De aanvrager dient tijdens het praktijkexamen blijk te geven inzicht te hebben ten aanzien van de in artikel 3 genoemde handelingen en manoeuvres door middel van:
het letten op tekens en overige aanduidingen op de weg;
het tijdig en op juiste wijze geven van signalen aan de overige weggebruikers en tijdig en op juiste wijze te reageren op signalen van de overige weggebruikers;
het adequaat reageren in gevaarlijke situaties of op onjuist gedrag van derden;
het tijdig en op juiste wijze reageren op tekens en aanwijzingen van bevoegde personen;
het permanent rekening te houden met (mogelijke) andere weggebruikers, in het bijzonder kwetsbare weggebruikers als voetgangers, fietsers e.d;
rekening te houden met weg- en weersomstandigheden;
het op de juiste wijze verlenen van voorrang aan bestuurders en het voor laten gaan van weggebruikers die daar recht op hebben;
het innemen van de juiste plaats op de weg voor het uitvoeren van voorgenomen handelingen zoals inhalen, afslaan en stoppen, en het daarvoor geschikte dan wel bestemde weggedeelte te kiezen;
het houden van voldoende volgafstand ten opzichte van de overige bestuurders en weggebruikers;
te rijden met een veilige, aan de verkeersomstandigheden aangepaste snelheid en daarbij de geldende maximumsnelheid niet te overschrijden.
Artikel 4
Artikel 4
Onderdeel van Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën B en E bij B· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 30 september 2003