In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen waarvan de vrijheid beperkt wordt of waarvan de vrijheid ontnomen wordt.
Toepassing van een vrijheidsontnemende maatregel dient beperkt te blijven tot het strikt noodzakelijke en dient achterwege te blijven indien een ander middel effectief kan worden toegepast. Steeds moet worden nagegaan of met een lichter middel volstaan kan worden.
Anders dan bij de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zoals neergelegd in de Vreemdelingenwet, zal een vrijheidsbeperkende maatregel in de regel niet disproportioneel zijn indien deze nodig is:
voor een snelle, efficiënte en effectieve verwerking van de asielaanvraag;
voor de geografische spreiding van vreemdelingen;
voor de voorbereiding van het vertrek van de vreemdeling;
om doeltreffend te voorkomen dat de vreemdeling onderduikt wanneer er een onderduikrisico bestaat.
Wel moet worden nagegaan of in de gegeven omstandigheden, de door de vreemdeling gestelde belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van de overheid bij het beschikbaar houden van de vreemdeling ter voorkoming van het (verder) inreizen van de vreemdeling van Nederlands of Europees grondgebied, De uitvoering van deze maatregelen is met alle volgende waarborgen omkleed:
vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling;
de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit moeten voortdurend in acht worden genomen;
tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank;
van een besluit tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel wordt ambtshalve onverwijld na bekendmaking van het besluit een kennisgeving verzonden aan de rechtbank dat geldt als beroep tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen:
artikel 6, 6a, 55, 55.0a, 56, 59, 59a, 59b, 59c en 94, Vw;
artikel 5.1 tot en met artikel 5.15 Vb;
artikel 5.1 tot en met artikel 5.4 VV.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV die een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel (vreemdelingenbewaring) op grond van artikel 6 Vw, artikel 6a Vw, artikel 59 Vw, artikel 59a Vw of artikel 59b Vw oplegt, moet de IND door middel van het bijbehorende model M19, M19A, M19B, M109, M109-A, M109-B of M109-C op de eerste dag van het opleggen van vreemdelingenbewaring op de hoogte brengen. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet de IND door middel van model M113 op de hoogte brengen als de vreemdelingenbewaring is opgeheven.
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet in verband met de kennisgeving van de IND aan de rechtbank of een beroep van de vreemdeling tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring bij de rechtbank, alle volgende modellen aan de IND verzenden:
model M119;
model M113;
model M120.
De bevoegde ambtenaar moet de vreemdeling erop wijzen dat hij contact mag (laten) opnemen met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land waarvan hij de nationaliteit heeft, en dat geen mededeling over zijn vrijheidsontneming gedaan zal worden, als hij geen contact met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging verlangt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Bij de uitzetting van een vreemdeling wordt gebruik gemaakt van Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld. Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld wordt ingevuld door of namens de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV die voor de vrijheidsontnemende maatregel verantwoordelijk is. Deze is ook verantwoordelijk voor het aanbrengen van wijzigingen en aanvullingen in Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld. Vanaf het moment dat de vrijheidsontneming in een justitiële inrichting plaatsvindt, rust deze verantwoordelijkheid op de ambtenaren van DTenV en DJI die in die inrichting werkzaam zijn.
Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld wordt bijgewerkt met de gegevens van de betreffende vreemdeling bij iedere vrijheidsontneming op grond van artikel 6, artikel 6a, artikel 59, artikel 59a of artikel 59b Vw van het moment van aanvang van de vrijheidsontnemende maatregel tot aan het moment van uitzetting of invrijheidstelling van de vreemdeling. Bij elke wijziging en aanvulling moet Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld worden bijgewerkt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Voor het lichten van vreemdelingen op grond van artikel 5.12, eerste lid, Vb, moeten alle volgende voorwaarden in acht worden genomen door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV:
de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet twee werkdagen voor de datum van lichten een verzoek indienen bij de directeur van de justitiële inrichting waar de vreemdeling verblijft;
het lichten van de vreemdeling geschiedt zoveel mogelijk tijdens de normale werktijden van de inrichting, en duurt maximaal 48 uur;
de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling tijdens het lichten berust bij de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV die het verzoek heeft ingediend. Deze draagt ook zorg voor de veiligheid en het toezicht gedurende het lichten.
De op grond van artikel 6, artikel 6a, artikel 59 Vw, artikel 59a Vw of artikel 59b Vw opgelegde maatregel blijft op het moment dat de vreemdeling gelicht is van kracht.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, 59a en 59b Vw bij niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen. De beleidsregels die gelden voor vrijheidsontnemende maatregelen aan de grens bij niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen staan in paragraaf A1/7.3 en paragraaf A5/3.2 Vc.
Vreemdelingenbewaring, gedurende de terugkeerprocedure, AMbV-procedure of de asielprocedure zoals vermeld in artikel 59 Vw, artikel 59a Vw of artikel 59b Vw, is een ingrijpende maatregel. Vreemdelingenbewaring moet daarom alleen worden toegepast als het noodzakelijk is. Met vreemdelingenbewaring van niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen moet extra voorzichtig worden omgegaan. Daarom moet worden gekeken naar minder ingrijpende maatregelen dan vreemdelingenbewaring. Voor niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen wordt dan ook zoveel mogelijk gekozen voor het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel (zie paragraaf A5/5 Vc), in plaats van vreemdelingenbewaring, om het vertrek of de overdracht voor te bereiden of de asielprocedure te doorlopen. Het begrip ‘gezin’ betekent hier ten minste één ouder of een wettelijk verzorger die in de voogdij voorziet, die samen met één of meer minderjarige kinderen feitelijk een gezin vormt.
Toch kan het noodzakelijk zijn om kort voor de gedwongen terugkeer of overdracht de niet-begeleide minderjarige of het gezin met minderjarigen zo kort mogelijk in vreemdelingenbewaring te stellen om de uitzetting te waarborgen. Dit kan ook in uitzonderlijke omstandigheden het geval zijn gedurende de asiel(grens)procedure. De in vreemdelingenbewaring stellende instantie moet goed kijken naar de individuele omstandigheden van de niet-begeleide minderjarige of het gezin met minderjarigen en deze individuele omstandigheden moeten duidelijk worden gemotiveerd in het dossier. Hierbij wordt, naast de voorwaarden als vermeld in de artikelen 5.5 en 5.6 Vb, ook rekening gehouden met de medische achtergrond, de leeftijd van de kinderen en, bij een gezin met minderjarigen, de volledige samenstelling van het gezin.
Op grond van artikel 5.15 Vb wordt vreemdelingenbewaring bij niet-begeleide minderjarigen, nog meer dan bij volwassenen, alleen in uiterste gevallen toegepast en voor een zo kort mogelijke duur.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Bij niet-begeleide minderjarigen is vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, Vw alleen gerechtvaardigd als zwaarwegende belangen aanwezig zijn. Van zwaarwegende belangen is uitsluitend sprake in de volgende situaties:
de niet-begeleide minderjarigen is verdacht van of veroordeeld voor een misdrijf;
de niet-begeleide minderjarigen is eerder met onbekende bestemming vertrokken uit de opvang of heeft zich niet gehouden aan een opgelegde meldplicht of vrijheidsbeperkende maatregel; of
het vertrek van de niet-begeleide minderjarige kan uiterlijk binnen twee weken gerealiseerd worden. Als de niet-begeleide minderjarige voor het eerst in het vreemdelingentoezicht wordt aangetroffen, geldt een termijn van vier weken waarbinnen het vertrek gerealiseerd moet worden.
Voor de vreemdelingenbewaring van de niet-begeleide minderjarige gelden de wettelijke termijnen van de artikel 59, Vw zoals die ook voor een volwassen vreemdeling gelden.
Vreemdelingenbewaring van een niet-begeleide minderjarige, opgelegd door een ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV, is in de onder c bedoelde gevallen alleen mogelijk als redelijkerwijs mag worden verwacht dat de uitzetting uiterlijk binnen respectievelijk twee of vier weken kan worden gerealiseerd. De vreemdelingenbewaring duurt in deze gevallen in beginsel niet langer dan deze twee of vier weken.
De vreemdelingenbewaring van een niet-begeleide minderjarige mag uitsluitend langer dan twee of vier weken duren als de uitzetting niet kan plaatsvinden door tenminste één van de volgende omstandigheden:
(fysiek) verzet; of
het feit dat de niet-begeleide minderjarige één of meerdere procedures is gaan voeren terwijl er geen gegronde reden was om die procedures niet reeds in een eerder stadium te starten.
Als een van deze situaties zich voordoet, is de duur van de vreemdelingenbewaring van de niet-begeleide minderjarige gebonden aan de wettelijke termijnen van de artikelen 59, 59a en 59b Vw zoals die ook voor volwassen vreemdelingen gelden. Als de niet-begeleide minderjarige in vreemdelingenbewaring wordt gehouden op grond van artikel 59 Vw en er is sprake van een (gestarte) procedure naar aanleiding van een door de niet-begeleide minderjarige ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, moet worden beoordeeld of een maatregel als bedoeld in artikel 59b Vw kan worden opgelegd. In dat geval gelden de wettelijke termijnen genoemd in dat artikel. Zodra de niet-begeleide minderjarige opnieuw verwijderbaar is geworden, wordt beoordeeld of aansluitend een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vw kan worden opgelegd. De onder c bedoelde termijn vangt op dat moment opnieuw aan.
Toezicht omvat alle mogelijke vormen van contact tussen de niet-begeleide minderjarige en de toezichthouders als bedoeld in artikelen 46 en 47 Vw in het kader van de uitoefening van hun taken. Een niet-begeleide minderjarige wordt voor het eerst in het toezicht aangetroffen als er niet eerder sprake is geweest van contact tussen de niet-begeleide minderjarige en een toezichthouder in de hiervoor bedoelde zin. Er is in ieder geval sprake van een situatie waarin de niet-begeleide minderjarige voor het eerst in het toezicht wordt aangetroffen als er bij de toezichthouders geen gegevens van de vreemdeling bekend zijn. Omdat van de niet-begeleide minderjarige die voor het eerst in het toezicht wordt aangetroffen vaak weinig gegevens bekend zijn waardoor vertrek of overdracht in veel gevallen niet binnen twee weken kan worden gerealiseerd, geldt voor hen dat vreemdelingenbewaring mogelijk is als vertrek binnen vier weken kan worden gerealiseerd. Voor een niet-begeleide minderjarige die al wel eerder in het toezicht is aangetroffen of die bijvoorbeeld in de opvang verblijft, geldt dat vreemdelingenbewaring slechts mogelijk is als het vertrek binnen een termijn van twee weken kan worden gerealiseerd, tenzij sprake is van de onder a of b bedoelde situatie.
Als een onrechtmatig verblijvende niet-begeleide minderjarige niet in vreemdelingenbewaring wordt gesteld en geen aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient, wordt de niet-begeleide minderjarige in de minderjarigenopvang van het COA geplaatst en stuurt de AVIM of de KMar een overdrachtsdossier naar de DTenV.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Het opleggen van vreemdelingenbewaring aan een niet-begeleide minderjarige op grond van artikel 59a of 59b,Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is en de minderjarige door de bewaring wordt beschermd. De niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt in ieder geval door de bewaring beschermd indien:
de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen twijfelt aan de relatie/gezinsband tussen de (gestelde) ouder of hoofdverzorger en de minderjarige en plaatsing van de minderjarige in een reguliere opvanglocatie de minderjarige onvoldoende bescherming biedt; of
er aanwijzingen zijn dat de minderjarige het slachtoffer is van, of betrokken is bij, mensenhandel- en/of mensensmokkel; of
er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de niet-begeleide minderjarige vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde en de bewaring de minderjarige beschermt tegen verdere betrokkenheid en/of uitbuiting; of
de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, al dan niet op advies van een deskundige, de bewaring om andere redenen ter bescherming van de niet-begeleide minderjarige acht.
De ambtenaar die de bewaringsmaatregel oplegt aan de niet-begeleide minderjarige houdt bij de beoordeling van het belang van het kind in ieder geval rekening met:
de mogelijkheid van gezinshereniging;
het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, met bijzondere aandacht voor de achtergrond van de minderjarige en de noodzaak van stabiliteit en continuïteit van de zorg;
veiligheids- en beveiligingsoverwegingen, met name wanneer de minderjarige mogelijk het slachtoffer is van een vorm van geweld of uitbuiting, waaronder mensenhandel;
het standpunt van de minderjarige in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Vreemdelingenbewaring van een gezin met minderjarigen op grond van artikel 59, eerste lid, artikel 59, tweede lid, en artikel 59a kan slechts worden opgelegd als sprake is van de volgende omstandigheden.
bij alle gezinsleden moet zijn voldaan aan de wettelijke voorwaarden als bedoeld in artikel 5.5 en 5.6 Vb;
bij vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, artikel 59, tweede lid, en artikel 59a, Vw, geldt eveneens dat uit nalaten, handelen, of uitlatingen van (één van) de gezinsleden moet blijken dat geen medewerking is verleend aan de vertrek- of overdrachtsprocedure, waardoor:
de vertrek- of overdrachtsprocedure is vermeden;
de vertrek- of overdrachtsprocedure is belemmerd; of
het risico bestaat op onderduiken.
in het geval van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, moet tevens voldaan worden aan de voorwaarden van de oplegging van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw (zie paragraaf 2.2).
Wanneer één of meerdere leden van het gezin signalen afgeven dat zij niet mee zullen werken aan vertrek of overdracht, zal dit gevolgen hebben voor het aannemen van een onderduikrisico ten aanzien van de andere gezinsleden.
Vreemdelingenbewaring wordt alleen proportioneel geacht als verwacht mag worden dat de uitzetting of overdracht binnen twee weken kan worden gerealiseerd. In de regel wordt aangenomen dat hiervan sprake is op het moment dat reisdocumenten beschikbaar zijn of op korte termijn beschikbaar zullen zijn.
Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 of artikel 59a Vw kan bij gezinnen met minderjarige kinderen uitsluitend langer duren dan twee weken als de uitzetting of overdracht niet kan plaats vinden door tenminste één van de volgende omstandigheden:
(fysiek) verzet van (één van) de gezinsleden;
het feit dat (één van) de gezinsleden na de vreemdelingenbewaring één of meerdere procedures is gaan voeren terwijl er geen gegronde reden was om die procedures niet reeds in een eerder stadium te starten.
Als er sprake is van een (gestarte) procedure naar aanleiding van een door de vreemdeling ingediende aanvraag voor verblijfsvergunning asiel moet worden beoordeeld of een maatregel als bedoeld in artikel 59b Vw wordt opgelegd (zie paragraaf A5/6.3 Vc).
Vreemdelingenbewaring van een begeleide minderjarige op grond van artikel 59b, Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is, met name wanneer de ouder of hoofdverzorger van de minderjarige in bewaring wordt gehouden.
De ambtenaar die de bewaringsmaatregel oplegt aan de begeleide minderjarige houdt bij de beoordeling van het belang van het kind in ieder geval rekening met:
de mogelijkheid van gezinshereniging;
het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, met bijzondere aandacht voor de achtergrond van de minderjarige en de noodzaak van stabiliteit en continuïteit van de zorg;
veiligheids- en beveiligingsoverwegingen, met name wanneer de minderjarige mogelijk het slachtoffer is van een vorm van geweld of uitbuiting, waaronder mensenhandel;
het standpunt van de minderjarige in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV heft de vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59b Vw op als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is afgewezen en de behandeling van het beroep in Nederland afgewacht mag worden.
Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen, en de behandeling van het beroep niet in Nederland afgewacht mag worden, wordt de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw opgeheven en wordt beoordeeld of aansluitend een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgelegd op grond van artikel 59 Vw. Als er samen met het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag, een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend door de vreemdeling waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht betekent dit dat de vreemdelingenbewaring mag voortduren tot uiterlijk twee weken na dagtekening van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Voor zowel niet-begeleide minderjarigen als gezinnen met minderjarigen geldt dat zij uiterlijk binnen één dag na het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring in de Gesloten Gezinsvoorziening geplaatst moeten worden. Als bij een voorgenomen maatregel van vreemdelingenbewaring de verblijfplaats van de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige vreemdeling bekend is, dient de tenuitvoerlegging in de Gesloten Gezinsvoorziening in beginsel aansluitend aan de staandehouding plaats te vinden.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als de ambtenaar belast met grensbewaking de inschatting maakt dat een gezin met één of meer minderjarigen binnen twee weken wordt uitgezet, mag aan een gezin met één of meer minderjarigen dat de toegang is geweigerd vrijheidsontneming op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw, al dan niet gelezen in samenhang met of artikel 6a Vw, worden opgelegd.
