Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Schets van de verordening

Onderdeel van Circulaire EG-betekeningsverordening· Internationaal publiekrecht

Deze tekst geldt sinds 9 april 2001

Bij het streven naar verbetering en versnelling van de zendingen van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken ter betekening of kennisgeving in het buitenland is het Haags betekeningsverdrag 1965 tot uitgangspunt genomen. Op een aantal punten wijkt de verordening evenwel af van het verdrag van 1965. Voorzover van belang voor de uitvoering van de verordening wordt hieronder in algemene zin op enkele bepalingen van de verordening ingegaan. De verordening introduceert zogenoemde 'verzendende instanties' en 'ontvangende instanties'. Een verzendende instantie is bevoegd gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken te verzenden ter betekening of kennisgeving in een andere lidstaat (zie artikel 2, eerste lid, van de verordening). Een ontvangende instantie is bevoegd gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken die afkomstig zijn van een andere lidstaat in ontvangst te nemen (zie artikel 2, tweede lid, van de verordening). Met het oog op de doelmatigheid en de snelheid van civiele procedures is het nodig geacht de verzending ter betekening en kennisgeving te doen plaatsvinden tussen plaatselijke, gedecentraliseerde, instanties. De gedachte is dat de betekening en kennisgeving aldus over minder schijven loopt en mitsdien sneller kan worden gerealiseerd. Aldus breekt de verordening nadrukkelijk met het concept van een centrale autoriteit die onder vigeur van het Haags betekeningsverdrag 1965 als centraal aanspreekpunt fungeert voor de functionarissen die in de verdragsstaten bevoegd zijn tot het doen van betekening of kennisgeving. Voor Nederland ligt het voor de hand om de gerechtsdeurwaarders, in aansluiting op hun reeds bestaande taken ten aanzien van de betekening en kennisgeving van stukken, ook aan te wijzen als verzendende en ontvangende instanties. Inmiddels is dan ook op de voet van artikel 2, vierde lid, aan de Europese Commissie mededeling gedaan van de namen en adressen van de aldus aangewezen gerechtsdeurwaarders. Door deze aanwijzing kan iedere gerechtsdeurwaarder in Nederland optreden als verzendende en als ontvangende instantie. In civiele verzoekschriftprocedures is de griffier belast met de kennisgeving van gerechtelijke stukken aan de verzoeker, de verweerder en belanghebbenden (artikel 429r Rv in verbinding met het Besluit oproepingen, mededelingen en zendingen verzoekschriftprocedure). Hetzelfde geldt voor de kennisgevingen in de civiele kantongerechtsprocedure (artikel 118 Rv). In deze gevallen ligt het in de rede dat in beginsel de internationale kennisgeving kan worden verricht door (de griffier van) het gerecht, zonder tussenkomst van een deurwaarder. Met het oog daarop is aan de Europese Commissie mededeling gedaan dat als verzendende instantie naast de deurwaarders zijn aangewezen de gerechten wanneer zij een wettelijke taak hebben bij oproeping van personen of kennisgeving van stukken. Overigens zal de griffier ook kunnen kiezen voor de weg van rechtstreekse kennisgeving per post op de voet van artikel 14 van de verordening. De verordening voorziet ook in een 'centrale instantie'. De centrale instantie heeft tot taak informatie te verschaffen aan verzendende instanties, het zoeken naar oplossingen voor problemen bij verzending ter betekening of kennisgeving en, in buitengewone omstandigheden, het op verzoek van een verzendende instantie aan een ontvangende instantie doen toekomen van een aanvraag tot betekening of kennisgeving (artikel 3 van de verordening). De verordening ziet hier op uitzonderlijke gevallen waarin het proces van betekening of kennisgeving is gestokt en daarop door de verzendende instantie geen invloed (meer) is uit te oefenen. Bij wijze van voorbeeld kan worden genoemd het geval dat antwoord uitblijft op de vraag welke ontvangende instantie territoriaal bevoegd is, of dat het kantoor van ontvangende instantie door brand is verwoest of de diensten van de aangezochte lidstaat zijn lamgelegd door een staking of een