Als de bekostiging van de overheid aan universiteiten of hogescholen (rijksbijdrage) bijvoorbeeld wordt gebruikt:
in een privaatrechtelijke rechtspersoon (bijvoorbeeld een contractstichting), of
voor voorzieningen voor studenten (bijvoorbeeld huisvesting of sportfaciliteiten), of
om investeringen te doen in gebouwen in het buitenland, of
voor de ontwikkeling van onbekostigd onderwijs.
Het gaat hier uitdrukkelijk niet om investeringen die de instelling normaal doet in verband met het beheer en bestuur van de instelling (schoonmaak, huisvesting, catering, leveranciers etc). Het gaat om investeringen van een instelling in commerciële activiteiten voor of in samenwerking met derde, die op geen enkele wijze een relatie hebben met de kernactiviteiten onderwijs, onderzoek en kennisoverdracht.
Het besteden van de rijksbijdrage aan private activiteiten is (en blijft) volgens de wet toegestaan. Die activiteiten kunnen immers een bijdrage leveren aan de verhoging van de kwaliteit van het onderwijs of onderzoek, of aan de doelmatigheid of toegankelijkheid van het onderwijs.
Een universiteit of hogeschool mag publieke middelen aan private activiteiten besteden als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
De activiteit is in lijn met de werkzaamheden waarvoor de universiteit of hogeschool een rijksbijdrage van de overheid ontvangt. Als activiteiten worden uitbesteed aan een private rechtspersoon, blijft de universiteit of hogeschool verantwoordelijk voor de kwaliteit van de uitgevoerde activiteiten.
Uitgangspunt bij investeringen in private activiteiten is dat deze aansluiten op vastgestelde onderwijscurricula en onderzoekslijnen en deze ondersteunen.
Investeren in een private activiteit moet dus bijdragen aan:
de kwaliteitsverhoging van het onderwijs en / of het onderzoek; en / of
de kennisoverdracht aan de maatschappij; en / of
de doelmatigheid of toegankelijkheid van het onderwijs.
De investering moet in redelijke verhouding staan met wat de uitvoerder moet doen. Het is de verantwoordelijkheid van de universiteit of hogeschool om afspraken te maken die de kosten van de private partij dekken. Er mag door de investering geen concurrentievervalsing ontstaan.
Deze bovengenoemde voorwaarden dienen als uitspraak met ingang van 1 september 2003.
Artikel 3
Thema 2
Onderdeel van Notitie 'Helderheid in de bekostiging van het hoger onderwijs'· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 28 januari 2004