Als de ambtenaar belast met grensbewaking de inschatting maakt dat het vertrek niet binnen twee weken wordt gerealiseerd wordt in beginsel volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, Vw, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 6a Vw.
De ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND legt een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw op bij beschikking model M19.
De ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND verricht alle volgende handelingen:
een afschrift van de beschikking model M19 uitreiken aan de vreemdeling;
de inhoud van de beschikking in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem meedelen;
aan de vreemdeling in een begrijpelijke taal aan hem meedelen dat de rechtbank ambtshalve de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming zal toetsen; en
de vreemdeling wijzen op de mogelijkheid om het recht op gratis rechtsbijstand en om vertegenwoordiging aan te vragen.
Hierbij kan de ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND gebruik maken van de informatiebrief ‘Waarom aan u een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd’. De ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND neemt de wijze waarop is voorzien in bovengenoemde informatieverplichting op in model M19.
Bij aanwijzing van een andere ruimte of plaats moet een nieuwe beschikking model M19 worden gemaakt waarbij de inhoud van de beschikking en de mogelijkheid tot het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem worden meegedeeld.
Zodra sprake is van concrete aanknopingspunten voor een overdracht op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351) en er een onderduikrisico aanwezig is of de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde, wordt een (nieuwe) vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6a Vw opgelegd. De vreemdeling wordt daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht. Indien er geen sprake is van een onderduikrisico of een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde, wordt de maatregel niet opgelegd dan wel opgeheven.
De ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND hoeft geen nieuwe beschikking model M19/M19A te maken als tijdelijke overplaatsing van de vreemdeling nodig is om redenen die voortvloeien uit toepassing van de Vw. Ook het vervoer naar de aangewezen ruimte of plaats valt onder beschikking model M19/M19A.
Als er redenen zijn om de vrijheidsontnemende maatregel met maximaal twaalf maanden te verlengen, moet de vreemdeling voor het verstrijken van de maximale bewaringsduur van zes maanden schriftelijk op de hoogte worden gesteld van dit besluit. DTenV maakt het verlengingsbesluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit.
Voor het opheffen van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw of artikel 6a Vw, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND, gebruik maken van model M113. Van model M113 moet altijd:
het origineel van dit formulier in het archief worden opgeborgen en een afschrift wordt aan de vreemdeling uitgereikt;
een kopie worden verzonden naar de IND en DTenV.
Voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 6, eerste lid, Vw of artikel 6a Vw geldt geen regime.
Indien een aan de grens geweigerde vreemdeling tevens verdachte of veroordeelde is van een misdrijf wordt door de ambtenaar belast met de grensbewaking bij het uitreiken van de toegangsweigering model M122-A uitgereikt om de vreemdeling te informeren dat zijn vrijheidsontneming kan worden voortgezet op grond van de Vreemdelingenwet zodra de vrijheidsontneming op strafrechtelijke gronden is geëindigd. De ambtenaar belast met de grensbewaking is verantwoordelijk voor het opleggen van de vreemdelingrechtelijke maatregelen op grond van de Vreemdelingenwet.
Op grond van artikel 6, derde lid, Vw kan aan een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn. Deze grondslag voor vrijheidsontneming wordt toegepast zolang het de vreemdeling wordt toegestaan als verzoeker op het grondgebied te verblijven dan wel zolang de vreemdeling op grond van artikel 68, vijfde lid, onderdeel d Procedureverordening niet wordt verwijderd. Dat betreft de volgende situaties:
de vreemdeling is in afwachting van een beslissing op zijn asielaanvraag;
na afwijzing van de asielaanvraag, indien de vreemdeling op grond van artikel 68, tweede lid Procedureverordening op het grondgebied mag blijven gedurende de beroepstermijn en, bij tijdige indiening van het beroep, totdat uitspraak is gedaan op het beroep;
na afwijzing van de asielaanvraag, indien de vreemdeling op grond van artikel 68, derde lid Procedureverordening niet op het grondgebied mag blijven maar op grond van artikel 68, vijfde lid onder d Procedureverordening niet mag worden verwijderd gedurende de termijn voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening en, bij tijdige indiening van dat verzoek, totdat uitspraak is gedaan op het verzoek;
tot de beslissing op het beroepschrift indien het onder c bedoelde verzoek is toegewezen.
Deze situatie is aan de orde als het beroep van rechtswege schorsende werking heeft.
Deze situatie is aan de orde als het beroep geen schorsende werking heeft. De vreemdeling heeft dan ingevolge artikel 69, zesde lid Vw één week de tijd om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Gedurende die termijn mag de vreemdeling in beginsel niet worden verwijderd. Bij tijdige indiening mag de vreemdeling ook in afwachting van de uitspraak niet worden verwijderd. Op deze regel kan echter op grond van artikel 56 Procedureverordening dan wel artikel 68, zesde lid Procedureverordening een uitzondering worden gemaakt. Dan is de vreemdeling met het nemen van het besluit op de asielaanvraag direct verwijderbaar, ook al wordt (tijdig) verzocht om een voorlopige voorziening. Die situaties kunnen zich enkel voordoen bij opvolgende asielaanvragen als bedoeld in artikel 55 Procedureverordening. Alleen een door de rechter getroffen voorlopige voorziening kan dan leiden tot het recht om op het grondgebied te verblijven en niet te worden verwijderd gedurende de beroepsprocedure.
Het geval waarin de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening niet mag worden afgewacht zijn omschreven in artikel 7.3, tweede lid, van het Vb. Die situaties kunnen zich enkel voordoen bij een volgend verzoek als bedoeld in artikel 55 Procedureverordening.
Voor toepassing van artikel 6, derde lid, Vw op AMbV-claimanten, dient tevens sprake te zijn van een onderduikrisico of een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde. Wanneer er sprake is van een onderduikrisico, wordt vermeld in artikel 5.5 en artikel 5.6 Vb.
Wanneer de hierboven genoemde situaties niet langer aan de orde zijn, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking een besluit omtrent weigering van de toegang als bedoeld in artikel 14 SGC middels het model M17A. Verder wordt een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, juncto het zesde lid, Vw dan wel artikel 6a, eerste lid Vw. Het nemen van een besluit omtrent de weigering van toegang en het opleggen van een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de hierboven genoemde situaties niet langer van toepassing zijn.
Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, Vw kan aan een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd en op wie voorafgaand aan de toegangsweigering het derde lid van toepassing was, een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met uitzondering van de situatie dat de asielaanvraag voor het nemen van een besluit wordt ingetrokken (in dat laatste geval is het zesde lid niet van toepassing). Het nemen van een besluit omtrent de weigering van toegang en het opleggen van een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de onder het kopje Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn, plaats te vinden. De nieuwe vrijheidsontnemende maatregel wordt door de bevoegde ambtenaar van de IND opgelegd met gebruikmaking van het model M19B (zie ook paragraaf C2/2 Vc).
Op grond van artikel 6a, eerste lid Vw kan de maatregel worden opgelegd of voortgezet met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Wanneer er sprake is geweest van een voorafgaande vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw, geldt het volgende. Nadat het besluit omtrent de weigering van toegang is genomen, wordt krachtens artikel 6a, eerste lid, Vw een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Het nemen van een besluit omtrent de toegangsweigering en het opleggen van een nieuwe maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de onder het kopje Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn. De nieuwe vrijheidsontnemende maatregel wordt door de bevoegde ambtenaar van de IND opgelegd met gebruikmaking van het model M19A (zie ook paragraaf C2/2 Vc).
Voor toepassing van artikel 6a Vw dient sprake te zijn van een onderduikrisico of een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde. Wanneer er sprake is van een onderduikrisico wordt vermeld in artikel 5.5 en artikel 5.6 Vb. Daarnaast dient de maatregel proportioneel en noodzakelijk te zijn met het oog op de overdracht. Bij AMbV-claimanten is de maatregel, anders dan bij andere vreemdelingen, niet gericht op terugkeer naar het land van herkomst of een ander veilig land waar de toelating gewaarborgd is, maar op overdracht aan een andere lidstaat. In de Verordening is een midden gezocht tussen enerzijds het belang van terughoudendheid ten aanzien van vrijheidsontneming en anderzijds het belang van een effectieve overdracht.
Gezinnen met minderjarigen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indienen, krijgen in beginsel geen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid of artikel 6a Vw opgelegd. Dit geldt ook voor niet-begeleide minderjarigen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indienen. De ambtenaar belast met de grensbewaking legt uitsluitend een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid of artikel 6a Vw op indien er getwijfeld wordt aan de minderjarigheid van de vreemdeling en de minderjarigheid nog niet is vastgesteld door de IND. In paragraaf A1/7.3 Vc staat beschreven in welke overige gevallen de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 of artikel 6a Vw mogelijk is.
Vreemdelingenbewaring van een begeleide minderjarige op grond van 6 derde lid of 6a, Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is, met name wanneer de ouder of hoofdverzorger van de minderjarige in bewaring wordt gehouden.
Het opleggen van vreemdelingenbewaring aan een niet-begeleide minderjarige op grond van artikel 6 of 6a,Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is en de minderjarige door de bewaring wordt beschermd. De niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt in ieder geval door de bewaring beschermd indien:
de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen twijfelt aan de relatie/gezinsband tussen de (gestelde) ouder of hoofdverzorger en de minderjarige en plaatsing van de minderjarige in een reguliere opvanglocatie de minderjarige onvoldoende bescherming biedt; of
er aanwijzingen zijn dat de minderjarige het slachtoffer is van, of betrokken is bij, mensenhandel- en/of mensensmokkel; of
er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de niet-begeleide minderjarige vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde en de bewaring de minderjarige beschermt tegen verdere betrokkenheid en/of uitbuiting;
de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, al dan niet op advies van een deskundige, de bewaring om andere redenen ter bescherming van de niet-begeleide minderjarige acht.
De ambtenaar die de bewaringsmaatregel oplegt aan de niet-begeleide minderjarige houdt bij de beoordeling van het belang van het kind in ieder geval rekening met:
de mogelijkheid van gezinshereniging;
het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, met bijzondere aandacht voor de achtergrond van de minderjarige en de noodzaak van stabiliteit en continuïteit van de zorg;
veiligheids- en beveiligingsoverwegingen, met name wanneer de minderjarige mogelijk het slachtoffer is van een vorm van geweld of uitbuiting, waaronder mensenhandel;
het standpunt van de minderjarige in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.
Indien geen sprake is van één van de in paragraaf A1/7.3 Vc bedoelde redenen om de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel te beëindigen of te wijzigen, kan de maatregel voortduren tot maximaal twee weken, na het moment dat het gezin verwijderbaar is geworden. Als er een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend door de vreemdeling waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht, betekent dit dat de vrijheidsontnemende maatregel mag voortduren tot uiterlijk twee weken na dagtekening van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
In afwijking van het voorgaande gelden de volgende voorwaarden bij de weigering en aansluitende vreemdelingenbewaring van gezinnen met minderjarigen die geen asiel aanvragen. Gezinnen met minderjarigen die landen op luchthaven Schiphol en geen asiel aanvragen worden in de lounge geplaatst in afwachting van de effectuering van de claim op de luchtvaartmaatschappij. Indien het op de luchthaven Schiphol niet mogelijk blijkt het gezin onmiddellijk aansluitend aan de weigering terug te vervoeren en het naar verwachting langer dan 24 uur zal duren voordat terugvervoer mogelijk is zal het gezin geplaatst worden op de Gesloten Gezinsvoorziening met oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid Vw. Aan gezinnen die zich bevinden aan de buitengrens en geen asiel aanvragen wordt een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw, nu geen voorziening aanwezig is, met plaatsing in de Gesloten Gezinsvoorziening in afwachting van de effectuering van de claim op de luchtvaartmaatschappij.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als de vreemdeling die aanwezig is op het grondgebied een eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen start de fase van het ontvangen en voorbereiden asielaanvraag (verder OVA-fase, zie paragraaf A6 Vc en paragraaf C1/2 Vc).
De vreemdeling ontvangt een aanwijzing als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Vw middels model M117-C, met de aanwijzing dat hij zich voor de screeningsprocedure beschikbaar moet houden.
Indien de vreemdeling zich niet houdt aan het opgelegde beschikbaarheidsregime, dan kan een aanvullende aanwijzing worden gegeven met een verder gaande vrijheidsbeperkende maatregel of vrijheidsontnemende maatregel.
Na het doorlopen van de OVA-fase of als de vreemdeling een (opvolgende) aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd indient, wijst de Korpschef de gemeente waarin de opvangvoorziening zich bevindt aan als plaats waar de vreemdeling zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet verblijven. De Korpschef doet de aanwijzing zowel mondeling als schriftelijk. Voor de aanwijzing wordt het model M117-A gebruikt.
Vreemdelingen moeten zich beschikbaar houden op grond van artikel 55 Vw in een AC of opvanglocatie. Voor vreemdelingen die een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier hebben ingediend kan dat de woon- of verblijfplaats zijn.
Als een vreemdeling ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken, moet de Korpschef dit melden aan de IND, DTenV en het COA. Bij deze melding wordt een kopie van het model M117-A gevoegd. Het ‘met onbekende bestemming vertrokken zijn’ moet vastgesteld zijn door de Korpschef.
Bij het opleggen van de maatregel op grond van artikel 56 Vw wordt in beginsel als plek van verblijf een gemeente aangewezen of een kleiner deel dan de gemeente waarbinnen de vreemdeling zich dient te bevinden dan wel een plek of gebied dat niet mag worden betreden.
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.2 VV legt de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw – eventueel in combinatie met een toezichtmaatregel op grond van artikel 54, eerste lid, Vw – op:
op grond van het bestaan van een onderduikrisico als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, Vb aan de vreemdeling:
zonder rechtmatig verblijf; of
met rechtmatig verblijf op grond van:
artikel 8, aanhef en onder f, Vw;
artikel 8, aanhef en onder h, Vw; of
artikel 8, aanhef en onder m, Vw.
op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid aan de vreemdeling:
zonder rechtmatig verblijf; of
met rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e, Vw.
Redenen van openbare orde kunnen verband houden met het individuele gedrag van de vreemdeling (bijvoorbeeld ingeval van asielzoekers de overtreding van de huisregels van het COA, overlastgevend, gewelddadig of bedreigend gedrag), maar deze kunnen ook van meer algemene aard zijn.
De vreemdeling wordt voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van artikel 56 Vw gehoord. Dit gehoor wordt vastgelegd in het model M108B. De maatregel van artikel 56 Vw wordt opgelegd met het model M108A.
De maatregel op grond van artikel 56 Vw kan voortduren voor zolang dat gelet op de omstandigheden van het geval met het oog op de openbare orde of de nationale veiligheid of een aangenomen onderduikrisico redelijk is.
De maatregel kan ieder deel van Nederland aanwijzen en is niet beperkt tot locaties waar opvang wordt geboden door het COA. Bij de bepaling van de plaats komt groot gewicht toe aan de mate waarin ter plaatse toezicht kan worden gehouden op de naleving van de maatregel. De maatregel kan ook een plaats aanwijzen die geldt als een verbod voor de vreemdelingen zich daar te bevinden.
De vreemdeling kan bij de organisatie die de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd dan wel het toezicht uitoefent, om toestemming verzoeken om tijdelijke buiten de toegewezen plaats te verblijven dan wel het verboden gebied te betreden. Van een situatie waarin een dergelijke toestemming kan worden verleend, is in ieder geval sprake bij bezoek aan een medisch specialist, (niet vereiste) aanwezigheid bij een zitting van de rechtbank of bezoek aan de advocaat die de vreemdeling vertegenwoordigt. Het verzoek dient tijdig te worden gedaan. Van de vreemdeling kan worden verlangd dat hij de reden van het verzoek aantoont, bijvoorbeeld door overlegging van een afspraakbevestiging.
Gelet op artikel 5.11, vierde lid, Vb heeft de vreemdeling geen toestemming nodig van de organisatie die de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd dan wel het toezicht uitoefent wanneer zijn aanwezigheid vereist is bij afspraken met autoriteiten en rechtbanken. De vreemdeling stelt deze organisaties vooraf in kennis van een dergelijke afspraak. Van de vreemdeling kan worden verlangd dat hij een document overlegt waaruit dit blijkt.
De maatregel op grond van artikel 56 Vw komt niet van rechtswege te vervallen. De maatregel kan worden voortgezet met het oog op vertrek uit Nederland, na een afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. De vreemdeling aan wie de maatregel is opgelegd, kan om opheffing daarvan verzoeken. Tegen de afwijzing van een verzoek om opheffing staat evenals tegen de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel rechtstreeks beroep open bij de bestuursrechter.