natuurramp. Voor Nederland komt als centrale instantie in aanmerking de door de Gerechtsdeurwaarderswet in het leven geroepen Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG). Op de voet van artikel 23, eerste lid, van de verordening is de Europese Commissie bericht dat Nederland de KBvG heeft aangewezen als centrale instantie als bedoeld in artikel 3 van de verordening. Binnen de KBvG is zowel de structuur als de kennis voorhanden die benodigd is voor de uitvoering van de in artikel 3 van de verordening neergelegde taken.Voor de periode tot de inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet is als centrale instantie aangewezen de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders. Bij de verzending van stukken ter betekening of kennisgeving wordt gebruik gemaakt van een formulier dat in de bijlage bij de verordening is vastgesteld en beschikbaar is in alle talen van de Europese Unie (zie artikel 4, derde lid, van de verordening). Het formulier bevat ruimte voor het vermelden van gegevens over het desbetreffende stuk, de verzendende en de ontvangende instantie, de afzender en degene voor wie het stuk is bestemd, en de gewenste wijze van betekening of kennisgeving. Zo zal, wanneer een Nederlandse ontvangende instantie wordt verzocht een stuk te doen betekenen 'volgens de wet van de aangezochte staat' (Nederland), dit stuk moeten worden betekend door middel van een deurwaardersexploot aan degene voor wie het stuk bestemd is. Het formulier moet worden ingevuld in de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er verscheidene officiële talen zijn, in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht, dan wel in een andere taal die de lidstaat heeft verklaard in dit verband te kunnen aanvaarden (artikel 4, derde lid, van de verordening). Gelet op de functie van de Engelse taal in het internationale verkeer heeft Nederland in dit verband op de voet van artikel 23 van de verordening verklaard dat aan Nederlandse verzendende en ontvangende instanties te zenden formulieren ook in de Engelse taal kunnen worden ingevuld. Hetzelfde geldt voor het in artikel 10 van de verordening bedoelde certificaat waarmee een ontvangende instantie de betekening of kennisgeving bevestigt aan een Nederlandse verzendende instantie. Artikel 9 van de verordening betreft de (vaststelling van de) datum van betekening of kennisgeving. Hoofdregel is dat als datum van betekening of kennisgeving geldt de datum waarop de betekening of kennisgeving overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat heeft plaatsgevonden (artikel 9, eerste lid). Indien evenwel in verband met een in het land van herkomst in te leiden of hangende procedure de betekening of kennisgeving binnen een bepaalde termijn moet worden verricht, wordt de datum die ten aanzien van de aanvrager in aanmerking moet worden genomen bepaald door het recht van deze lidstaat (artikel 9, tweede lid). In verband hiermee is het wenselijk dat de regeling van betekening van exploten in de Nederlandse wetgeving wordt aangepast. Het reeds genoemde wetsvoorstel voorziet daarin. Krachtens het derde lid van artikel 9 is het de lidstaten toegestaan de regeling van het eerste en tweede lid, indien daar geldige redenen voor zijn, voor een overgangsperiode van vijf jaar niet toe te passen en deze overgangsperiode 'om redenen in verband met hun rechtsstelsel' om de vijf jaar te verlengen. Nederland zal van deze mogelijkheid geen gebruik maken. Het eerste lid van artikel 13 van de verordening maakt het voor de lidstaten mogelijk de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken rechtstreeks, zonder rechtsdwang, door de zorg van zijn diplomatieke of consulaire ambtenaren te doen verrichten. De lidstaten kunnen verklaren dat zij zich ertegen verzetten dat op hun grondgebied betekening of kennisgeving op deze wijze plaats heeft, tenzij het stuk is bestemd voor een onderdaan van het land van herkomst (artikel 13, tweede lid, van de verordening). Er zijn voor Nederland geen termen om deze wijze van betekening of kennisgeving, die van oudsher in internationale betrekkingen wordt aanvaard, uit te sluiten. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de verordening is elke lidstaat bevoegd de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken aan zich in een andere lidstaat bevindende personen rechtstreeks per post te doen verrichten. Daarbij moeten wel de nadere voorwaarden in acht worden genomen die elke lidstaat ingevolge artikel 14, tweede lid, van de verordening kan stellen aan betekening of kennisgeving langs deze weg op zijn grondgebied. In dit verband stelt Nederland, naar inmiddels op de voet van artikel 23 van de verordening aan de Europese Commissie is medegedeeld, de volgende voorwaarden: rechtstreekse betekening of kennisgeving per post aan zich in Nederland bevindende personen geschiedt bij aangetekende post; stukken die per post zijn verzonden aan zich in Nederland bevindende personen worden opgesteld of vertaald in de Nederlandse taal of in een taal die degene voor wie het stuk is bestemd, begrijpt. De eerste voorwaarde strekt ertoe zekerheid te scheppen omtrent de datum van de betekening of de kennisgeving. De tweede voorwaarde beoogt te waarborgen dat degene voor wie het stuk is bestemd ook daadwerkelijk daarvan kennis kan nemen. De verordening laat de bevoegdheid van iedere belanghebbende onverlet bij een rechtsgeding de betekening of kennisgeving rechtstreeks te doen verrichten door daartoe bevoegde personen in de aangezochte lidstaat (zie artikel 15, eerste lid, van de verordening). De verordening laat de lidstaten de ruimte zich hiertegen te verzetten en daaromtrent een verklaring af te leggen. Artikel 10, aanhef en onder c, van het Haags betekeningsverdrag 1965 bevat een vergelijkbare regeling. Nederland heeft uit hoofde van die regeling niet verklaard zich tegen rechtstreekse betekening of kennisgeving te verzetten. Daartoe wordt ook in het kader van artikel 15 van de verordening geen aanleiding gezien. Artikel 19 van de verordening geeft een regeling voor het geval dat de verweerder niet verschijnt. De regeling is ontleend aan de artikelen 15 en 16 van het Haags betekeningsverdrag 1965. Het eerste lid van artikel 19 schrijft de rechter voor om, in het geval dat de verweerder in een onder de verordening bestreken zaak niet is verschenen, de beslissing aan te houden totdat aan een tweetal daar genoemde voorwaarden is voldaan. Het tweede lid van artikel 19 kent elke lidstaat de bevoegdheid toe te verklaren dat zijn rechters van het eerste lid mogen afwijken indien aan een drietal daar genoemde voorwaarden is voldaan. In het kader van het Haags betekeningsverdrag 1965 heeft Nederland van deze mogelijkheid gebruik gemaakt (zie artikel 10 van de Uitvoeringswet bij het Haags betekeningsverdrag 1965 (Wet van 8 januari 1975, Stb. 5). Er doen zich geen gronden voor om in het kader van de uitvoering van de verordening een andere opstelling te kiezen. In het wetsvoorstel is derhalve eenzelfde voorziening opgenomen als in artikel 10 van de Uitvoeringswet bij het Haags betekeningsverdrag 1965. Het vierde lid van artikel 19 geeft de rechter de bevoegdheid, wanneer een verstekvonnis is gegeven en de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel (doorgaans verzet) is verstreken, de gedaagde een nieuwe termijn voor het instellen van het rechtsmiddel te gunnen. De rechter dient daarbij twee in de desbetreffende bepaling omschreven voorwaarden in acht te nemen. Voorts is een verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het instellen van het rechtsmiddel slechts ontvankelijk indien het is ingesteld binnen een redelijke termijn na het tijdstip waarop de gedaagde kennis heeft gekregen van het verstekvonnis. De lidstaten kunnen in een verklaring op de voet van artikel 23 de maximale duur van deze termijn vaststellen, als deze maar niet korter is dan één jaar. Met betrekking tot de overeenkomstige regeling in het Haags betekeningsverdrag 1965 heeft Nederland deze termijn gesteld op één jaar (artikel 11 van de Uitvoeringswet Betekeningsverdrag 1965). Ook hier bestaat geen grond om thans een andere benadering te kiezen. Zulks is tot uitdrukking gebracht in een op de voet van artikel 23 van de verordening afgelegde verklaring aan de Europese Commissie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel