Examenprogramma vmbo

1 Preambule

De zes algemene onderwijsdoelen die voor alle vakken en profielen in het vmbo gelden, zijn:

  • - 1 Werken aan vakoverstijgende thema's

    De leerling leert, in het kader van een brede en evenwichtige oriëntatie op mens en samenleving, enig zicht te krijgen op relaties met de persoonlijke en maatschappelijke omgeving.

    Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan:

    • - 1.1 het kennen van en omgaan met eigen en andermans normen en waarden;
    • - 1.2 het onderkennen van en omgaan met de verschillen tussen de seksen;
    • - 1.3 de relatie tussen de mens en de natuur en het concept van duurzame ontwikkeling;
    • - 1.4 het functioneren als democratisch burger in een multiculturele samenleving, ook in internationaal verband;
    • - 1.5 het op een voor henzelf en anderen veilige manier functioneren in de beroepspraktijk en in eigen omgeving;
    • - 1.6 de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling, waaronder met name moderne informatie- en communicatietechnologie;
    • - 1.7 de maatschappelijke betekenis van betaalde en onbetaalde arbeid;
    • - 1.8 de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur, waaronder ook de media.
  • - 2 Leren uitvoeren

    De leerling leert in zoveel mogelijk herkenbare situaties, mede met gebruikmaking van ICT, een aantal schoolse vaardigheden verder te ontwikkelen.

    Het gaat daarbij om:

    • - 2.1 Nederlandse en Engelse teksten lezen en beluisteren;
    • - 2.2 schriftelijke en mondelinge teksten produceren in correct Nederlands;
    • - 2.3 informatie in verschillende gegevensbestanden opzoeken, selecteren, verzamelen en ordenen;
    • - 2.4 de rekenvaardigheden hoofdrekenen, rekenregels gebruiken, meten en schatten toepassen;
    • - 2.5 voldoen aan eisen van milieu, hygiëne, gezondheid en ergonomie;
    • - 2.6 doelmatig en veilig omgaan met materialen, gereedschappen en apparatuur;
    • - 2.7 Computervaardigheden.
  • - 3 Leren leren

    De leerling leert, mede met gebruikmaking van ICT, zoveel mogelijk eigen kennis en vaardigheden op te bouwen. Daartoe leert hij onder andere een aantal strategieën die het leer- en werkproces kunnen verbeteren.

    Het gaat daarbij om:

    • - 3.1 informatie beoordelen op betrouwbaarheid, representativiteit en bruikbaarheid, informatie verwerken en benutten;
    • - 3.2 strategieën gebruiken voor het aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden zoals memoriseren, aantekeningen maken, schematiseren, verbanden leggen met aanwezige kennis;
    • - 3.3 strategieën gebruiken voor het begrijpen van mondelinge en schriftelijke informatie;
    • - 3.4 op een doordachte wijze keuzeproblemen oplossen;
    • - 3.5 een eenvoudig bedrijfsmatig, natuurwetenschappelijk of maatschappelijk vraagstuk planmatig onderzoeken;
    • - 3.6 persoonlijke ervaringen en opdrachten van anderen verwerken in woord, klank, beeld en beweging;
    • - 3.7 op basis van argumenten tot een eigen standpunt komen.
  • - 4 Leren communiceren

    De leerling leert, mede via een proces van interactief leren, een aantal sociale en communicatieve vaardigheden verder te ontwikkelen.

    Het gaat daarbij om:

    • - 4.1 elementaire sociale conventies in acht nemen;
    • - 4.2 overleggen en samenwerken in teamverband;
    • - 4.3 passende gesprekstechnieken hanteren;
    • - 4.4 verschillen in meningen en opvattingen benoemen en hanteren;
    • - 4.5 culturele en seksegebonden verschillen tussen mensen benoemen en hanteren;
    • - 4.6 omgaan met formele en informele afspraken, regels en procedures;
    • - 4.7 zichzelf en eigen werk presenteren.
  • - 5 Leren reflecteren op het leer- en werkproces

    De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op en sturing te geven aan het eigen leer- en werkproces.

    Het gaat daarbij om:

    • - 5.1 een leer- en/of werkplanning maken;
    • - 5.2 het leer- en/of werkproces bewaken;
    • - 5.3 een eenvoudige product- en procesevaluatie maken en hieruit conclusies trekken.
  • - 6 Leren reflecteren op de toekomst

    De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op de eigen toekomstmogelijkheden en interesses. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan:

    • - 6.1 het inventariseren van de eigen mogelijkheden en interesses;
    • - 6.2 het onderzoeken van de mogelijkheden voor verdere studie;
    • - 6.3 het zicht krijgen op beroepen, de beroepspraktijk en actuele ontwikkelingen daarbinnen;
    • - 6.4 de rol en het belang van op school geleerde kennis, inzicht en vaardigheden voor het maatschappelijk leven, dagelijks leven, vrije tijd, vrijwilligerswerk;
    • - 6.5 de kenmerken van de arbeidsmarkt op dit moment en in de nabije toekomst;
    • - 6.6 de organisatie van branches en bedrijven;
    • - 6.7 het beoordelen van de eigen mogelijkheden en interesses in het licht van vervolgstudie, beroepen en maatschappelijk functioneren;
    • - 6.8 het kunnen maken van een verantwoorde keuze voor een vervolgopleiding.
    • - 6.9 Voor vmbo-tl: het kunnen vastleggen van de loopbaanontwikkeling in een loopbaandossier zoals bedoeld in bijlage 3.

2 Examenprogramma per vak

2.0 Leeswijzer

Hieronder worden de examenprogramma's per vak gedefinieerd in exameneenheden met de bijbehorende code. Elke exameneenheid bestaat uit één of meer eindtermen. In de kolommen achter de exameneenheden staat aangegeven door middel van een X voor welke leerweg de exameneenheid deel uitmaakt van het examenprogramma.

Het centraal examen voor een vak of programma per leerweg heeft betrekking op die exameneenheden die aangeduid zijn met CE. Het schoolexamen voor een bepaalde leerweg heeft voor de algemeen vormende vakken in ieder geval betrekking op exameneenheid K3 (Leervaardigheden) en voor de beroepsgerichte vakken op exameneenheid K2 (Professionele vaardigheden).

Daarnaast heeft het schoolexamen betrekking op:

  • - • ten minste die exameneenheden die deel uitmaken van het examenprogramma van deze leerweg voor zover zij niet deel uitmaken van het centraal examen voor die leerweg;
  • - • indien het bevoegd gezag daarvoor kiest, een of meer exameneenheden waarop het centraal examen betrekking heeft;
  • - • indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen die relevant zijn voor het betreffende vak of examenprogramma, die per kandidaat kunnen verschillen.

Het schoolvak wiskunde, genoemd in de paragrafen 2.13,1, 2.13.2 en 2.13.3, bestaat uit verschillende domeinen. Het examenprogramma bestaat uit zeven domeinen:

  • - • domein A: Domeinonafhankelijke ondersteunende vaardigheden;
  • - • domein B: Verhoudingen en procenten;
  • - • domein C: Grootheden en eenheden;
  • - • domein D: Kwantitatieve informatie en kansen;
  • - • domein E: Verbanden, verschijningsvormen en vergelijkingen;
  • - • domein F: Twee- en driedimensionale ruimte; en
  • - • domein G: Wiskundige oriëntatie.

Per (sub)domein is aangegeven welk onderdeel terugkomt in het schoolexamen (SE) of het centraal examen (CE). Vervolgens volgen de eindtermen. Per eindterm zijn een doelzin, een uitwerking (‘Het gaat hierbij om’) en een illustratie (‘Te denken valt aan’) opgenomen. De doelzin en uitwerking behoren tot het wettelijk deel en zijn dus verplicht; de illustraties behoren tot het niet-wettelijke deel en zijn ter inspiratie. Bij de eindterm staat of het om een beheersingsdoel (B) of een ervaringsdoel (E) gaat.

2.1 Nederlandse taal

Bij de uitvoering van het examenprogramma Nederlandse taal worden de referentieniveaus Nederlandse taal in acht genomen, bedoeld in artikel 2, onderdelen e en f, van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

BBKBGL/TL
NE/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van Nederlands in de maatschappij.XXX
NE/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, en informatie verwerven, verwerken en presenteren.XXX
NE/K/3Leervaardigheden in het vak NederlandsCECECE
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek-en gespreksdoelen de bevordering van het eigen taalleerproces het compenseren van eigen tekortschietende taalkennis of communicatieve kennis.XXX
NE/K/4Luister- en kijkvaardigheid ¹CECECE
De kandidaat kan: luister- en kijkstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren het doel van de makers van een programma aangeven de belangrijkste elementen van een programma weergeven een oordeel geven over een programma en dit toelichten een instructie uitvoeren.X
De kandidaat kan: luister- en kijkstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren het doel van de makers van een programma aangeven de belangrijkste elementen van een programma weergeven een oordeel geven over een programma en dit toelichten een instructie uitvoeren de waarde en betrouwbaarheid aangeven van de informatie die door de massamedia verspreid wordt.XX
NE/K/5Spreek- en gespreksvaardigheid
De kandidaat kan: relevante informatie verzamelen en verwerken ten behoeve van de spreek- en gesprekssituatie strategieën hanteren ten behoeve van de spreek- en gesprekssituatie compenserende strategieën kiezen en hanteren het spreek-/luisterdoel in de situatie tot uitdrukking brengen het spreek-/luisterdoel en taalgebruik richten op verschillende soorten publiek het spreekdoel van anderen herkennen en de reacties van anderen inschatten in spreek- en gesprekssituaties taalvarianten herkennen en daar adequaat op inspelen.XXX
NE/K/6LeesvaardigheidCECECE
De kandidaat kan: leesstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen het schrijfdoel van de auteur aangeven een tekst indelen in betekenisvolle eenheden en de relaties tussen die eenheden benoemen het hoofdonderwerp en de hoofdgedachte van een tekst aangeven een oordeel geven over de tekst en dit oordeel toelichten.X
De kandidaat kan: leesstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen het schrijfdoel van de auteur aangeven en de talige middelen die hij hanteert om dit doel te bereiken een tekst indelen in betekenisvolle eenheden en de relaties tussen die eenheden benoemen het hoofdonderwerp en de hoofdgedachte van een tekst aangeven en een samenvatting geven een oordeel geven over de tekst en dit oordeel toelichten.XX
NE/K/7SchrijfvaardigheidCECECE
De kandidaat kan: relevante informatie verzamelen en verwerken ten behoeve van het schrijven schrijfstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren het schrijfdoel in teksten tot uitdrukking brengen het schrijfdoel en taalgebruik richten op verschillende soorten lezerspubliek conventies hanteren met betrekking tot schriftelijk taalgebruik elektronische hulpmiddelen gebruiken bij het schrijven concepten van de tekst herschrijven op basis van geleverd commentaar.XXX
NE/K/8Fictie
De kandidaat kan: verschillende soorten fictiewerken herkennen de situatie en het denken en handelen van de personages in het fictiewerk beschrijven de relatie tussen het fictiewerk en de werkelijkheid toelichten een persoonlijke reactie geven op een fictiewerk en deze toelichten met voorbeelden uit het werk.X
De kandidaat kan: verschillende soorten fictiewerken herkennen de situatie en het denken en handelen van de personages in het fictiewerk beschrijven de relatie tussen het fictiewerk en de werkelijkheid toelichten kenmerken van fictie in het fictiewerk aanwijzen relevante achtergrondinformatie verzamelen en selecteren een persoonlijke reactie geven op een fictiewerk en deze toelichten met voorbeelden uit het werk.XX
NE/V/1Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
NE/V/2Schrijven op basis van documentatie
De kandidaat kan een doel- en publiekgerichte tekst schrijven: overeenkomstig de voor de tekstsoort geldende conventies onder gebruikmaking van documentatie.X
NE/V/3Vaardigheden in samenhang
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

¹ Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op NE/K/4; dit kan per leerweg verschillen.

2.2 Franse taal

BBKBGL/TL
MVT/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van de Moderne Vreemde Talen in de maatschappij.XXX
MVT/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven, verwerken en presenteren.XXX
MVT/K/3Leervaardigheden in de Moderne Vreemde TalenCECECE
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek-en gespreksdoelen de bevordering van het eigen taalleerproces het compenseren van eigen tekortschietende taalkennis of communicatieve kennis. kennis van land en samenleving toepassen bij het herkennen van cultuuruitingen.XXX
MVT/K/4LeesvaardigheidCECECE
De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven gegevens uit één of meer teksten met elkaar vergelijken en daaruit conclusies trekken verbanden tussen delen van een tekst aangeven.XXX
MVT/K/5Luister- en kijkvaardigheid ¹CECECE
De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek.XXX
MVT/K/6Gespreksvaardigheid
De kandidaat kan: adequaat reageren in veel voorkomende sociale contacten, zoals begroeten informatie geven en vragen naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven uitdrukking geven aan en vragen naar (persoonlijke) gevoelens een persoon, object of gebeurtenis, ook uit het verleden en in de toekomst, beschrijven.XXX
MVT/K/7Schrijfvaardigheid ²CECECE
De kandidaat kan: (persoonlijke) gegevens verstrekken een kort bedankje, groet of goede wensen schriftelijk overbrengen een briefje schrijven om informatie te vragen of te geven, om verzoeken of voorstellen te doen of daarop te reageren, om gevoelens te uiten en ernaar te vragen op eenvoudig niveau briefconventies gebruiken.XXX
MVT/V/1Leesvaardigheid
De kandidaat kan: het gebruik van speciale stijlmiddelen herkennen conclusies trekken met betrekking tot het schrijfdoel, de opvattingen, de gevoelens van de auteur en tot het beoogde publiek.X
MVT/V/2Schrijfvaardigheidnvtnvtnvt
–
MVT/V/3Kennis van land en samenlevingCE
De kandidaat kan kennis van land en samenleving rond bepaalde onderwerpen toepassen bij het herkennen en interpreteren van cultuuruitingen die specifiek zijn voor het taalgebied of daarmee in directe relatie staan.X
MVT/V/4Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
MVT/V/5Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

¹ Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/5; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

² Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/7; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

2.3 Duitse taal

BBKBGL/TL
MVT/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van de Moderne Vreemde Talen in de maatschappij.XXX
MVT/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven, verwerken en presenteren.XXX
MVT/K/3Leervaardigheden in de Moderne Vreemde TalenCECECE
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek-en gespreksdoelen de bevordering van het eigen taalleerproces het compenseren van eigen tekortschietende taalkennis of communicatieve kennis. kennis van land en samenleving toepassen bij het herkennen van cultuuruitingen.XXX
MVT/K/4LeesvaardigheidCECECE
De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven gegevens uit één of meer teksten met elkaar vergelijken en daaruit conclusies trekken verbanden tussen delen van een tekst aangeven.XXX
MVT/K/5Luister- en kijkvaardigheid ¹CECECE
De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek.XXX
MVT/K/6Gespreksvaardigheid
De kandidaat kan: adequaat reageren in veel voorkomende sociale contacten, zoals begroeten informatie geven en vragen naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven uitdrukking geven aan en vragen naar (persoonlijke) gevoelens een persoon, object of gebeurtenis, ook uit het verleden en in de toekomst, beschrijven.XXX
MVT/K/7Schrijfvaardigheid ²CECECE
De kandidaat kan: (persoonlijke) gegevens verstrekken een kort bedankje, groet of goede wensen schriftelijk overbrengen een briefje schrijven om informatie te vragen of te geven, om verzoeken of voorstellen te doen of daarop te reageren, om gevoelens te uiten en ernaar te vragen op eenvoudig niveau briefconventies gebruiken.XXX
MVT/V/1Leesvaardigheid
De kandidaat kan: het gebruik van speciale stijlmiddelen herkennen conclusies trekken met betrekking tot het schrijfdoel, de opvattingen, de gevoelens van de auteur en tot het beoogde publiek.X
MVT/V/2Schrijfvaardigheidnvtnvtnvt
MVT/V/3Kennis van land en samenlevingCE
De kandidaat kan kennis van land en samenleving rond bepaalde onderwerpen toepassen bij het herkennen en interpreteren van cultuuruitingen die specifiek zijn voor het taalgebied of daarmee in directe relatie staan.X
MVT/V/4Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
MVT/V/5Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

¹ Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/5; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

² Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/7; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

2.4 Engelse taal

BBKBGL/TL
MVT/K/1Oriëntatie op leren en werken
1.De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van de Moderne Vreemde Talen in de maatschappij.XXX
MVT/K/2Basisvaardigheden
2.De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven, verwerken en presenterenXXX
MVT/K/3Leervaardigheden in de Moderne Vreemde TalenCECECE
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:XXX
3.− het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek-en gespreksdoelen
− de bevordering van het eigen taalleerproces
− het compenseren van eigen tekortschietende taalkennis of communicatieve kennis.
− kennis van land en samenleving toepassen bij het herkennen van cultuuruitingen
MVT/K/4LeesvaardigheidCECECE
De kandidaat kan:XXX
4.− aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte
− de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven
− de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven
− gegevens uit één of meer teksten met elkaar vergelijken en daaruit conclusies trekken
− verbanden tussen delen van een tekst aangeven.
MVT/K/5Luister- en kijkvaardigheid [1]CECECE
De kandidaat kan:XXX
5.− aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte
− de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven
− de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven
− anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek.
MVT/K/6Gespreksvaardigheid
De kandidaat kan:XXX
6.− adequaat reageren in veel voorkomende sociale contacten, zoals begroeten
− informatie geven en vragen
− naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven
− uitdrukking geven aan en vragen naar (persoonlijke) gevoelens
− een persoon, object of gebeurtenis, ook uit het verleden en in de toekomst, beschrijven.
MVT/K/7Schrijfvaardigheid [2]BBKBGL/TL
CECECE
De kandidaat kan:XXX
7.− (persoonlijke) gegevens verstrekken
− een kort bedankje, groet of goede wensen schriftelijk overbrengen
− een briefje schrijven om informatie te vragen of te geven, om verzoeken of voorstellen te doen of daarop te reageren, om gevoelens te uiten en ernaar te vragen
− op eenvoudig niveau briefconventies gebruiken.
MVT/V/1LeesvaardigheidCE
8.De kandidaat kan:X
− het gebruik van speciale stijlmiddelen herkennen
− conclusies trekken met betrekking tot het schrijfdoel, de opvattingen, de gevoelens van de auteur en tot het beoogde publiek.
MVT/V/3Kennis van land en samenlevingCE
9.De kandidaat kan kennis van land en samenleving rond bepaalde onderwerpen toepassen bij het herkennen en interpreteren van cultuuruitingen die specifiek zijn voor het taalgebied of daarmee in directe relatie staan.X
MVT/V/4Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
10.De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
MVT/V/5Vaardigheden in samenhangCE
11.De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

[1] Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/5; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

[2] Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/7; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

2.5 Spaanse taal

BBKBGL/TL
MVT/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van de Moderne Vreemde Talen in de maatschappij.XXX
MVT/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven, verwerken en presenteren.XXX
MVT/K/3Leervaardigheden in de Moderne Vreemde TalenCECECE
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek-en gespreksdoelen de bevordering van het eigen taalleerproces het compenseren van eigen tekortschietende taalkennis of communicatieve kennis. kennis van land en samenleving toepassen bij het herkennen van cultuuruitingenXXX
MVT/K/4LeesvaardigheidCECECE
De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven gegevens uit één of meer teksten met elkaar vergelijken en daaruit conclusies trekken verbanden tussen delen van een tekst aangeven.XXX
MVT/K/5Luister- en kijkvaardigheid ¹CECECE
De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek.XXX
MVT/K/6Gespreksvaardigheid
De kandidaat kan: adequaat reageren in veel voorkomende sociale contacten, zoals begroeten informatie geven en vragen naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven uitdrukking geven aan en vragen naar (persoonlijke) gevoelens een persoon, object of gebeurtenis, ook uit het verleden en in de toekomst, beschrijven.XXX
MVT/K/7Schrijfvaardigheid ²CECECE
De kandidaat kan: (persoonlijke) gegevens verstrekken een kort bedankje, groet of goede wensen schriftelijk overbrengen een briefje schrijven om informatie te vragen of te geven, om verzoeken of voorstellen te doen of daarop te reageren, om gevoelens te uiten en ernaar te vragen op eenvoudig niveau briefconventies gebruiken.XXX
MVT/V/1Leesvaardigheid
De kandidaat kan: het gebruik van speciale stijlmiddelen herkennen conclusies trekken met betrekking tot het schrijfdoel, de opvattingen, de gevoelens van de auteur en tot het beoogde publiek.X
MVT/V/2Schrijfvaardigheidnvtnvtnvt
–
MVT/V/3Kennis van land en samenlevingCE
De kandidaat kan kennis van land en samenleving rond bepaalde onderwerpen toepassen bij het herkennen en interpreteren van cultuuruitingen die specifiek zijn voor het taalgebied of daarmee in directe relatie staan.X
MVT/V/4Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
MVT/V/5Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

¹ Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/5; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

² Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/7; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

2.6 Turkse taal

BBKBGL/TL
MVT/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van de Moderne Vreemde Talen in de maatschappij.XXX
MVT/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven, verwerken en presenteren.XXX
MVT/K/3Leervaardigheden in de Moderne Vreemde TalenCECECE
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek-en gespreksdoelen de bevordering van het eigen taalleerproces het compenseren van eigen tekortschietende taalkennis of communicatieve kennis. kennis van land en samenleving toepassen bij het herkennen van cultuuruitingenXXX
MVT/K/4LeesvaardigheidCECECE
De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven gegevens uit één of meer teksten met elkaar vergelijken en daaruit conclusies trekken verbanden tussen delen van een tekst aangeven.XXX
MVT/K/5Luister- en kijkvaardigheid ¹CECECE
De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek.XXX
MVT/K/6Gespreksvaardigheid
De kandidaat kan: adequaat reageren in veel voorkomende sociale contacten, zoals begroeten informatie geven en vragen naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven uitdrukking geven aan en vragen naar (persoonlijke) gevoelens een persoon, object of gebeurtenis, ook uit het verleden en in de toekomst, beschrijven.XXX
MVT/K/7Schrijfvaardigheid ²CECECE
De kandidaat kan: (persoonlijke) gegevens verstrekken een kort bedankje, groet of goede wensen schriftelijk overbrengen een briefje schrijven om informatie te vragen of te geven, om verzoeken of voorstellen te doen of daarop te reageren, om gevoelens te uiten en ernaar te vragen op eenvoudig niveau briefconventies gebruiken.XXX
MVT/V/1Leesvaardigheid
De kandidaat kan: het gebruik van speciale stijlmiddelen herkennen conclusies trekken met betrekking tot het schrijfdoel, de opvattingen, de gevoelens van de auteur en tot het beoogde publiek.X
MVT/V/2Schrijfvaardigheidnvtnvtnvt
–
MVT/V/3Kennis van land en samenlevingCE
De kandidaat kan kennis van land en samenleving rond bepaalde onderwerpen toepassen bij het herkennen en interpreteren van cultuuruitingen die specifiek zijn voor het taalgebied of daarmee in directe relatie staan.X
MVT/V/4Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
MVT/V/5Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

¹ Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/5; deze bepaling kan per leerweg verschillen

² Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/7; deze bepaling kan per leerweg verschillen.

