de instantie die om het verblijf van de vreemdeling in Nederland heeft verzocht. De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen past in het bijzonder maatregelen, zoals bijvoorbeeld vrijheidsbeperkende maatregelen, toe met het oog op het waarborgen van de nationale veiligheid, als de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
Voorheen paragraaf 3.7.6.
De IND beoordeelt een aanvraag van een internationaal strafhof of tribunaal om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring primair aan de hand van de afspraken tussen Nederland en het tribunaal, zoals bijvoorbeeld vervat in een zetelverdrag of een andere overeenkomst.
Voorheen paragraaf 3.7.7.
De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verricht bij een vreemdeling die onderdaan is van een derde land, gesignaleerd staat en die in het kader van binnenlands toezicht of bij controle op uitreis wordt aangetroffen in ieder geval de handelingen zoals beschreven in paragraaf A2/12.4.3 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod is paragraaf A4/2 Vc van overeenkomstige toepassing.
Als de IND de ongewenstverklaring opheft, legt de IND een zwaar inreisverbod op als wordt voldaan aan de voorwaarden.
Als niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een zwaar inreisverbod, legt de IND een licht inreisverbod op in de volgende situaties:
als de vreemdeling niet al twee jaar buiten de EU/EER/Zwitserland heeft verbleven, legt de IND een inreisverbod met een duur van twee jaar op; of
als de vreemdeling minstens twee jaar buiten de EU/EER/Zwitserland heeft verbleven, heft de IND de ongewenstverklaring op en legt de IND geen licht inreisverbod op, behalve als er gronden zijn voor het opleggen van een nieuw inreisverbod.
Er gelden aanvullende beleidsregels voor de ongewenstverklaring van:
Onderdanen van de EU;
Onderdanen van Zwitserland;
Onderdanen van de EER;
Familieleden van onderdanen van de EU/EER en Zwitserland; of
Turkse werknemers en hun gezinsleden die een verblijfsrecht ontlenen aan Besluit 1/80.
In aanvulling op artikel 67 Vw, artikel 8.18, onder b, Vb en artikel 8.22 Vb gaat de IND over tot ongewenstverklaring van de vreemdeling als bedoeld in deze paragraaf van wie het verblijf is ontzegd of beëindigd op grond van de openbare orde en openbare veiligheid als bedoeld in paragraaf B10/2.8.6 Vc.
In aanvulling op artikel 8.22 Vb geldt bij de beoordeling door de IND van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring als deugdelijk bewijsmiddel:
een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken;
een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft gehad;
gegevens en bescheiden die bewijzen dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigden om tegen de vreemdeling een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen en;
een schriftelijke verklaring van de vreemdeling en van de bevoegde autoriteiten van het land of de landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven waaruit blijkt dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is.
De IND legt een besluit tot signalering op als:
de aanwezigheid van de derdelander op het grondgebied van Nederland een bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid; en
er een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden waarbij de persoonlijke omstandigheden van de derdelander zijn betrokken en is bezien wat de gevolgen van een weigering van toegang en verblijf voor de derdelander zijn.
Er wordt aangenomen dat er in ieder geval sprake is van een bedreiging van de openbare orde of de nationale veiligheid als:
een derdelander in een lidstaat is veroordeeld voor een strafbaar feit waarvoor een vrijheidsstraf van ten minste één jaar geldt; of
er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de derdelander een ernstig strafbaar feit, onder meer een terroristisch misdrijf, heeft gepleegd of er zijn duidelijke aanwijzingen dat hij overweegt een dergelijk feit te plegen op het grondgebied van een lidstaat; of
er concrete aanwijzingen zijn dat een derdelander een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of nationale veiligheid; of
de derdelander het Unierecht of het nationale recht voor binnenkomst in en verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft omzeild of gepoogd heeft deze te omzeilen.
Voor de toepassing van het begrip 'gevaar voor de nationale veiligheid' wordt verwezen naar paragraaf B1/4.4 Vc.
Een inreisverbod en een besluit tot signalering kunnen naast elkaar bestaan. Als een zwaar inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zevende lid, Vw is opgelegd, wordt aangenomen dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een besluit tot signalering.
Voor de signalering van de vreemdeling vanwege het besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A2/12 Vc en als er ook een terugkeerbesluit in combinatie met een inreisverbod is opgelegd wordt verwezen naar paragraaf naar A2/12.6 Vc.
Voor de duur van het besluit tot signalering is het beleid uit paragraaf A4/2.3 Vc van overeenkomstige toepassing.