De redenen die aanleiding waren gedurende het rechtmatig verblijf om een maatregel op te leggen, rechtvaardigen het voorduren van de vrijheidsbeperkende maatregel gedurende het terugkeerproces. Dat geldt ook voor de vreemdeling die in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Er wordt een nieuwe vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd middels model M108A, zodra de vrijheidsbeperkende maatregel op een andere plaats ten uitvoer wordt gelegd dan waar de vreemdeling verbleef.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
–
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De vbl biedt onderdak aan vreemdelingen die Nederland moeten verlaten en geen recht (meer) hebben op opvang van rijkswege. Doel is dat gedurende het verblijf in de vbl het vertrek wordt voorbereid.
De vrijheidsbeperkende maatregel, die bij een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf op grond van artikel 56 Vw wordt opgelegd in een vbl, duurt in beginsel twaalf weken. De vreemdeling moet werken aan zijn vertrek uit Nederland waarbij DTenV de regie heeft over het vertrektraject. De vrijheidsbeperkende maatregel kan blijven voortduren, indien na ommekomst van de twaalf weken er nog immer voldoende grondslag bestaat.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De gl is een op vertrek gerichte vrijheidsbeperkende locatie met een sober voorzieningenniveau, bedoeld voor gezinnen:
met minderjarige kinderen zonder recht op opvang;
zolang minderjarige kinderen onderdeel uitmaken van het gezin; én
zolang er een humanitaire noodsituatie ontstaat als er geen onderdak wordt geboden.
Ter voorbereiding van het vertrek wordt bij gezinnen met minderjarige kinderen zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in een gl.
Aan een gezin met minderjarige kinderen wordt gedurende (een deel van de periode) waarin het vertrek wordt voorbereid een maatregel op grond van artikel 56 Vw in een gl opgelegd als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
er is sprake van gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid – ook als op grond daarvan tot vrijheidsontneming zou kunnen worden overgegaan;
het vertrek van het gezin kan niet binnen veertien dagen worden gerealiseerd;
het gezin heeft voorafgaande aan de maatregel in de opvang verbleven; of
het gezin is in de illegaliteit aangetroffen.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Voor vreemdelingen in de asielprocedure en met rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw, met uitzondering van onderdelen b, d en e Vw, geldt dat een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw kan worden opgelegd en de vreemdeling geplaatst kan worden op de pbl. Dit is mogelijk wanneer de vreemdeling meerdere malen overlast heeft veroorzaakt met middelgrote of 1 incident met grote impact zoals opgenomen in het maatregelenbeleid van het COA. Het kan hier gaan om incidenten in de opvang, maar ook om incidenten die buiten de opvang hebben plaatsgevonden. Daarnaast is pbl-plaatsing mogelijk bij vergelijkbare incidenten die zich buiten de opvanglocatie hebben voorgedaan.
De vreemdeling wordt opgedragen te verblijven op en in een gebied rondom de pbl. De maatregel kan worden opgelegd aan vreemdelingen wanneer voorzienbaar is dat de aanvraag binnen 4 weken kan worden afgewezen. De vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd voor in beginsel vier weken.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Voor zowel de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf als de vreemdeling met rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, met uitzondering van onderdelen b, d en e, Vw geldt dat een maatregel op grond van artikel 56 Vw kan worden opgelegd en de vreemdeling geplaatst kan worden op de htl. als de vreemdeling gedurende of na de asielprocedure overlast veroorzaakt met zeer grote impact. Dit kan als de vreemdeling gedurende of na de asielprocedure meerdere malen overlast veroorzaakt met grote impact of na 1 incident met zeer grote impact zoals opgenomen in het maatregelenbeleid van het COA. Het gaat om overlast op de (opvang)locatie waar de vreemdeling verblijft of daar buiten.
De vreemdeling wordt opgedragen te verblijven op en in een gebied rondom de htl.
Een dergelijke maatregel kan ook worden opgelegd aan niet-begeleide minderjarigen vanaf de leeftijd van 16 jaar. Voor deze niet-begeleide minderjarigen geldt dat de afstemming die tussen COA en de jeugdbeschermer heeft plaatsgevonden. De belangen en de specifieke situatie van de minderjarige kenbaar moeten worden meegewogen in deze maatregel.
Het COA besluit, tenzij het gedrag van de vreemdeling hier eerder aanleiding voor geeft en zich geen gronden voor inbewaringstelling voordoen, uiterlijk na een periode van twaalf weken tot voortzetting van de handhaving en het toezicht op de htl (in welk geval de vrijheidsbeperkende maatregel voortduurt), terugplaatsing naar een reguliere opvanglocatie of een andere maatregel op grond van de RvA.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Om de vreemdeling in staat te stellen aan de maatregel op grond van artikel 56 Vw te voldoen, wordt de vreemdeling vervoer naar de locatie aangeboden. Als de vreemdeling weigert om gebruik te maken van het aangeboden vervoer wordt daarmee geconcludeerd dat de vreemdeling geen gebruik wenst te maken van het aangeboden onderdak.
Als de vreemdeling de aan hem opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel niet naleeft, kan de Korpschef de vreemdeling op grond van artikel 50 of artikel 50a Vw staande houden en naar een plaats bestemd voor verhoor overbrengen. Vervolgens beoordeelt de Korpschef of een vrijheidsontnemende maatregel moet worden opgelegd.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Een vreemdeling wordt uitsluitend in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, 59a of 59b Vw, als minder dwingende maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast. Inbewaringstelling vindt slechts plaats als er geen lichter middel voorhanden is, dat even effectief is. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV maakt een belangenafweging over de toepassing van de maatregel van vreemdelingenbewaring.
Ten aanzien van de gronden voor inbewaringstelling, als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, Vb, is paragraaf A3/3 Vc van overeenkomstige toepassing.
De vreemdelingenbewaring wordt met onmiddellijke ingang opgeheven wanneer het doel voor de inbewaringstelling niet langer bestaat (zie artikel 59c, tweede lid, Vw) en er geen andere grond voor het voortzetten van de inbewaringstelling bestaat.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft kan, met het oog op uitzetting, in vreemdelingenbewaring worden gesteld (zie artikel 59, eerste lid, onderdeel a, Vw). Artikel 59, eerste lid, onder b Vw wordt alleen toegepast bij een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in verband met een procedure aangaande:
een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde of onbepaalde tijd;
een aanvraag tot verlenging of wijziging hiervan.
Voor inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, onderdeel a en b, Vw maakt de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV gebruik van Model 109. In Model M109 dient in ieder geval omschreven te worden dat:
er ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, Vb aanwezig zijn;
er geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast; en
er voldoende zicht op uitzetting bestaat.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Een vreemdeling voor wie op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351) een overnameverzoek is ingediend bij een andere lidstaat of voor wie een kennisgeving inzake terugname aan een andere lidstaat is verzonden (verder: AMbV-claimant) kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond van artikel 59a Vw. Bij AMbV-claimanten is de vreemdelingenbewaring, anders dan bij andere vreemdelingen, niet gericht op terugkeer naar het land van herkomst of een ander veilig land waar de toelating gewaarborgd is, maar op overdracht aan een andere lidstaat. In de Asiel- en migratiebeheerverordening is een midden gezocht tussen enerzijds het belang van terughoudendheid ten aanzien van vrijheidsontneming en anderzijds het belang van een effectieve overdracht.
Voor inbewaringstelling op grond van artikel 59a Vw maakt de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV gebruik van model M109-A. In model M109-A dient in ieder geval omschreven te worden dat:
er ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, Vb aanwezig zijn;
of de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde;
er geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast; en
er voldoende zicht op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat bestaat.
(Zie ook de paragrafen A3/6.9 en C2/3 Vc.)
Het is mogelijk om een vreemdeling in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59a, Vw, indien deze een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde. Voor vreemdelingenbewaring op deze grond is het niet noodzakelijk dat er sprake is van een risico op onderduiken. Bij het bepalen of een vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde kunnen de volgende omstandigheden worden betrokken:
er zijn aanwijzingen dat de vreemdeling gedragingen heeft gepleegd als omschreven in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag;
er is sprake van een individuele aanwijzing als bedoeld in artikel 48, tweede lid, Vw, waaruit blijkt dat sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde;
er is sprake van een (individueel) ambtsbericht van de AIVD of MIVD; of
de verdenking of veroordeling in verband met een misdrijf.
Als op grond van artikel 59a Vw een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgelegd en de vreemdeling ook een asielaanvraag heeft ingediend, dan ontvangt de IND via de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV informatie over het opgemaakte model M109-A.
Als de AMbV-claimant in vreemdelingenbewaring is gesteld omdat onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (artikel 5.6, tweede lid, onder m, Vb), duurt de vreemdelingenbewaring niet langer dan veertien dagen.
Deze termijn is niet van toepassing als de overdracht niet binnen die veertien dagen kan plaatsvinden door tenminste één van de volgende omstandigheden:
fysiek verzet van de vreemdeling of in geval van een gezin fysiek verzet van (één van) de gezinsleden;
het feit dat de vreemdeling of in geval van een gezin (één van) de gezinsleden na de inbewaringstelling één of meerdere procedures is gaan voeren met het kennelijke doel overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat te voorkomen.
Als sprake is van een gestarte procedure zoals in de hierboven bedoelde zin kan de maatregel van vreemdelingenbewaring voortduren tot maximaal twee weken nadat de vreemdeling of het gezin verwijderbaar is geworden.
Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw is mogelijk voor de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indient of wenst in te dienen. Voor vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw maakt de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV gebruik van model 109-B. Model M109-B bevat in ieder geval:
een kenbare belangenafweging, en
één of meerdere gronden, als bedoeld in artikel 59b, eerste lid, Vw.
Als op grond van artikel 59b Vw een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgelegd, dan ontvangt de IND via de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV informatie over het opgemaakte model M109-B.
Vreemdelingen die een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning asiel kunnen op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw in vreemdelingenbewaring worden gesteld, indien:
vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling;
vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico;
de vreemdeling:
in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van richtlijn 2008/115;
al de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en
op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen; of
de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 10, vierde lid, onderdeel f, van de Opvangrichtlijn; of
vreemdelingenbewaring noodzakelijk is ten behoeve van de handhaving van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, bedoeld in artikel 56, eerste lid, Vw in het geval de vreemdeling die maatregel niet naleeft en het onderduikrisico blijft bestaan.
Het is mogelijk dat een vreemdeling vanwege meerdere gronden in vreemdelingenbewaring wordt gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw.
Hierbij gaat het vooral om situaties waarin een vreemdeling niet in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw, maar waarbij wel één of meerdere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.7, derde lid, Vb van toepassing zijn. Deze situaties kunnen zich met name voordoen, indien:
de vreemdeling gedurende zijn strafrechtelijke detentie een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend;
de vreemdeling gedurende de periode van overbrenging en ophouding als bedoeld in artikel 50, tweede of derde lid, Vw een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend; of
de vreemdeling is overgedragen aan Nederland krachtens Verordening (EU) 2024/1351.
Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel a of b, Vw is slechts mogelijk als ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, Vb zich voordoen.
Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel a, Vw is slechts mogelijk indien er sprake is van onduidelijkheid over de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Dat de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling onbekend is, is op zichzelf onvoldoende om een inbewaringstelling te rechtvaardigen.
Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel b, Vw is ook mogelijk gedurende de beroepsprocedure na beoordeling van de asielaanvraag door de IND en de vreemdeling op grond van artikel 68 Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te verblijven totdat op het beroep is beslist.
Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw is slechts mogelijk als de vreemdeling ten tijde van de indiening van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel al in vreemdelingenbewaring was gesteld op grond van artikel 59 Vw.
Bij vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw moeten vooral de volgende omstandigheden worden betrokken:
of de vreemdeling eerder een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsvergunning asiel;
de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt in relatie tot zijn verklaringen hierover;
de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen of zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt;
of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem voor een inreisverbod gesignaleerd staat;
de gestelde nationaliteit in relatie tot de toepassing van artikel 30b, eerste lid, Vw in het geval bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel e Procedureverordening;
de onderbouwing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.
Wanneer er zich meer van de hierboven genoemde omstandigheden voordoen, wordt sneller aangenomen dat een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel slechts is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Deze opsomming is niet limitatief.
Het is mogelijk om een vreemdeling in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, Vw, indien deze een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde. Voor vreemdelingenbewaring op deze grond is het niet noodzakelijk dat er sprake is van een risico op onderduiken. Bij het bepalen of een vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde kunnen de volgende omstandigheden worden betrokken:
de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kan mogelijk worden afgewezen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag;
er is sprake van een individuele aanwijzing als bedoeld in artikel 48, tweede lid, Vw, waaruit blijkt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde;
er is sprake van een (individueel) ambtsbericht van de AIVD of MIVD; of
de verdenking of veroordeling in verband met een misdrijf.
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV kan de vreemdeling aanmerken als een gevaar voor de openbare orde om één of meer van de redenen zoals opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc en er sprake is van een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde. Bij de beoordeling is paragraaf A3/3.4 Vc onder het kopje daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde, voor zover relevant, van overeenkomstige toepassing.
Het is mogelijk om een vreemdeling in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel e, Vw, indien aan de vreemdeling eerder een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 56 Vw is opgelegd waaraan de vreemdeling zich heeft gehouden en nog altijd sprake is van een onderduikrisico. Daarvan is sprake indien naast het niet houden aan de vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 5.6, tweede lid, onder n, Vb) zich ten minste een van de andere gronden van artikel 5.6, tweede lid, Vb voordoet.
In het geval de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, tweede lid Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven, wordt de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw niet opgeheven.
De vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw wordt alsnog opgeheven indien:
er na afloop van de beroepstermijn geen beroep is ingesteld; of
het beroep door de rechtbank ongegrond wordt verklaard.
De vreemdeling kan aansluitend op grond van artikel 59 Vw (opnieuw) in vreemdelingenbewaring gesteld door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. De vreemdeling dient te worden gehoord voordat hij (opnieuw) in vreemdelingenbewaring wordt gesteld.
Indien de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, derde lid Procedureverordening niet het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven, wordt de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw opgeheven. De vreemdeling kan aansluitend op grond van artikel 59 Vw (opnieuw) in vreemdelingenbewaring gesteld door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. De vreemdeling dient te worden gehoord voordat hij (opnieuw) in vreemdelingenbewaring wordt gesteld.
In het geval de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, derde lid Procedureverordening niet het recht heeft om op grondgebied te blijven, maar een verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder h, onder 2, Vw. Het is dan mogelijk om de vreemdeling (opnieuw) in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
Nadat er beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel en de vreemdeling zit nog altijd in vreemdelingenbewaring, vraagt de IND de rechtbank om het beroep zo spoedig als mogelijk te behandelen.
De vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw duurt in beginsel niet langer dan zes maanden. De vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw kan op grond van artikel 59b, derde lid, Vw met ten hoogste zes maanden worden verlengd indien sprake is van:
complexe feitelijke of juridische kwesties; of
de vertraging in de behandeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 Vw duidelijk en uitsluitend kan worden toegeschreven aan het feit dat de vreemdeling de krachtens artikel 9 Procedureverordening op hem rustende verplichtingen niet nakomt.
De verlenging van de vreemdelingenbewaring vindt, na afweging van alle omstandigheden van het geval, plaats door de bevoegde ambtenaar van de IND. Als er redenen zijn om de vreemdelingenbewaring met een termijn van maximaal zes maanden te verlengen moet de IND de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden vreemdelingenbewaring van de verlenging met een verlengingsbesluit op de hoogte stellen. De IND stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. In het verlengingsbesluit wordt nagegaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de vreemdelingenbewaring zijn en of de vreemdelingenbewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is.
Het uitgangspunt is dat een vreemdeling, voordat hij in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, gehoord wordt. Het gehoor van de vreemdeling moet afgenomen worden door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV.
De vreemdeling wordt niet gehoord voordat hij in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, als het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht. Uit de vreemdelingenadministratie moet blijken waarom het gehoor na de inbewaringstelling plaatsgevonden heeft. Het gehoor wordt vervolgens zo spoedig mogelijk na tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring gehouden.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV stelt de vreemdeling tijdig in kennis van het recht om in het bijzijn van een advocaat gehoord te worden. Als de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst en een voorkeursadvocaat heeft, dan wordt de voorkeursadvocaat bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Als de voorkeursadvocaat niet bereikbaar is, wordt de piketcentrale bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Bij een hernieuwde inbewaringstelling als bedoeld in paragraaf A5/6.8 Vc kan dit bericht verzonden worden naar de advocaat die de vreemdeling in de eerdere bewaringsprocedure al bijstond.