2.7 Arabische taal

BBKBGL/TL
MVT/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van de Moderne Vreemde Talen in de maatschappij.XXX
MVT/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven, verwerken en presenteren.XXX
MVT/K/3Leervaardigheden in de Moderne Vreemde TalenCECECE
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek-en gespreksdoelen de bevordering van het eigen taalleerproces het compenseren van eigen tekortschietende taalkennis of communicatieve kennis. kennis van land en samenleving toepassen bij het herkennen van cultuuruitingenXXX
MVT/K/4LeesvaardigheidCECECE
De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven gegevens uit één of meer teksten met elkaar vergelijken en daaruit conclusies trekken verbanden tussen delen van een tekst aangeven.XXX
MVT/K/5Luister- en kijkvaardigheid ¹CECECE
De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek.XXX
MVT/K/6Gespreksvaardigheid
De kandidaat kan: adequaat reageren in veel voorkomende sociale contacten, zoals begroeten informatie geven en vragen naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven uitdrukking geven aan en vragen naar (persoonlijke) gevoelens een persoon, object of gebeurtenis, ook uit het verleden en in de toekomst, beschrijven.XXX
MVT/K/7Schrijfvaardigheidnvtnvtnvt
–
MVT/V/1Leesvaardigheid
De kandidaat kan: het gebruik van speciale stijlmiddelen herkennen conclusies trekken met betrekking tot het schrijfdoel, de opvattingen, de gevoelens van de auteur en tot het beoogde publiek.X
MVT/V/2Schrijfvaardigheidnvtnvtnvt
–
MVT/V/3Kennis van land en samenlevingCE
De kandidaat kan kennis van land en samenleving rond bepaalde onderwerpen toepassen bij het herkennen en interpreteren van cultuuruitingen die specifiek zijn voor het taalgebied of daarmee in directe relatie staan.X
MVT/V/4Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
MVT/V/5Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

¹ Het CvTE kan bepalen dat het centraal examen geen betrekking heeft op MVT/K/5; deze bepaling kan per leerweg verschillen

2.8 Friese taal en cultuur

BBKBGL/TL
FR/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van Fries in cultuur en maatschappij.XXX
FR/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, en informatie verwerven, verwerken en presenteren.XXX
FR/K/3Leervaardigheden in het vak FriesCE
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek- en gespreksdoelen de bevordering van het eigen taalleerproces het compenseren van eigen tekortschietende taalkennis of communicatieve kennis.XXX
FR/K/4Luister- en kijkvaardigheid
De kandidaat kan: luister- en kijkstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren het doel van de makers van een programma aangeven de belangrijkste elementen van een programma weergeven een oordeel geven over een programma en dit toelichten een instructie uitvoeren.X
De kandidaat kan: luister- en kijkstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren het doel van de makers van een programma aangeven de belangrijkste elementen van een programma weergeven een oordeel geven over een programma en dit toelichten een instructie uitvoeren de waarde en betrouwbaarheid aangeven van de informatie die door de massamedia verspreid wordt.XX
FR/K/5Spreek- en gespreksvaardigheid
De kandidaat kan: relevante informatie verzamelen en verwerken ten behoeve van de spreek- en gesprekssituatie strategieën hanteren ten behoeve van de spreek- en gesprekssituatie compenserende strategieën kiezen en hanteren het spreek-/luisterdoel in de situatie tot uitdrukking brengen het spreek-/luisterdoel en taalgebruik richten op verschillende soorten publiek het spreekdoel van anderen herkennen en de reacties van anderen inschatten in spreek- en gesprekssituaties in Friesland voorkomende taalvarianten herkennen en daar adequaat op inspelen.XXX
FR/K/6LeesvaardigheidCE
De kandidaat kan: leesstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen het schrijfdoel van de auteur aangeven een tekst indelen in betekenisvolle eenheden en de relaties tussen die eenheden benoemen het hoofdonderwerp en de hoofdgedachte van een tekst aangeven een oordeel geven over de tekst en dit oordeel toelichten.X
De kandidaat kan: leesstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen het schrijfdoel van de auteur aangeven en de talige middelen die hij hanteert om dit doel te bereiken een tekst indelen in betekenisvolle eenheden en de relaties tussen die eenheden benoemen het hoofdonderwerp en de hoofdgedachte van een tekst aangeven en een samenvatting geven een oordeel geven over de tekst en dit oordeel toelichten.XX
FR/K/7Schrijfvaardigheid
De kandidaat kan: relevante informatie verzamelen en verwerken ten behoeve van het schrijven schrijfstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren het schrijfdoel in teksten tot uitdrukking brengen het schrijfdoel en taalgebruik richten op verschillende soorten lezerspubliek conventies hanteren met betrekking tot schriftelijk taalgebruik elektronische hulpmiddelen gebruiken bij het schrijven concepten van de tekst herschrijven op basis van geleverd commentaar.XXX
FR/K/8Fictie
De kandidaat kan: verschillende soorten fictiewerken herkennen de situatie en het denken en handelen van de personages in het fictiewerk beschrijven de relatie tussen het fictiewerk en de werkelijkheid toelichten een persoonlijke reactie geven op een fictiewerk en deze toelichten met voorbeelden uit het werk.X
De kandidaat kan: verschillende soorten fictiewerken herkennen de situatie en het denken en handelen van de personages in het fictiewerk beschrijven de relatie tussen het fictiewerk en de werkelijkheid toelichten kenmerken van fictie in het fictiewerk aanwijzen relevante achtergrondinformatie verzamelen en selecteren een persoonlijke reactie geven op een fictiewerk en deze toelichten met voorbeelden uit het werk.XX
FR/V/1Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
FR/V/2Vaardigheden in samenhang
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

2.8 Fryske taal en kultuer

BBKBML/TL
FR/K/1Oriïntaasje op learen en wurkjen
De kandidaat kin him oriïntearje op de eigen karriêre en it belang fan Frysk yn kultuer en maatskippij.XXX
FR/K/2Basisfeardichheden
De kandidaat kin basisfeardichheden tapasse dy’t slaan op kommunisearje, gearwurkje en ynformaasje ynwinne, ferwurkje en presintearje.XXX
FR/K/3Learfeardichheden yn it fak FryskSE
De kandidaat kin strategyske feardichheden tapasse dy’t bydrage ta: it slagjen fan ferskillende lês-, skriuw-, hark- en sjoch-, en praat- en peteardoelen fuortsterking fan it eigen taallearproses it kompensearjen fan eigen net tarikkende taalkennis of kommunikative kennis.XXX
FR/K/4Hark- en sjochfeardichheid
De kandidaat kin: hark- en sjochstrategyen hantearje kompensearjende strategyen kieze en hantearje it doel fan de programmamakkers oantsjutte de wichtichste eleminten fan in programma werjaan in oardiel oer in programma jaan en dat taljochtsje in ynstruksje útfiere.X
De kandidaat kin: hark- en sjochstrategyen hantearje kompensearjende strategyen kieze en hantearje it doel fan programmamakkers oantsjutte de wichtichste eleminten fan in programma werjaan in oardiel oer in programma jaan en dat taljochtsje in ynstruksje útfiere it belang en de betrouberens fan de ynformaasje oantsjutte dy’t troch de massamedia ferspried wurdt.XX
FR/K/5Sprek- en praatfeardicheid
De kandidaat kin: relevante ynformaasje sammelje en ferwurkje foar de sprek- en praatsituaasje strategyen hantearje foar de sprek- en praatsituaasje kompensearjende strategyen kieze en hantearje it praat-/harkdoel yn de situaasje ta útdrukking bringe it praat-/harkdoel en taalgebrûk rjochtsje op ferskillende soarten publyk it praatdoel fan oaren werkenne en de reaksjes fan oaren taksearje yn sprek- en praatsituaasjes de yn Fryslân foarkommende taalfarianten werkenne en dêr adekwaat op ynspylje.XXX
FR/K/6LêsfeardichheidSE
De kandidaat kin: lêsstrategyen hantearje kompensearjende strategyen kieze en hantearje funksje fan byld en opmaak yn in werkenne it skriuwdoel fan de auteur oantsjutte in tekst yndiele yn betsjuttingsfolle ienheden en de relaasjes tusken dizze ienheden beneame it haadûnderwerp en de haadgedachte fan in tekst oantsjutte in oardiel jaan oer de tekst en dat oardiel taljochtsje.X
De kandidaat kin: lêsstrategyen hantearje kompensearjende strategyen kieze en hantearje funksje fan byld en opmaak yn in tekst werkenne it skriuwdoel fan de auteur oantsjutte en de talige middels dy’t er hantearret om ta dat doel te kommen in tekst yndiele yn betsjuttingsfolle ienheden en de relaasjes tusken dizze ienheden beneame it haadûnderwerp en de haadgedachte fan in tekst oantsjutte en in gearfetting jaan in oardiel oer de tekst jaan en dat oardiel taljochtsje.XX
FR/K/7SkriuwfeardichheidSE
De kandidaat kin: relevante ynformaasje sammelje en ferwurkje foar it skriuwen skriuwstrategyen hantearje kompensearjende strategyen kieze en hantearje it skriuwdoel yn teksten ta útdrukking bringe it skriuwdoel en taalgebrûk rjochtsje op ferskillende soarten lêzerspublyk konvinsjes hantearje oangeande it skriftlik taalgebrûk elektroanyske helpmiddels brûke by it skriuwen konsepten fan de tekst op ‘e nij skriuwe op basis fan levere kommentaar.XXX
FR/K/8Fiksje
De kandidaat kin: ferskillende soarten fiksjewurken werkenne de situaasje en it tinken en handeljen fan de personaazjes yn it fiksjewurk beskriuwe de relaasje tusken it fiksjewurk en de werklikheid taljochtsje in persoanlike reaksje jaan op in fiksjewurk en dy taljochtsje mei foarbylden út it wurk.X
De kandidaat kin: ferskillende soarten fiksjewurken werkenne de situaasje en it tinken en handeljen fan de personaazjes yn it fiksjewurk beskriuwe de relaasje tusken it fiksjewurk en de werklikheid taljochtsje kenmerken fan fiksje yn it fiksjewurk oanwize relevante achtergrûnynformaasje sammelje en selektearje in persoanlike reaksje jaan op in fiksjewurk en dy taljochtsje mei foarbylden út it wurk.XX
FR/F/1Ynwinne, ferwurkje en jaan fan ynformaasje
De kandidaat kin selsstannich ynformaasje ynwinne, ferwurkje en jaan yn it kader fan it sektorwurkstik.X
FR/F/2Feardichheden yn gearhing
De kandidaat kin de feardichheden út it kearndiel yn gearhing tapasse.X