De duur van het besluit tot signalering begint te lopen op het moment dat:
de vreemdeling in E&S gesignaleerd staat; en
buiten Nederland is.
De vreemdeling toont dit aan bij zijn verzoek tot opheffing van het besluit tot signalering na afloop van de duur van de signalering.
De duur van het besluit tot signalering begint te lopen op het moment dat de vreemdeling, die in het SIS gesignaleerd staat, het grondgebied van de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein heeft verlaten.
De IND telt de duur dat de vreemdeling buiten Nederland (maar binnen het grondgebied van de lidstaten) heeft verbleven gedurende de signalering in E&S, mee.
De vreemdeling moet hiervoor een verzoek tot opheffing van het besluit tot signalering indienen na afloop van de duur van de signalering. Zie hiervoor paragraaf A4/4.3 Vc.
De IND gaat over tot opheffing van het besluit tot signalering als dringende individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven. De paragrafen A4/3.5 en A4/3.6 Vc zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
het vertrek uit Nederland en het onafgebroken verblijf buiten Nederland van toepassing is als sprake is van een signalering in E&S; en
het vertrek uit het grondgebied van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland van toepassing is als sprake is van een signalering in SIS.
De vreemdeling kan een verzoek tot opheffing van het besluit tot signalering indienen als hij nog niet de vereiste duur buiten het grondgebied van de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein heeft verbleven. De vreemdeling toont aan wanneer hij buiten Nederland, maar binnen het grondgebied van de lidstaten, heeft verbleven tijdens de periode van signalering in E&S.
De IND gaat niet over tot opheffing van het besluit tot signalering op grond van omstandigheden die reeds bij het opleggen van het besluit tot signalering zijn betrokken of betrokken hadden kunnen worden.
De IND willigt een aanvraag tot opheffing van een besluit tot signalering dat aan een vreemdeling is opgelegd, omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid, overeenkomstig artikel 6.5a, zesde lid, Vb, uitsluitend in als de vreemdeling sinds het uitvaardigen van het besluit tot signalering, en:
het vertrek uit Nederland bij een signalering in E&S ten minste tien aaneengesloten jaren buiten Nederland heeft verbleven, of
het vertrek uit het grondgebied van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland tenminste tien aaneengesloten jaren buiten voornoemd grondgebied heeft verbleven als sprake is van een signalering in SIS.
Als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling op het moment van het beoordelen van de aanvraag om opheffing van het besluit tot signalering nog steeds een ernstige bedreiging voor de nationale veiligheid vormt, verlengt de IND de duur van het besluit tot signalering.
Het beleid dat geldt voor de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke opheffing van het besluit tot signalering. Zie paragraaf A4/3.7 Vc.
De IND kan het besluit tot signalering zowel uitreiken als toezenden.
Artikel A4
Het inreisverbod, de ongewenstverklaring en het besluit tot signalering
Onderdeel van Vreemdelingencirculaire 2000 (A)· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 1 april 2023
Verwijzingen
- artikel 66a
- artikel 67
- artikel 66a
- artikel 67 Vw
- artikel 3
- artikel 66a
- artikel 66a
- artikel 66b Vw
- artikel 66a Vw
- artikel 3
- artikel 66a
- artikel 66a
- artikel 12 Vw
- artikel 3
- artikel 24
- artikel 66a
- artikel 3
- artikel 6
- artikel 6
- Artikel 6
- artikel 66a
- artikel 6
- artikel 6
- artikel 3
- artikel 6
- artikel 17
- artikel 17
- artikel 66a
- artikel 67
- artikel 29 Vw
- artikel 8
- artikel 6
- artikel 6
- artikel 12 Vw
- artikel 3
- artikel 64 Vw
- artikel 6
- artikel 6
- artikel 6
- artikel 66a
- artikel 66a
- artikel 6
- artikel 66a
- artikel 4
- artikel 6
- artikel 3
- artikel 4
- artikel 6
- artikel 66a
- artikel 29a Vw
- art. 66a
- artikel 61
- artikel 4
- artikel 8
- artikel 67
- artikel 4
- artikel 66a
- artikel 67 Vw
- artikel 6
- artikel 66a
- artikel 8
- artikel 66a
- artikel 6
- artikel 108 Vw
- artikel 6
- artikel 6
- art. 66a
- artikel 24
- artikel 6
- artikel 66a
- Artikel 66a
- artikel 67
- artikel 6
- artikel 8 Vw
- artikel 17
- Artikel 6
- artikel 4