Er mag met het gehoor worden begonnen zonder bijzijn van een advocaat indien de vreemdeling:
geen advocaat bij het gehoor wenst;
wel een advocaat bij het gehoor wenst, en de advocaat heeft aangegeven niet bij het gehoor aanwezig te kunnen of te willen zijn; of
wel een advocaat bij het gehoor wenst, en er binnen twee uur na de verzending van het bericht over de voorgenomen inbewaringstelling nog geen advocaat aanwezig is.
Indien de vreemdeling wordt gehoord in het bijzijn van een advocaat, wordt de advocaat op diens verzoek in de gelegenheid gesteld om na afloop van het gehoor een zienswijze te geven over de voorgenomen inbewaringstelling.
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet op verzoek van de advocaat van de vreemdeling een kopie van de beschikking tot vreemdelingenbewaring (model M109, M109-A, M109-B of M109-C) en van het proces-verbaal van gehoor (model M110) geven.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Wanneer aan de in vreemdelingenbewaring te stellen vreemdeling ook een terugkeerbesluit, eventueel in combinatie met een inreisverbod (zie paragraaf A4/2 Vc), wordt uitgereikt, vindt uitreiking daarvan plaats voorafgaand aan of gelijktijdig met de maatregel van vreemdelingenbewaring. Voor het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring moet gebruik worden gemaakt van model M109, M109-A, M109-B of M109-C. Bij het opleggen van de maatregel wordt tevens de informatiefolder ‘Waarom bent u in bewaring gesteld?’ uitgereikt. Deze folder is opgesteld in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal en wordt voorzien van een overzicht van de van toepassing zijnde feitelijke en juridische gronden.
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet afschriften maken van de beschikking waarbij de vreemdelingenbewaring, het terugkeerbesluit en/of inreisverbod opgelegd is. De afschriften zijn uitsluitend bedoeld voor de volgende belanghebbenden:
de vreemdeling;
de Korpschef of de KMar die de originele exemplaren in het archief moeten bewaren;
afschriften van de maatregel, het terugkeerbesluit en/of inreisverbod moeten aan de gemachtigde worden verstrekt;
bij plaatsing van een vreemdeling in een justitiële inrichting moet een afschrift van een maatregel van vreemdelingenbewaring worden verstrekt aan de directeur van de justitiële inrichting;
de IND in verband met de beroepsprocedure op grond van artikel 94, 96, en 96a Vw.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV omdat de bewaring niet of niet langer rechtmatig, is het mogelijk om de vreemdeling onmiddellijk aansluitend aan de opheffing opnieuw op een andere bewaringsgrond in vreemdelingenbewaring te stellen. Voor het opnieuw opleggen van een maatregel van vreemdelingenbewaring moet sprake zijn van gewijzigde omstandigheden, op grond waarvan een hernieuwde inbewaringstelling gerechtvaardigd is. Van gewijzigde omstandigheden is onder andere sprake als de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn of op korte termijn voorhanden zullen zijn, terwijl die er ten tijde van de eerste inbewaringstelling niet waren.
Bij hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond moet de vreemdeling in beginsel ook opnieuw gehoord worden (zie paragraaf A5/6.5 Vc). Daarnaast geldt ook voor de nieuwe maatregel van vreemdelingenbewaring dat de rechtbank hiervan onverwijld in kennis gesteld moet worden. Bij hernieuwde inbewaringstelling dient de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV altijd een afschrift van model M109, M109-A, M109-B of M109-C te verzenden naar de IND, zodat de rechtbank onverwijld ambtshalve in kennis gesteld kan worden.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 of 59 Vw duurt niet langer dan zes maanden, met een mogelijkheid deze te verlengen met twaalf maanden. DTenV ziet toe op naleving van deze termijnen en past daarbij artikel 88 van het WvSr analoog toe. Een maand geldt daarbij als 30 dagen.
Indien sprake is van een vreemdelingenbewaring die is opgelegd ter uitvoering van een terugkeerbesluit moeten voor de berekening van de termijnen ook eerdere periodes van vreemdelingenbewaring in aanmerking worden genomen, indien deze ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit waren opgelegd.
Bij een verlenging van de termijn op grond van artikel 59, zesde lid, Vw wordt de periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw buiten beschouwing gelaten. De periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw telt niet mee, omdat deze inbewaringstelling niet uitzetting als doel heeft. De periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw wordt wel betrokken bij de kenbare belangenafweging, die door DTenV in het model M120 gemaakt wordt na zes maanden inbewaringstelling.
Als er redenen zijn om de vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel met een termijn van maximaal twaalf maanden te verlengen moet DTenV de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden vreemdelingenbewaring van de verlenging met een verlengingsbesluit op de hoogte stellen.
DTenV stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. In het verlengingsbesluit wordt nagegaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de vreemdelingenbewaring zijn, of de vreemdelingenbewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat.
Van het verlengingsbesluit wordt onverwijld ambtshalve een kennisgeving verzonden aan de rechtbank.
Indien vanwege eerdere periodes van vreemdelingenbewaring, bij het opleggen van een nieuwe maatregel van vreemdelingenbewaring aanleiding bestaat om de bewaringstermijn met twaalf maanden te verlengen, wordt het besluit tot verlenging van de termijn door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV opgenomen in de maatregel van bewaring.
De vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6a of 59a Vw kan (conform artikel 45 Asiel- en migratiebeheerverordening) na de datum waarop het verzoek tot overname is aanvaard of de kennisgeving inzake terugname is bevestigd door de verantwoordelijke lidstaat (afhankelijk van de vraag of beroep is ingesteld en of dat beroep opschortende werking heeft) nog maximaal 5 weken voortduren.
Zie paragraaf A5/6.3 Vc voor de duur van de vreemdelingenbewaring van een AMbV-claimant die in vreemdelingenbewaring is gesteld omdat onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als een vreemdeling tijdens de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, 6a, 59 of 59a Vw een verzoek om een voorlopige voorziening indient met als doel het opschorten van de uitzetting of overdracht, moet DTenV in overleg met de IND nagaan of de behandeling van dit verzoek in Nederland afgewacht mag worden. Als de behandeling van het verzoek afgewacht mag worden en de vreemdelingenbewaring voortduurt, vraagt de IND de rechtbank om het verzoek om een voorlopige voorziening zo spoedig als mogelijk te behandelen.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als een redelijk vermoeden bestaat dat de in vreemdelingenbewaring gestelde vreemdeling misbruik maakt van een van de volgende rechten:
het ontvangen van bezoek;
telefoneren;
het wisselen van brieven;
om zijn verwijdering uit Nederland te belemmeren, of om zich aan de verdere vreemdelingenbewaring te onttrekken, wordt de uitoefening van deze rechten beperkt door de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen.
De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen doet direct schriftelijk gemotiveerd mededeling van de opgelegde beperking van de rechten van de vreemdeling aan alle volgende belanghebbenden:
DTenV;
de vreemdeling;
zijn gemachtigde.
De vreemdelingenbewaring of vrijheidsontneming van een vreemdeling in een politiebureau voor een termijn langer dan vierentwintig uur moet worden voorkomen.
Deze termijn vangt aan met het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel en eindigt zodra de vreemdeling de politiecel heeft verlaten voor het vervoer naar een gespecialiseerde inrichting voor vreemdelingenbewaring.