2.9 maatschappijleer

BBKBGL/TL
ML1/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van maatschappijleer in de maatschappij.XXX
ML1/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.XXX
ML1/K/3Leervaardigheden in het vak maatschappijleer
De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk: principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.XXX
ML1/K/4Cultuur en socialisatie
De kandidaat kan: beschrijven hoe een mens zich ontwikkelt tot lid van de samenleving uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heeft op het gedrag de rol van onderwijs beschrijven in de ontwikkeling van een mens als lid van de samenleving.X
De kandidaat kan: beschrijven hoe een mens zich ontwikkelt tot lid van de samenleving en de invloed van het socialisatieproces herkennen en beschrijven uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heeft op het gedrag en socialisatieproces de rol van onderwijs (als socialiserende instantie) beschrijven in de ontwikkeling van een mens als lid van de samenleving.XX
ML1/K/5Sociale verschillen
De kandidaat kan: met voorbeelden beschrijven wat sociale verschillen zijn en hoe die veroorzaakt worden, en beschrijven hoe de plaats van een mens op de maatschappelijke ladder kan veranderen voorbeelden geven van belangen van mensen in een bepaalde maatschappelijke positie en van conflicten die daarmee samenhangen maatregelen van de overheid ten aanzien van sociale ongelijkheid noemen.X
De kandidaat kan: met voorbeelden beschrijven wat sociale verschillen zijn en hoe die veroorzaakt worden, en beschrijven/uitleggen hoe de plaats van een mens op de maatschappelijke ladder kan veranderen (sociale mobiliteit) beschrijven en uitleggen dat mensen vanuit hun maatschappelijke posities belangen hebben en hoe daardoor conflicten kunnen ontstaan overheidsbeleid ten aanzien van sociale ongelijkheid beschrijven en verklaren.XX
ML1/K/6Macht en zeggenschap
De kandidaat kan: vormen van macht herkennen beschrijven hoe regels het samenleven van mensen mogelijk maken beschrijven welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen.X
De kandidaat kan: vormen van macht en machtsmiddelen herkennen, beschrijven en verklaren beschrijven en uitleggen hoe regels het samenleven van mensen mogelijk maken beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten.XX
ML1/K/7Beeldvorming en stereotypering
De kandidaat kan: beschrijven hoe mensen bij het vormen van hun meningen beïnvloed worden door selectie van informatie uitingen van vooroordelen en beeldvorming ten aanzien van mannen en vrouwen in de samenleving herkennen en benoemen voorbeelden noemen van vooroordelen en discriminatie, beschrijven hoe deze ontstaan en aangeven wat er tegen te doen is van een bepaald sociaal probleem beschrijven hoe de beeldvorming erover tot stand komt/gekomen is.X
De kandidaat kan: aangeven dat selectieve waarneming een rol speelt in het proces van beeld- en meningsvorming uitingen van vooroordelen en beeldvorming ten aanzien van mannen en vrouwen in de samenleving herkennen en benoemen beschrijven hoe men uitingen van vooroordelen en discriminatie tegemoet kan treden vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect van een bepaald sociaal probleem beschrijven hoe de beeldvorming erover tot stand komt/gekomen is.XX

2.10 maatschappijkunde

BBKBGL/TL
ML2/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van maatschappijkunde verwoorden.XXX
ML2/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.XXX
ML2/K/3Leervaardigheden in het vak maatschappijkundeCECECE
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: informatie verwerven en daarbij gebruik maken van verschillende informatiebronnen zelf verzamelde of aangereikte informatie over maatschappelijke verschijnselen/vraagstukken verwerken en interpreteren op basis van vakinhoudelijke kennis de principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijkunde herkennen in een tekst over een maatschappelijk vraagstuk of verschijnsel een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven.X
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: ten aanzien van maatschappelijke vraagstukken verschillende typen vragen herkennen en zo zelfstandig mogelijk formuleren bij gegeven of zelf geformuleerde vragen informatie verwerven en daarbij gebruik maken van verschillende informatiebronnen aangereikte informatie over maatschappelijke verschijnselen/vraagstukken verwerken en interpreteren op basis van vakinhoudelijke kennis de principes en procedures die horen bij de benaderingswijze van het vak maatschappijkunde herkennen in informatiebronnen over een maatschappelijk vraagstuk, of toepassen op een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven.XX
ML2/K/4Politiek en beleidCECECE
De kandidaat kan: Nederland typeren als een parlementaire democratie in een rechtsstaat uitleggen op welke wijze overheidsbeleid tot stand komt, de invloed van de Europese Unie daarin herkennen en noemen/herkennen hoe Europese besluiten tot stand komen mogelijkheden beschrijven die individuele burgers en belangen- of pressiegroepen hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden van politieke partijen en stromingen standpunten en de uitgangspunten noemen en herkennen.X
De kandidaat kan: Nederland typeren als een parlementaire democratie in een rechtsstaat en als een constitutionele monarchie uitleggen op welke wijze overheidsbeleid tot stand komt, de invloed van de Europese Unie daarin aangeven/herkennen, en noemen/herkennen hoe Europese besluiten tot stand komen mogelijkheden beschrijven die individuele burgers en belangen- of pressiegroepen hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden van politieke partijen en stromingen standpunten en de uitgangspunten herkennen, noemen en verklaren.XX
ML2/K/5Mens en werk
De kandidaat kan: functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen de rol van de overheid ten aanzien van arbeid en de kenmerken van de verzorgingsstaat herkennen herkennen wat de invloed is van arbeidsverdeling op de sociale ongelijkheid op het gebied van arbeid verschillende belangen en belangenorganisaties herkennen en aangeven welke middelen er zijn om voor belangen op te komen in overleg- en conflictsituaties oorzaken en gevolgen van veranderingen op de arbeidsmarkt noemen.X
De kandidaat kan: de functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen en beschrijven, en factoren noemen die van invloed zijn op de cultuur van een bedrijf de rol van de overheid ten aanzien van arbeid en de problematiek van de verzorgingsstaat herkennen en beschrijven uitleggen welke invloed maatschappelijke arbeidsverdeling heeft op de sociale ongelijkheid in de samenleving een beschrijving geven van de arbeidsverhoudingen in Nederland oorzaken en gevolgen van veranderingen op de arbeidsmarkt noemen en verklaren.XX
ML2/K/6De multiculturele samenleving
De kandidaat kan: Nederland als multiculturele samenleving typeren en het overheidsbeleid ten aanzien hiervan herkennen en beschrijven de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven aangeven hoe met uitingen van vooroordelen en discriminatie kan worden omgegaan vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect.X
De kandidaat kan: de culturele differentiatie in Nederland beschrijven en ontwikkelingen daarin noemen, alsmede het overheidsbeleid en visies ten aanzien van de multiculturele samenleving beschrijven de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven en verklaren aangeven hoe met uitingen van vooroordelen en discriminatie kan worden omgegaan vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect.XX
ML2/K/7Massamedia
De kandidaat kan: de betekenis van massamedia voor de samenleving herkennen factoren en ontwikkelingen herkennen en noemen als het gaat om de inhoud en programmering van massamedia, en nieuwsvoorziening kritisch beoordelen in voorbeelden de rol herkennen die media kunnen vervullen bij beeldvorming (waaronder vooroordelen en stereotypen), en bij de overdracht van waarden en normen informatie vergelijken van verschillende media en verschillen daarin herkennen.X
De kandidaat kan: de betekenis van massamedia voor de samenleving herkennen en beschrijven factoren en ontwikkelingen herkennen en noemen als het gaat om de inhoud en programmering van massamedia, en nieuwsvoorziening kritisch beoordelen benoemen wat de rol van de media is bij beeldvorming en aangeven hoe er sprake is van beïnvloeding door massamedia informatie vergelijken van verschillende media en verschillen daarin verklaren.XX
ML2/K/8Criminaliteit en rechtsstaatCECECE
De kandidaat kan: de aard, ontwikkeling en omvang van criminaliteit als maatschappelijk probleem herkennen en beschrijven kenmerken van de rechtsstaat herkennen in het straf- en procesrecht, en de doelen van straffen en maatregelen onderscheiden oorzaken van criminaliteit herkennen de rol van overheidsorganen ter bestrijding van criminaliteit aangeven en verschillende beleidsmaatregelen onderscheiden de doelen van straffen en maatregelen onderscheiden.X
De kandidaat kan: de aard, ontwikkeling en omvang van criminaliteit als maatschappelijk probleem herkennen en beschrijven principes van de rechtsstaat herkennen in het straf- en procesrecht oorzaken van criminaliteit herkennen en beschrijven de rol van overheidsorganen ter bestrijding van criminaliteit aangeven, verschillende beleidsmaatregelen en kenmerkende visies van politieke stromingen onderscheiden, en effectiviteit en wenselijkheid van beleidsmaatregelen beoordelen de doelen van straffen en maatregelen onderscheiden.XX
ML2/V/1Analyse maatschappelijk vraagstukCE
De kandidaat kan een maatschappelijk vraagstuk gerelateerd aan de exameneenheden analyseren door verbanden tussen de thema’s uit de eindtermen te leggen en door de benaderingswijze van maatschappijkunde erop toe te passen.X
ML2/V/2Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
ML2/V/3Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

2.11 kunstvakken inclusief ckv

BBKBGL/TL
KV/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van kunst en cultuur in de maatschappij.xxx
KV/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerking en informatie verwerven en verwerken.xxx
KV/K/3Culturele en kunstzinnige vorming en verdieping
De kandidaat kan zich een beeld vormen van het culturele en kunstzinnige veld door te kiezen voor en actief deel te nemen aan ten minste 4 culturele en kunstzinnige activiteiten die gerelateerd zijn aan verschillende kunstvakken (zoals bijvoorbeeld beeldende vorming, muziek, dans en drama). Ten minste één kunstzinnige activiteit resulteert in de productie en presentatie van eigen werk.xxx
KV/K/4Reflectie en kunstdossier
De kandidaat kan zijn culturele en kunstzinnige ontwikkeling inzichtelijk maken in een kunstdossier, waarvan de vorm door de school en de leerling tezamen bepaald wordt. Hij kan daarmee verslag doen van alle activiteiten die zijn ondernomen en hierop reflecteren.xxx

2.12 lichamelijke opvoeding 1

BBKBGL/TL
LO1/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan het belang van bewegen en sport binnen de eigen loopbaan en in de maatschappij verwoorden.XXX
LO1/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan in bewegingssituaties basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, zelfstandig (samen)werken en informatie verwerven en verwerken.XXX
LO1/K/3Leervaardigheden in het vak lichamelijke opvoeding
De kandidaat ontwikkelt zich ten aanzien van een aantal vaardigheden in bewegen en sport die bijdragen tot de ontwikkeling van de eigen leerkansen, zoals: Kunnen omgaan met regels en een bijdrage leveren aan een sportief verloop en aan de veiligheid van zichzelf en anderen Eenvoudige regeltaken uitvoeren om samen bewegingssituaties op gang te kunnen brengen en houden In bewegingssituaties kunnen omgaan met elementen als lukken en mislukken en winst en verlies Verschillen in prestatieniveau, motieven, interesses, culturele achtergronden en geslacht hanteren binnen bewegingssituaties Oriënteren op de eigen sportloopbaan en eigen voorkeuren aangeven ten aanzien van bewegen en sport Kritisch reflecteren op opgedane ervaringen in relatie tot eigen wensen, motieven en mogelijkheden.XXX
LO1/K/4Spel
De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen de volgende spelen uitvoeren: Een slag- en loopspel, drie doelspelen, twee terugslagspelen (een vorm van volleybal en keuze uit minstens één vorm van badminton, tennis of tafeltennis), vormen van tik- en afgooispelen en daarbij: Zich houden aan afgesproken regels, oog hebben voor veiligheid en regelende taken uitvoeren.XXX
LO1/K/5Turnen
De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen één of meer van de volgende turnactiviteiten uitvoeren: Steun- en vrij springen, herhaald springen, zwaaien, balanceren en acrobatiek en daarbij: Adequaat omgaan met risico’s en meehelpen bij regelende taken, waaronder hulpverlenen.XXX
LO1/K/6Bewegen op muziek
De kandidaat kan alleen of samen met anderen één van de volgende vormen van bewegen op muziek uitvoeren: Ritme en bewegen, streetdance, jazzdans of conditionele vormen op muziek en daarbij regelende taken uitvoeren, waaronder een eenvoudige variatie ontwerpen en uitvoeren. dan wel: indien het bevoegd gezag hier op grond van de identiteit voor kiest, een vorm van bewegen op muziek naar keuze, of een andere bewegingsactiviteit waarbij ritme en tempo bepalend zijn.XXX
LO1/K/7Atletiek
7.De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen vormen van de volgende atletiekactiviteiten uitvoeren: Hardlopen, ver- en hoogspringen en één vorm van werpen, stoten of slingeren en daarbij: Basiskenmerken van training aangeven, conditieaspecten meten, oog hebben voor veiligheid en regelende taken uitvoeren.XXX
LO1/K/8Zelfverdediging
De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen één van de volgende vormen zelfverdediging uitvoeren: Stoeispelen (bijvoorbeeld: vormen van judo), trefspelen (bijvoorbeeld: vormen van boksen, schermen of karate-do) en daarbij Veiligheidsregels en (etiquette) regels bij zelfverdediging in acht nemen en regelende taken uitvoeren.XXX
LO1/K/9Actuele bewegingsactiviteiten
De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen twee nieuwe, actuele bewegingsactiviteiten uitvoeren die hij kan kiezen uit een aanbod dat bij voorkeur niet behoort tot één van de hierboven genoemde activiteitengebieden (bijvoorbeeld water-, winter- of outdoorsporten).XXX

2.13 wiskunde

BBKBGL/TL
WI/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan: zich oriënteren op het belang van wiskunde voor de eigen loopbaan en voor zijn functioneren in de maatschappij een relatie leggen tussen wiskundige kennis en vaardigheden en de beroepspraktijk.XXX
WI/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.XXX
WI/K/3Leervaardigheden in het vak wiskundeCECECE
De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij: wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.XXX
WI/K/4Algebraïsche verbandenCECECE
De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij: tabellen, grafieken en woordformules hanteren, in het bijzonder bij lineaire verbanden geschikte wiskundige modellen gebruiken.X
De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij: tabellen, grafieken en (woord)formules hanteren bij verschillende typen verbanden geschikte wiskundige modellen gebruiken.X
De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij: tabellen, grafieken en formules hanteren bij verschillende typen verbanden geschikte wiskundige modellen gebruiken.X
WI/K/5Rekenen, meten en schattenCECECE
De kandidaat kan efficiënt rekenen en cijfermatige gegevens kritisch beoordelen, en daarbij: schatten en rekenen met gangbare maten en grootheden op een verstandige manier de rekenmachine gebruiken.XXX
WI/K/6MeetkundeCECECE
De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij: redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen afmetingen meten, schatten en berekenen meetkundige begrippen, instrumenten en apparaten hanteren.X
De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij: redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen afmetingen meten, schatten en berekenen meetkundige begrippen en formules, instrumenten en apparaten hanteren.XX
WI/K/7Informatieverwerking, statistiek
De kandidaat kan informatie verzamelen, weergeven en analyseren met behulp van grafische voorstellingen, en daarbij: statistische representatievormen en een graaf hanteren op basis van de verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken.XXX
WI/K/8Geïntegreerde Wiskundige Activiteiten
De kandidaat kan problemen in alledaagse situaties vertalen naar wiskundige problemen, en daarbij: de hierboven genoemde vaardigheden geïntegreerd gebruiken conclusies trekken die relevant zijn voor de bewuste probleemsituatie.XXX
WI/V/1Aanvullende eisenCE
De kandidaat kan: op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen formules en verbanden op een meer formele manier hanteren complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine complexe meetkundige technieken gebruiken.X
WI/V/2Verrijkingsopdrachten
De leerling verricht complexe opdrachten, waarbij het proces van het probleemgebied kiezen, de probleemsituatie identificeren en mathematiseren, het probleem oplossen, de oplossing terugplaatsen in de oorspronkelijke situatie en reflecteren op het proces wordt doorlopen.X
WI/V/3Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
WI/V/4Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaten kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

2.14 natuur- en scheikunde I

BBKBGL/TL
NASK1/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op het belang van natuurkunde en natuurkundige technieken in de eigen beroepsopleiding, in de eigen toekomst en in de maatschappij.XXX
NASK1/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerkenXXX
NASK1/K/3Leervaardigheden in het vak natuurkundeCECECE
De kandidaat kan: basisrekenvaardigheden toepassen natuurkundige grootheden hanteren en met behulp van formules en woordformules daarmee berekeningen uitvoeren en redeneringen opzetten natuurkundige apparatuur gebruiken, daarmee experimenten uitvoeren en de resultaten interpreteren de computer gebruiken om met meetprogramma’s experimenten uit te voeren en te interpreteren, om met applets en simulaties onderzoek te doen en om natuurkundige informatie te selecteren en te verwerken een onderzoek doen en een ontwerpproces uitvoeren en evalueren, daarbij ook rekening houdend met de veiligheid.X
De kandidaat kan: rekenvaardigheden toepassen natuurkundige grootheden hanteren en met behulp van formules daarmee berekeningen uitvoeren en redeneringen opzetten natuurkundige apparatuur gebruiken, daarmee experimenten uitvoeren en de resultaten interpreteren de computer gebruiken om met meetprogramma’s experimenten uit te voeren en te interpreteren, om met applets en simulaties onderzoek te doen en om natuurkundige informatie te selecteren en te verwerken een onderzoek doen en een ontwerpproces uitvoeren en evalueren, daarbij ook rekening houdend met de veiligheid.XX
NASK1/K/4Stoffen en materialenCECECE
De kandidaat kan: soorten materialen en hun stofeigenschappen herkennen en toepassen gevaren van stoffen voor de mens en het milieu herkennen en vermijden door veilig te werken en verantwoord met afvalstoffen om te gaan chemische processen herkennen.X
De kandidaat kan: soorten materialen en hun stofeigenschappen herkennen en toepassen gevaren van stoffen en effecten van chemische en natuurkundige processen voor de mens en het milieu herkennen, en maatregelen nemen om ongewenste effecten hiervan te vermijden door veilig te werken en verantwoord met afvalstoffen om te gaan zinken-zweven-drijven toepassen met behulp van dichtheid.XX
NASK1/K/5Elektrische energieCECECE
De kandidaat kan: elektrische schakelingen ontwerpen en analyseren en hierover berekeningen uitvoeren beveiligingen voor elektriciteit verklaren en toepassen en keuzes tussen verschillende apparaten beargumenteren.X
De kandidaat kan: elektrische schakelingen ontwerpen en analyseren en hierover berekeningen uitvoeren beveiligingen voor elektriciteit verklaren en toepassen en keuzes tussen verschillende apparaten beargumenteren de werking van de dynamo en de transformator beschrijven met begrippen uit het magnetisme.XX
NASK1/K/6Verbranden en verwarmenCECE
De kandidaat kan: het proces van verbranden beschrijven en de verspreiding en isolatie van warmte verklaren en toepassen de manieren van opwekking van elektrische energie en de gevolgen ervan beschrijven.X
De kandidaat kan: het proces van verbranden beschrijven en de verspreiding en isolatie van warmte verklaren en toepassen de manieren van opwekking van elektrische energie en de gevolgen ervan beschrijven het omzetten van energie van de ene vorm in de andere vorm beschrijven en hierover berekeningen uitvoeren.XX
NASK1/K/7Licht en beeld
De kandidaat kan: rechtlijnige lichtstralen, verschillende soorten lichtbundels, schaduwvorming, kleurvorming en verschillende soorten straling toepassen verschillende soorten lenzen herkennen en de werking van de vlakke spiegel en de bolle lens toepassen beeldvorming bij het menselijk oog en oogafwijkingen toepassen.XXX
NASK1/K/8GeluidCECECE
De kandidaat kan de eigenschappen van geluid toepassen en de gevolgen van geluidshinder en de beperking van geluidshinder toelichten.X
De kandidaat kan: de eigenschappen van geluid toepassen en de gevolgen van geluidshinder en de beperking van geluidshinder toelichten geluid vastleggen met oscilloscoop of computer en daaruit de frequentie bepalen de werking van een luidspreker uitleggen.XX
NASK1/K/9Kracht en veiligheidCECECE
De kandidaat kan: de werking van verschillende soorten krachten en de druk van een voorwerp op de ondergrond beschrijven en in evenwichtsituaties kwalitatief de hefboomwet toepassen bij een bewegend voorwerp diagrammen interpreteren, krachten samenstellen en de gemiddelde snelheid berekenen veiligheidsmaatregelen in het verkeer uitleggen en toepassen.X
De kandidaat kan: de werking van verschillende soorten krachten en de druk van een voorwerp op de ondergrond berekenen en in evenwichtsituaties kwalitatief de hefboomwet toepassen bij een bewegend voorwerp diagrammen interpreteren, krachten samenstellen en de gemiddelde snelheid berekenen veiligheidsmaatregelen in het verkeer uitleggen en toepassen en verschijnselen van traagheid verklaren.XX
NASK1/K/10Bouw van de materie
De kandidaat kan: de bouw van stoffen en materialen beschrijven in termen van moleculen en atomen het gedrag van atomen en moleculen in de verschillende fasen uitleggen.X
De kandidaat kan: de bouw van stoffen en materialen beschrijven in termen van moleculen en atomen het gedrag van atomen en moleculen in de verschillende fasen uitleggen de bouw van een atoom beschrijven.XX
NASK1/K/11Straling en stralingsbescherming
De kandidaat kan: bronnen van ioniserende straling noemen radioactief verval en toepassingen ervan beschrijven veiligheidsmaatregelen tegen ongewenste effecten van straling en radioactieve stoffen beschrijven.XX
NASK1/K/12Het weer
De kandidaat kan: het meten van temperatuur en luchtdruk toepassen het ontstaan van wolken, neerslag en bliksem beschrijven maatschappelijke aspecten van weersverschijnselen toelichten.XX
NASK1/V/1Veiligheid in het verkeerCE
De kandidaat kan: berekeningen uitvoeren en redeneringen opzetten in situaties van verkeer en veiligheid uit bronnen over bewegingen of botsingen gegevens selecteren en verwerken.X
NASK1/V/2ConstructiesCE
De kandidaat kan: in constructies krachten onderscheiden, ontbinden, samenstellen en berekenen de plaats van het massamiddelpunt bepalen en berekeningen met de hefboomwet uitvoeren.X
NASK1/V/3Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
NASK1/V/4Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