Als de termijn van vierentwintig uur wordt overschreden, moet uit het overdrachtsdossier blijken welke omstandigheden tot overschrijding van deze termijn hebben geleid.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet zo spoedig mogelijk na inbewaringstelling een verzoek tot plaatsing indienen bij DJI. Tegelijkertijd met het verzoek tot plaatsing wordt Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld bijgewerkt met de gegevens van de betreffende vreemdeling. Als de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een verzoek om plaatsing van de vreemdeling wil annuleren, licht de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen DJI direct in. Zodra van DJI bericht ontvangen is in welke justitiële inrichting de vreemdeling gaat verblijven, zendt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen schriftelijk het dossier van de vreemdeling betreffende de inbewaringstelling aan de directeur van die justitiële inrichting.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Het moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring worden gesteld. Als een vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moet worden omdat feitelijk vertrek aansluitend aan de strafrechtelijke detentie niet mogelijk is, deelt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen aan de vreemdeling tijdens de strafrechtelijke detentie mee dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50, tweede of derde lid, dan wel artikel 50a, eerste lid, Vw naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Hier wordt de vreemdeling geïnformeerd over de verdere te volgen procedure. Deze mededeling wordt, met gebruikmaking van model M122, aan de vreemdeling uitgereikt. Aan de directeur van de inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt moet een afschrift van model M122 worden gestuurd. De ambtenaar moet ook van de toepassing van dit artikel proces-verbaal (zie model M105-A) opmaken.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als tijdens de vreemdelingenbewaring bekend wordt dat een strafrechtelijk vonnis of arrest nog niet ten uitvoer is gelegd, wordt voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, een vonnis of arrest zo snel mogelijk ten uitvoer gelegd. In verband hiermee moet de Korpschef, de Commandant der KMar, de Dienst Terugkeer en Vertrek of de directeur van de justitiële inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact opnemen met het CJIB over de executie van het vonnis.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Als er geen grond voor vreemdelingenbewaring meer is, moet de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV de vreemdelingenbewaring opheffen. Hij maakt daarvoor gebruik van het model M113.
Van model M113 moet altijd:
het origineel van dit formulier in het archief worden opgeborgen en een afschrift wordt aan de vreemdeling uitgereikt;
een kopie worden verzonden naar de IND en DTenV;
samen met het verzoek om ontslag uit de justitiële inrichting (model M114) een kopie van het model M113 gezonden aan de directeur van de justitiële inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt.
Als de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste of tweede lid, Vw of artikel 59a Vw van een gezin met één of meer minderjarige kinderen langer duurt dan de maximaal gestelde termijn van twee weken, moet de vreemdelingenbewaring worden opgeheven door uitsluitend de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV.
Als de vreemdeling het Nederlands grondgebied niet heeft verlaten kan de vreemdelingenbewaring voortgezet worden op de bestaande maatregel van vreemdelingenbewaring. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet dan een nieuw (spoed)verzoek tot plaatsing aan DJI doen.
Heeft de vreemdeling Nederland verlaten en keert hij terug, dan moet de vreemdeling opnieuw in vreemdelingenbewaring worden gesteld, in beginsel door een hulpofficier van justitie van het politiekorps die verantwoordelijk was voor de eerdere vreemdelingenbewaring dan wel door een hulpofficier van het politiekorps van de regio waarbinnen de desbetreffende grensdoorlaatpost is gelegen. De toegang tot Nederland wordt niet geweigerd, ook al voldoet de vreemdeling niet aan de voorwaarden voor toegang. De toegang tot Nederland wordt wel geweigerd als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling toegang heeft verkregen tot zijn eigen land of een derde land.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
De IND stuurt onverwijld na bekendmaking van het besluit tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel of het besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel een kennisgeving aan de rechtbank. Deze kennisgeving geldt als beroep tegen het besluit tot oplegging dan wel verlenging van de vrijheidsontnemende maatregel.
Indien het beroep tegen het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel of het voortduren daarvan ongegrond is verklaard dan wel indien het beroep niet ongegrond is verklaard maar de vrijheidsontnemende maatregel desondanks nog voortduurt, stuurt de IND telkens uiterlijk achtenzestig dagen na de dagtekening van de uitspraak van de rechtbank een kennisgeving aan de rechtbank. Deze kennisgeving geldt als (vervolg)beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.
De vreemdeling kan ook altijd zelf een (vervolg)beroep als bedoeld in artikel 96 Vw instellen bij de rechtbank tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.
DTenV stuurt uiterlijk op dag drie na indiening van het beroep (voortgangs)gegevens met betrekking tot de uitzetting naar de IND via een procesverwijzing in de BVV.
Als uit de uitspraak van de rechtbank op het beroep blijkt dat de vreemdelingenbewaring moet worden opgeheven, informeert de IND direct de DTenV. Hierbij overlegt de IND zo nodig met de DTenV in verband met het in te dienen hoger beroep of het verzoek om een voorlopige voorziening.
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV heft de vreemdelingenbewaring op met gebruikmaking van het model M113. Hiertoe richt deze ambtenaar een schriftelijk verzoek om invrijheidstelling aan de directeur van de justitiële inrichting, vergezeld van een model M113. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV zendt een afschrift van model M113 naar de DTenV.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.
Artikel A5
Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
Onderdeel van Vreemdelingencirculaire 2000 (A)· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 12 juni 2026
Verwijzingen
- artikel 59a
- artikel 59b Vw
- artikel 5
- artikel 6a Vw
- artikel 59a
- artikel 5
- artikel 59a Vw
- artikel 5
- artikel 68
- artikel 59
- artikel 5
- artikel 68
- artikel 59b Vw
- artikel 59a Vw
- artikel 59 Vw
- artikel 6
- artikel 5
- artikel 59b Vw
- artikel 6a Vw
- artikel 59 Vw
- artikel 6
- artikel 6a Vw
- artikel 59
- artikel 6 Vw
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 6a
- artikel 59a
- artikel 6a
- artikel 6a
- artikel 6
- artikel 59
- artikel 5
- artikel 59 Vw
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 59a Vw
- artikel 6a Vw
- artikel 68
- artikel 6
- artikel 6
- artikel 5
- artikel 59b Vw
- artikel 6
- artikel 59 Vw
- artikel 59
- artikel 6a
- artikel 68
- artikel 2
- artikel 59
- artikel 6a Vw
- artikel 6
- artikel 6a Vw
- artikel 6 Vw
- artikel 6
- artikel 59 Vw
- artikel 59
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 6 Vw
- artikel 6
- artikel 6
- artikel 59a Vw
- artikel 59
- artikel 59b Vw
- artikel 59a
- artikel 59b Vw
- artikel 5
- artikel 59b Vw
- artikel 59
- artikel 5
- artikel 6
- artikel 68
- artikel 59b
- artikel 6
- artikel 5
- artikel 59 Vw
- artikel 6
- artikel 59b Vw
- artikel 6a
- artikel 6a Vw
- artikel 59a
- artikel 5
- artikel 59
- artikel 7
- artikel 69
- artikel 59b Vw
- artikel 5
- artikel 6
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 68
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 6a Vw
- artikel 59b Vw
- artikel 59
- artikel 48
- artikel 59b
- artikel 50
- artikel 59b
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 8
- artikel 56 Vw
- artikel 50a Vw
- artikel 6
- artikel 56 Vw
- artikel 59 Vw
- artikel 94
- artikel 55
- artikel 59b Vw
- artikel 6
- artikel 48
- artikel 59b
- artikel 8
- artikel 56 Vw
- artikel 56 Vw
- artikel 59b
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 59c
- artikel 5
- artikel 59b
- artikel 5
- artikel 56 Vw
- artikel 6a
- artikel 59 Vw
- artikel 50a
- artikel 59
- artikel 59a
- artikel 59b Vw
- artikel 42
- artikel 5
- artikel 6
- artikel 28 Vw
- artikel 10
- artikel 56 Vw
- artikel 59b
- artikel 5
- artikel 50
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 59a
- artikel 56 Vw
- artikel 8
- artikel 5
- artikel 56 Vw
- artikel 56 Vw
- artikel 59a Vw
- artikel 6
- artikel 59b
- artikel 59a Vw
- artikel 59
- artikel 5
- Artikel 59
- artikel 59a
- artikel 59b
- artikel 59b Vw
- artikel 68
- artikel 5
- artikel 6a Vw
- artikel 30b
- artikel 8
- artikel 6
- artikel 8 Vw
- artikel 28 Vw
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 59b Vw
- artikel 59b
- artikel 59b Vw
- artikel 5
- artikel 8
- artikel 56 Vw
- artikel 56
- artikel 59
- artikel 59a Vw
- artikel 59
- artikel 50
- artikel 54
- artikel 59b
- artikel 59b Vw
- artikel 5
- artikel 59b
- artikel 59a Vw
- artikel 5
- artikel 59b
- artikel 8
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 56 Vw
- artikel 68
- artikel 5
- artikel 6
- artikel 5
- artikel 96 Vw
- artikel 59 Vw
- artikel 59b
- artikel 6a Vw
- artikel 5
- artikel 6
- artikel 59a
- artikel 56 Vw
- artikel 55 Vw
- artikel 59b
- artikel 59b Vw
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 59b
- artikel 59b Vw
- artikel 5