2.15 natuur- en scheikunde II

GL/TL
NASK2/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang en de rol aangeven van natuur- en scheikunde in de maatschappij.X
NASK2/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.X
NASK2/K/3Leervaardigheden in het vak natuur- en scheikundeCE
De kandidaat beheerst strategische vaardigheden die bijdragen tot: de ontwikkeling van het eigen leervermogen het vermogen met vaktaal en vakmethodieken te communiceren en onderzoek te doen het toepassen van rekenvaardigheden in natuur- en scheikunde.X
NASK2/K/4Mens en omgeving: gebruik van stoffen
De kandidaat kan van een aantal (afval)stoffen de gevaren noemen, en veiligheidsmaatregelen noemen ter voorkoming van persoonlijke schade en milieuschade.X
De kandidaat kan verschillende methoden voor de productie en distributie van drinkwater beschrijven.X
NASK2/K/5Mens en omgeving: verbrandingCE
De kandidaat kan een aantal verbrandingsverschijnselen beschrijven, verbrandingsvoorwaarden noemen, en toelichten dat blussen of voorkomen van brand berust op de beïnvloeding van deze voorwaarden.X
De kandidaat kan de gevolgen van overvloedig energieverbruik noemen voor gezondheid en milieu.X
De kandidaat kan de bewerking van aardolie in raffinaderijen en het gebruik van aardolie als grondstof voor chemische producten beschrijven.X
NASK2/K/6Mens en omgeving: werken bij practicum en in beroepssituaties
De kandidaat kan beschrijven hoe veilig en verantwoord moet worden omgegaan met stoffen en straling.X
NASK2/K/7Water, zuren en basenCE
De kandidaat kan van leidingwater en van in de natuur voorkomende watersoorten de samenstelling, functie en toepassing beschrijven.X
De kandidaat kan: van een aantal zuren en basen de naam en formule geven van een aantal zure en basische oplossingen de formules geven van de deeltjes die daarin voorkomen de eigenschappen en toepassingen van zure en basische oplossingen noemen.X
De kandidaat kan de eigenschappen en toepassingen noemen van een aantal indicatoren en deze toepassen in pH-onderzoek.X
NASK2/K/8Reinigingsmiddelen en cosmetica
De kandidaat kan een aantal was-, reinigings- en oplosmiddelen en cosmetische middelen noemen, en de werking en/of toepassing beschrijven van een aantal van deze middelen.X
NASK2/K/9Chemie en industrie
De kandidaat kan eigenschappen en toepassingen van metalen noemen, enkele bereidingsprocessen van metalen beschrijven, en het verschil tussen edele en andere metalen noemen.X
De kandidaat kan de vorming van polymeren beschrijven en enkele voordelen van toepassingen van polymeren noemen.X
NASK2/K/10Basischemie voor vervolgopleiding en beroepCE
De kandidaat kan eigenschappen noemen waaraan stoffen herkend kunnen worden en die kennis toepassen in practicumsituaties.X
De kandidaat kan onderzoeken of een stof een zuivere stof is of een mengsel, een aantal zuivere stoffen en soorten mengsels noemen, en de hoofdbestanddelen van een aantal mengsels noemen.X
De kandidaat kan: een aantal processen uit het dagelijks leven herkennen als een chemische reactie van een aantal (soorten) reacties toepassingen noemen, de vergelijkingen opstellen en beschrijvingen geven berekeningen uitvoeren aan reacties en beschrijven hoe bepaalde factoren de reactiesnelheid beïnvloeden.X
NASK2/K/11Bouw van materieCE
De kandidaat kan de bouw van stoffen beschrijven, en reacties beschrijven met gebruikmaking van de begrippen moleculen, atomen en ionen.X
De kandidaat kan de namen en symbolen van een aantal elementen geven en beschrijven hoe de atoomsoorten zijn gerangschikt in het periodiek systeem.X
De kandidaat kan van een aantal moleculaire stoffen en zouten de naam geven als de formule is gegeven en omgekeerd.X
NASK2/V/1ProductieprocessenCE
De kandidaat kan rapporteren naar aanleiding van een onderzoek naar een productieproces, door middel van een verslag en/of presentatie.X
De kandidaat kan in het onderzoek scheikundige begrippen, symbolen en formules kwalitatief en kwantitatief toepassen in relatie tot een of meer productieprocessen, met name aangaande gebruikte hoeveelheden.X
De kandidaat kan in het onderzoek de leervaardigheden tonen die genoemd worden in NASK2/K/3.X
NASK2/V/2ProductonderzoekCE
De kandidaat kan rapporteren naar aanleiding van een onderzoek naar een product, door middel van een verslag en/of presentatie.X
De kandidaat kan in het onderzoek scheikundige begrippen, symbolen en formules kwalitatief en kwantitatief toepassen in relatie tot een of meer producten, met name aangaande titreren, pH-onderzoek, neerslagreacties, en ontledings- en scheidingsmethoden.X
De kandidaat kan in het onderzoek de leervaardigheden tonen die genoemd worden in NASK2/K/3.X
NASK2/V/3Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
NASK2/V/4Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

2.16 biologie

BBKBGL/TL
BI/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang aangeven van biologische kennis en vaardigheden in de maatschappij.XXX
BI/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.XXX
BI/K/3Leervaardigheden in het vak biologieCECECE
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: de ontwikkeling van het eigen leervermogen het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.XXX
BI/K/4Cellen staan aan de basisCECECE
De kandidaat kan: kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan noemen, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen beschrijven dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.X
De kandidaat kan: kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan beschrijven, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen en beschrijven toelichten dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.XX
BI/K/5Schimmels en bacteriën: nuttig en soms schadelijk
De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu noemen en toelichten.X
De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu en de biotechnologie noemen en toelichten.XX
BI/K/6Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkendCECECE
De kandidaat kan: de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.X
De kandidaat kan: de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.XX
BI/K/7Mensen beïnvloeden hun omgeving
De kandidaat kan toelichten dat de mens voor voedsel, water, zuurstof, grondstoffen, energie, voedselproductie en recreatie van ecosystemen afhankelijk is beschrijven hoe de mens ecosystemen kan beïnvloeden en toelichten waarom de mens er belang bij heeft een duurzame relatie tussen mens en milieu te bevorderen.XXX
BI/K/8Houding, beweging en conditie
De kandidaat kan: delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen de gevolgen van overbelasting noemen.X
De kandidaat kan delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen de gevolgen van overbelasting noemen en beschrijven.XX
BI/K/9Het lichaam in stand houden: voeding en genotmiddelen, energie, transport en uitscheidingCECECE
De kandidaat kan: vorm, werking en functie van het verteringsstelsel, bloedvatenstelsel, ademhalingsstelsel en uitscheidingsstelsel beschrijven hun onderling verband toelichten.XXX
BI/K/10Bescherming
De kandidaat kan toelichten hoe (infectie)ziekten zich ontwikkelen, hoe ze zich verspreiden en hoe men zich daartegen beschermt.XXX
BI/K/11Reageren op prikkelsCECECE
De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.X
De kandidaat kan: de rol en de werking van het zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten beschrijven welke relatie er is tussen gedrag en inwendige en uitwendige prikkels.XX
BI/K/12Van generatie op generatieCECECE
De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen beschrijven, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.X
De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen toelichten, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.XX
BI/K/13Erfelijkheid en evolutieCE
De kandidaat kan beschrijven hoe erfelijke eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven en toelichten hoe die erfelijke eigenschappen in de tijd kunnen veranderen.XX
BI/V/1Bescherming en antistoffenCE
De kandidaat kan de manier waarop het lichaam zich beschermt tegen antigenen door middel van antistoffen beschrijven en toelichten hoe deze bescherming kunstmatig kan worden verhoogd.X
BI/V/2Gedrag bij mens en dierCE
De kandidaat kan gedrag van mens en dier op een gestandaardiseerde wijze beschrijven en dat beschreven gedrag verklaren.X
BI/V/3Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
BI/V/4Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

2.17 Aardrijkskunde

In de centrale examens voor BB, KB en GL/TL worden de volgende eindtermen getoetst: 3, 5, 6, 11, 12, 17 en 18. In het centraal examen (CE) voor GL/TL worden bovendien de eindtermen 22, 24 en 26 getoetst.

De overige eindtermen worden in het schoolexamen (SE) getoetst.

Eindterm 3 wordt zowel in het schoolexamen als in het centraal examen getoetst.

De school kan besluiten om de eindtermen 5, 6, 11, 12, 17, 18 – en voor GL/TL ook 22, 24 en 26 – ook in het schoolexamen te toetsen.

BBKBGL/TL
AK/K/1Oriëntatie op leren en werken
1.De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van aardrijkskunde in de maatschappij.XXX
AK/K/2Basisvaardigheden
2.De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.XXX
AK/K/3Leervaardigheden in het vak aardrijkskundeCECECE
3.De kandidaat kan een aantal vakvaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen. Bij het bestuderen van gebieden, aardrijkskundige verschijnselen en vraagstukken kan de kandidaat in dat verband:
– verschillende typen aardrijkskundige vragen herkennen en formuleren;XXX
– aardrijkskundige werkwijzen toepassen;XXX
– gebruik maken van verschillende soorten kaarten en kaartvaardigheden, luchtfoto’s en satellietbeeldenXXX
– informatie ordenen, analyseren en daarover conclusies trekken;XXX
– eenvoudig aardrijkskundig onderzoek van beperkte omvang in de eigen omgeving uitvoeren over thematieken die aansluiten bij de inhouden van de exameneenheden K/4 tot en met K/9;X (alleen SE)X (alleen SE)X (alleen SE)
– een standpunt innemen en beargumenteren.X (alleen SE)X (alleen SE)X (alleen SE)
AK/K/4Weer en klimaatCECECE
4.De kandidaat kan het weer en klimaat in de eigen regio beschrijven en verklaren.X (alleen SE)X (alleen SE)X (alleen SE)
5.De kandidaat kan Weer en klimaat, klimaatverandering en klimaatbeleid van Nederland en een contrasterende regio elders in Europa beschrijven en verklaren en de situatie in beide gebieden vergelijken.XXX
Het cursieve deel van eindterm 5 geldt alleen voor KB en GL/TL.
6.De kandidaat kan Weer en klimaat, klimaatverandering en klimaatbeleid in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren.XXX
Het cursieve deel van eindterm 6 geldt alleen voor KB en GL/TL.
AK/K/5Bronnen van energie
7.De kandidaat kan het gebruik van energie in de eigen regio beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van energie en de effecten ervan beschrijven.XXX
8.De kandidaat kan het gebruik van energie en de gevolgen ervan voor Nederland en een contrasterende regio elders in Europa beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer energiegebruik en de effecten ervan beschrijvenen de situatie in beide gebieden vergelijken.XXX
Het cursieve deel van eindterm 8 geldt alleen voor KB en GL/TL.
9.De kandidaat kan het gebruik van energie en de gevolgen ervan in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van energie en de effecten ervan beschrijven.XXX
AK/K/6WaterCECECE
10.De kandidaat kan het gebruik van water in de eigen regio beschrijven en verklaren en maatregelen voor duurzamer gebruik van water beschrijvenX (alleen SE)X (alleen SE)X (alleen SE)
11.De kandidaat kan de herkomst, het voorkomen, de kwaliteit en het gebruik van water in Nederland beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van water en de effecten ervan beschrijven.XXX
12.De kandidaat kan de herkomst, het voorkomen, de kwaliteit en het gebruik van water in een buiten-Europese macroregio en een contrasterende macroregio elders in de wereld beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van water en de effecten ervan beschrijven en de situatie in beide gebieden vergelijken.XXX
Het cursieve deel van eindterm 12 geldt alleen voor KB en GL/TL.
AK/K/7Arm en rijk
13.De kandidaat kan verschillen tussen meer en minder welvarende wijken en voorstellen voor verbetering van de woon- en leefomstandigheden in de eigen regio beschrijven.XXX
14.De kandidaat kan regionale verschillen in welvaart in Nederland beschrijven en verklaren.XXX
15.De kandidaat kan regionale verschillen in welvaart in een buiten-Europese macroregio en een contrasterende macroregio elders in de wereld beschrijven en verklaren en de situatie in beide gebieden vergelijken.XXX
Het cursieve deel van eindterm 15 geldt alleen voor KB en GL/TL.
AK/K/8Bevolking en ruimteCECECE
16.De kandidaat kan de bevolkingsontwikkeling en het ruimtegebruik in de eigen regio beschrijven en verklaren.X (alleen SE)X (alleen SE)X (alleen SE)
17.De kandidaat kan de bevolkingsontwikkeling en het ruimtegebruik in Nederland en een contrasterende regio elders in Europa beschrijven en verklaren en de situatie in beide gebieden vergelijken.XXX
Het cursieve deel van eindterm 17 geldt alleen voor KB en GL/TL.
18.De kandidaat kan de bevolkingsontwikkeling en het ruimtegebruik in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren.XXX
AK/K/9Grenzen en identiteit
19.De kandidaat kan verschillende soorten grenzen in de eigen regio beschrijven en verklaren en verbanden leggen met identiteit.XXX
20.De kandidaat kan verschillen in regionale identiteit en de manier waarmee men daarmee omgaat in Nederland en een contrasterende regio elders in Europa, beschrijven en verklaren en de situatie in beide gebieden vergelijken.XXX
Het cursieve deel van eindterm 20 geldt alleen voor KB en GL/TL.
21.De kandidaat kan territoriale conflicten in een buiten-Europese macroregio en verklaren en verbanden leggen met grondstoffen en culturele verschillen.XXX
AK/V/1Casus Weer en klimaat: Extreme weersomstandighedenCE
22.De kandidaat kan het voorkomen van extreme weersomstandigheden in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen om de gevolgen hiervan te beperken beschrijven.X
AK/V/2Casus Bronnen van energie: Energiebeleid
23.De kandidaat kan de verhouding tussen de verschillende gebruikte bronnen van energie in een buiten-Europese macroregio beschrijven en de voor- en nadelen van die energiebronnen beschrijven.X
AK/V/3Casus Water: WatermanagementCE
24.De kandidaat kan de waterhuishouding in een buiten-Europese macroregio beschrijven en maatregelen ter verbetering beschrijven.X
AK/V/4Casus Arm en rijk: Arm en rijk en gezondheidszorg
25.De kandidaat kan de vicieuze cirkel tussen armoede, honger en gezondheid in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen ter verbetering van de situatie beschrijven.X
AK/V/5Casus Bevolking en ruimte: Bevolking en ruimte in grootstedelijke gebiedenCE
26.De kandidaat kan de ruimtelijke ontwikkelingen van megasteden in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit beschrijven.X
AK/V/6Casus Grenzen en identiteit: Regionale identiteit
27.De kandidaat kan verschillende regionale tegenstellingen in een buiten-Europese macroregio beschrijven en maatregelen ter verbetering van de situatie beschrijvenX
AK/V/7Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
28.De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
AK/V/8Vaardigheden in samenhang
29.De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

2.18 geschiedenis en staatsinrichting vmbo

BBKBGL/TL
GS/K/1Oriëntatie op leren en werken
1.De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van geschiedenis en staatsinrichting in de maatschappij.XXX
GS/K/2Basisvaardigheden
2.De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.XXX
GS/K/3Leervaardigheden in het vak geschiedenis en staatsinrichtingCECECE
3.De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: – de ontwikkeling van het eigen leervermogen – het vermogen om met voor geschiedenis en staatsinrichting geëigende vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.XXX
GS/K/4De koloniale relatie Indonesië – Nederland
4.De kandidaat kan herkennen en benoemen op welke wijze de koloniale relatie tussen Indonesië en Nederland zich in de loop der tijd ontwikkeld heeft en bijgedragen heeft aan de dekolonisatie/onafhankelijkheid van Indonesië.X1
5.De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke wijze de koloniale relatie tussen Indonesië en Nederland zich in de loop der tijd ontwikkeld heeft en bijgedragen heeft aan de dekolonisatie/onafhankelijkheid van Indonesië.X2X2
GS/K/5Staatsinrichting van NederlandCECECE
6.De kandidaat kan herkennen en benoemen hoe de Nederlandse rechtsstaat/staatsinrichting zich vanaf 1848 tot nu ontwikkeld heeft en deze ontwikkelingen in verband brengen met belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen in de Nederlandse geschiedenis vanaf 1848.X
7.De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe de Nederlandse rechtsstaat/staatsinrichting zich vanaf 1848 tot nu ontwikkeld heeft en deze ontwikkelingen in verband brengen met belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen in de Nederlandse geschiedenis vanaf 1848.XX
GS/K/6De industriële samenleving in Nederland
8.De kandidaat kan herkennen en benoemen hoe het proces van industrialisatie de Nederlandse samenleving ingrijpend veranderd heeft vanaf de tweede helft van de 19e eeuw.X1
9.De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe het proces van industrialisatie de Nederlandse samenleving ingrijpend veranderd heeft vanaf de tweede helft van de 19e eeuw.X2X2
GS/K/7Sociale zekerheid en verzorgingsstaat in Nederland
10.De kandidaat kan herkennen en benoemen welke ontwikkelingen zich op het terrein van de sociale zekerheid vanaf de tweede helft van de 19e eeuw hebben voorgedaan die geleid hebben tot de huidige, herziene verzorgingsstaat.X1
11.De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke ontwikkelingen zich op het terrein van de sociale zekerheid vanaf de tweede helft van de 19e eeuw hebben voorgedaan die geleid hebben tot de huidige, herziene verzorgingsstaat.X2X2
GS/K/8Cultureel – mentale ontwikkelingen in Nederland na 1945
12.De kandidaat kan herkennen en benoemen welke cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen zich na de Tweede Wereldoorlog hebben voorgedaan en welke gevolgen deze ontwikkelingen gehad hebben voor de Nederlandse samenleving.X1
13.De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen zich na de Tweede Wereldoorlog hebben voorgedaan en verklaren welke gevolgen deze ontwikkelingen gehad hebben voor de Nederlandse samenleving.X2X2
GS/K/9De Koude Oorlog
14.De kandidaat kan het ontstaan, verloop en einde van de Koude Oorlog herkennen, en benoemen welke oorzaken en gevolgen deze periode voor de wereldpolitiek in het algemeen en voor Europa in het bijzonder heeft gehad.X1
15.De kandidaat kan het ontstaan, verloop en einde van de Koude Oorlog herkennen en beschrijven, en aangeven welke oorzaken en gevolgen deze periode voor de wereldpolitiek in het algemeen en voor Europa in het bijzonder heeft gehad.X2X2
GS/K/10Historisch overzicht vanaf 1900CECECE
16.De kandidaat kan herkennen en benoemen welke belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen zich in de Nederlandse en (West-)Europese geschiedenis vanaf 1900 hebben voorgedaan.X
17.De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen zich in de Nederlandse en (West-)Europese geschiedenis vanaf 1900 hebben voorgedaan.XX
GS/K/11Het conflict tussen Israël en de Arabische wereld
18.De kandidaat kan aspecten van het conflict tussen Israël en de Arabische wereld herkennen en beschrijven.X1
19.De kandidaat kan aspecten van het conflict tussen Israël en de Arabische wereld herkennen, beschrijven en verklaren.X2X2
GS/V/1GS/V/1 Het Indonesisch – Nederlands conflict 1945–1949
20.De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe het proces van dekolonisatie en de weg naar onafhankelijkheid van Indonesië tussen 1945 en 1949 verliep en daarbij ingaan op de moeizame relatie tussen Nederland en Indonesië na de onafhankelijkheid van Indonesië.X3
GS/V/2Nederland en Europa
21.De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke wijze de Europese samenwerking zich na 1945 ontwikkeld heeft en welke invloed de Europese Unie heeft op (de identiteit van) de Nederlandse samenleving.X3
GS/V/3De verhouding mens – milieu
22.De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke manier de mens in heden en verleden het milieu heeft beïnvloed en welke oplossingen er bedacht zijn en worden voor ontstane milieuproblemen.X3
GS/V/4Ontwikkeling van de gezondheidszorg in Nederland
23.De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke wijze de gezondheidszorg zich in Nederland vanaf de 19e eeuw ontwikkeld heeft en ingaan op moreel-ethische gevolgen daarvan.X3
GS/V/5Verzuiling en ontzuiling in Nederland
24.De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke zuilen er in Nederland na de Tweede Wereldoorlog waren, welke gevolgen de verzuiling voor de Nederlandse samenleving had en verklaren op welke wijze het proces van ontzuiling de samenleving heeft veranderd.X3
GS/V/6Nederland en de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog
25.De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe de Verenigde Staten de Nederlandse samenleving na de Tweede Wereldoorlog hebben beïnvloed en ingaan op verschillen in opvatting tussen Nederlandse politieke stromingen over de rol van de Verenigde Staten in de internationale politiek.X3
GS/V/7Verwerven en verwerken en verstrekken van informatie
26.De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
GS/V/8Vaardigheden in samenhangCE
27.De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X
GS/V/9Twee thema’s bij het Historisch Overzicht vanaf 1900CE
28.De kandidaat kan de volgende thema’s herkennen, beschrijven, verklaren en plaatsen in het kader van het Historisch Overzicht vanaf 1900: Het ontstaan en de gevolgen van – het communisme in de Sovjetunie (1917–1941); – Indonesië als voorbeeld van dekolonisatie ( 1942–1949);X

1. Het schoolexamen moet in ieder geval bestaan uit 2 exameneenheden naar keuze van de school te maken uit GS/K/4, GS/K/6, GS/K/7, GS/K/8, GS/K/9 en GS/K/11.

2. Het schoolexamen moet in ieder geval bestaan uit 3 exameneenheden naar keuze van de school te maken uit GS/K/4, GS/K/6, GS/K/7, GS/K/8, GS/K/9 en GS/K/11.

3. De school kan één of meer van de exameneenheden V1 t/m V6 in de gemengde en theoretische leerweg toetsen op het schoolexamen, maar is daartoe niet verplicht.

2.19 economie

BBKBGL/TL
EC/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van economie in de maatschappij.XXX
EC/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.XXX
EC/K/3Leervaardigheden in het vak economieCECECE
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen en het vermogen met economische vaktaal te communiceren en onderzoek te doen.XXX
EC/K/4AConsumptieCECECE
De kandidaat heeft inzicht in aspecten van het consumentengedrag, zoals keuzes, behoeften, inkomen en in de functies van het geld, lenen en sparen en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.XXX
EC/K/4BConsumptie en consumentenorganisaties
De kandidaat heeft inzicht in het bankwezen, zoals verkrijgen van vreemd geld, spaarvormen en leningsvormen, en in motieven en kenmerken van verzekeringen en kan hierbij informatie van consumentenorganisaties gebruiken.XXX
EC/K/5AArbeid en productieCECECE
De kandidaat heeft inzicht in aspecten van het producentengedrag zoals kosten, opbrengsten, winst, toegevoegde waarde, arbeid, arbeidsverdeling, arbeidsproductiviteit, werkgelegenheid, werkloosheid en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.XXX
EC/K/5BArbeid en bedrijfsleven
De kandidaat heeft inzicht in de productie van goederen en diensten en in de fasen die een product doorloopt vanaf de producent van grondstoffen tot en met de detaillist/ winkelier, en kan voorbeelden geven van beroepen/ werkzaamheden die typerend zijn voor verschillende economische sectoren.XXX
EC/K/6Overheid en bestuurCE
De kandidaat heeft inzicht in de sociale, economische en financiële functies van de overheid en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.XXX
EC/K/7Internationale ontwikkelingenCECECE
De kandidaat heeft inzicht in internationale economische betrekkingen zoals Nederland als open economie, de Europese Unie, ontwikkelingsproblematiek en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.XXX
EC/K/8Natuur en milieu
De kandidaat heeft inzicht in de samenhang tussen consumptie, productie en het milieu, en kan aan de hand van voorbeelden op het gebied van milieuschade de rol van overheid, maatschappelijke organisaties en individuele personen beschrijven.XXX
EC/V/1VerrijkingsstofCE
De kandidaat heeft inzicht in de achtergronden van de problematiek betreffende: de ontwikkeling van het begrotingstekort en de staatsschuld de systematiek en uitgangspunten van loon- en inkomstenbelasting de oorzaken en gevolgen van de waardeverandering van geld de prijscompensatie als middel om koopkrachtverlies tegen te gaan en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.X
EC/V/2Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
EC/V/3Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.X

2.20 beeldende vorming

GL/TL
BV/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat oriënteert zich op het belang van beeldende kunst en vormgeving in de maatschappij.X
BV/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.X
BV/K/3Leervaardigheden in de beeldende vakkenCE
De kandidaat beheerst een aantal strategische beeldende vaardigheden die bijdragen tot de ontwikkeling van zijn leervermogen.X
BV/K/4Beeldend werk, productief
De kandidaat kan naar aanleiding van een probleemstelling – autonoom en toegepast – beeldend werk maken.X
BV/K/5Werkproces, productief
De kandidaat kan een beeldende probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.X
De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.X
BV/K/6Middelen, productief
De kandidaat kan aspecten van de voorstelling en vormgeving zó gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk.X
BV/K/7Beschouwen – eigen werk, reflectief
De kandidaat kan in eigen beeldend werk de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving benoemen en toelichten.X
De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving.X
BV/K/8Beschouwen – werk van anderen, reflectiefCE
De kandidaat kan in beeldend werk van anderen de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling, de vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context benoemen en toelichten.X
BV/V/1Eindopdracht, productief en reflectiefCE
De kandidaat kan naar aanleiding van een eigen probleemstelling – autonoom en toegepast – beeldend werk maken.X
De kandidaat kan deze probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.X
De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.X
De kandidaat kan aspecten van de voorstelling en vormgeving zó gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk.X
De kandidaat kan in eigen beeldend werk de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving benoemen en toelichten.X
De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving.X
De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling en van vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context.X
BV/V/2Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken.X
BV/V/3Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.X

2.21 muziek

GL/TL
MU/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van muziek in de maatschappij.X
MU/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.X
MU/K/3Leervaardigheden in het vak muziekCE
De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen, zoals het toepassen van muzikale begrippen, die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen.X
MU/K/4Musiceren: zingen en spelen
De kandidaat kan individueel en in samenwerking met anderen een representatief repertoire uitvoeren van één- en meerstemmige, vocale/instrumentale muziek.X
MU/K/5Vormgeven: improviseren/componeren
De kandidaat kan individueel en in samenwerking met anderen muziek improviseren/componeren, vanuit een (buiten)muzikaal gegeven met weloverwogen gebruik van klankeigenschappen en vormprincipes.X
MU/K/6Presenteren
De kandidaat kan alleen en/of in samenwerking met anderen (onderdelen van) het musiceerrepertoire presenteren.X
MU/K/7BeluisterenCE
De kandidaat kan de notatie van ritmische en melodische fragmenten volgen en muzikale begrippen herkennen, benoemen en/of noteren.X
MU/K/8Muziek en maatschappijCE
De kandidaat kan: muziek in verband brengen met betekenissen en functies ervan de eigen muzikale beleving verwoorden en bij het bepalen van een eigen standpunt de meningen van anderen betrekken in de argumentatie voor het standpunt verwijzen naar muzikale aspecten en/of functies en betekenissen van muziek.X
MU/K/9Muziek en andere kunstenCE
De kandidaat kan: binnen een muziekproductie andere kunstvormen dan muziek herkennen en de functies ervan benoemen zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meerdere kunstvormen aan de orde komen en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.X
MU/V /1Eindopdracht
De kandidaat kan zelfstandig: een presentatie verzorgen over een onderwerp de muziek betreffend een presentatie verzorgen van een eigen muziekwerk voor een ander publiek dan de eigen groep/klas verslag doen van onderzoek dat hij/zij heeft verricht op het gebied van muziek in relatie tot minimaal één van de andere kunstvormen.X
MU/V/2Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
MU/V/3Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.X

2.22 drama

GL/TL
DR/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van drama in de maatschappij.X
DR/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, (samen)werken en informatie verwerven en verwerken.X
DR/K/3Leervaardigheden in het vak dramaCE
De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen, zoals: vakbegrippen herkennen, benoemen en toepassen de eigen expressieve mogelijkheden van lichaam en stem gebruiken. functioneel gebruik maken van spelgegevens en vormingsmiddelenX
DR/K/4Spelen
De kandidaat kan in spel: non-verbale en verbale uitingsmogelijkheden toepassen spelgegevens geïntegreerd gebruiken zelf functioneel spelimpulsen geven en reageren op spelimpulsen van anderen.X
DR/K/5Vormgeven
De kandidaat kan vanuit een bron een spel vormgeven, waarbij functioneel gebruik gemaakt wordt van: spelgegevens, rolopbouw, spelopbouw en materiële vormgevingsmiddelen.X
DR/K/6Presenteren
De kandidaat kan alleen en/of in samenwerking met anderen bij een optreden voor een publiek: spel- en vormgevingsvaardigheden toepassen een tekst presenteren met gebruikmaking van voordrachtstechnieken.X
DR/K/7BeschouwenCE
De kandidaat kan een beschouwing geven op het eigen spel en op het spel van anderen door: te benoemen hoe de inhoud met theatrale middelen is vormgegeven te benoemen hoe de verwijzingen naar de werkelijkheid in spel zijn vormgegeven dramatische technieken te benoemen die gebruikt worden op andere plaatsen dan het theater.X
DR/K/8Drama en maatschappijCE
De kandidaat kan: kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities van verschillende culturen en deze spelmatig presenteren aangeven wat de functies van drama kunnen zijn en daar voorbeelden van noemen.X
DR/K/9Drama en andere kunstenCE
De kandidaat kan: binnen een dramaproductie andere kunstvormen dan drama herkennen en de functies ervan benoemen zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meer kunstvormen aan de orde komen, en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.X
DR/V/1Eindopdracht
De kandidaat kan zelfstandig een spel vormgeven en kan dit spel presenteren voor een ander publiek dan de eigen klasgenoten.X
DR/V/2Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.X
DR/V/3Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.X

2.23 dans

GL/TL
DA/K/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van dans in de maatschappij.X
DA/K/2Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.X
DA/K/3Leervaardigheden in het vak dansCE
De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen, zoals: vakbegrippen herkennen, benoemen en toepassen door middel van exploreren, improviseren en structureren een dansontwerp maken de creatieve en de expressieve mogelijkheden van het lichaam gebruiken functioneel gebruik maken van theatrale middelen.X
DA/K/4Dansen
De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen: gevoelens, ervaringen, ideeën, situaties en gebeurtenissen bewegingsideeën een fysiek, muzikaal, dramatisch of beeldend thema in dans vertalen, met gebruikmaking van de danselementen ruimte, tijd en kracht, met toepassing van lichaamsbesef en vormbewustzijn en met een persoonlijke lading.X
DA/K/5Vormgeven
De kandidaat kan: exploreren en improviseren vanuit een gegeven bewegings- en/of thematisch gerichte opdracht door middel van improviseren, exploreren en structureren een dans ontwerpen en uitvoeren waarin een inhoudelijke ontwikkelingslijn zichtbaar wordt, en gebruik gemaakt wordt van de danselementen, structuur en theatrale middelen.X
DA/K/6Presenteren
De kandidaat kan alleen of samen met anderen een zelfgemaakte en/of bestaande dans presenteren.X
DA/K/7BeschouwenCE
De kandidaat kan: danssoorten onderkennen, hiervan kenmerken noemen en deze omschrijven van een dans de volgende elementen benoemen: danser dans (danselementen, lichaam, structuur) geluid ruimte/locatie theatrale middelen dansinhoud/betekenis en de samenhang ervan beargumenteren.X
DA/K/8Dans en maatschappijCE
De kandidaat kan: functies van dans herkennen en benoemen herkennen en beargumenteren dat dans het product is van een bepaalde cultuur/samenleving in een bepaalde tijdsperiode en leefomgeving verslag doen van een culturele activiteit, waarvan dans een expliciet onderdeel is.X
DA/K/9Dans en andere kunstenCE
De kandidaat kan: binnen een dansproductie andere kunstvormen dan dans herkennen en de functies ervan benoemen zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meer kunstvormen aan de orde komen, en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.X
DA/V/1Eindopdracht
De kandidaat kan een zelf gemaakte en een bestaande dans presenteren aan een ander publiek dan de eigen klas, waarbij: de betekenis/dansinhoud en de zeggingskracht naar voren komen rekening gehouden wordt met de aanwezigheid van het publiek.X
DA/V/2Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken, bijvoorbeeld in het kader van het sectorwerkstuk.X
DA/V/3Vaardigheden in samenhangCE
De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.X

2.52 lichamelijke opvoeding 2

BBKBGL/TL
LO1/K/1Oriëntatie op leren en werken
1.De kandidaat kan het belang van bewegen en sport binnen de eigen loopbaan, vrijwilligerswerk en in de maatschappij verwoorden.x
LO2/K/2Basisvaardigheden
2.De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.x
LO2/K/3Leervaardigheden in het vak lichamelijke opvoeding
3.De kandidaat ontwikkelt een aantal vaardigheden in bewegen en sport, zoals: – Omgaan met regels en een bijdrage leveren aan een sportief verloop en aan de veiligheid van zichzelf en anderen; – Regeltaken uitvoeren om samen bewegingssituaties op gang te kunnen brengen en houden; – In bewegingssituaties omgaan met aspecten als lukken en mislukken en winst en verlies; – Omgaan met verschillen in prestatieniveau, motieven, interesses, culturele achtergronden en geslacht binnen bewegingssituaties; – Zich oriënteren op de eigen sportloopbaan en eigen voorkeuren aangeven ten aanzien van bewegen en sport; – Kritisch reflecteren op opgedane ervaringen in relatie tot eigen wensen, motieven en mogelijkheden.x
LO2/K/4Spel
4.De kandidaat kan samen met anderen minimaal één doelspel, twee terugslagspelen, één honkloopspel en diverse tikspelen uitvoeren, waarbij het gaat om verdieping ten opzichte van LO1.x
LO2/K/5Turnen
5.De kandidaat kan alleen en samen met anderen twee verschillende vormen van turnen uitvoeren, waarbij het gaat om verdieping ten opzichte van LO1.x
LO2/K/6Bewegen op muziek
6.De kandidaat kan twee vormen van bewegen op muziek uitvoeren, waarbij het gaat om verdieping ten opzichte van LO1.x
LO2/K/7Atletiek
7.De kandidaat kan alleen en samen met anderen minimaal één loop-, één spring en één werponderdeel uitvoeren, waarbij het gaat om verdieping ten opzichte van LO1.x
LO2/K/8Zelfverdediging
8.De kandidaat kan samen met anderen één vorm van zelfverdediging uitvoeren, waarbij het gaat om verdieping ten opzichte van LO1.x
LO2/K/9Actuele bewegingsactiviteiten
9.De kandidaat kan alleen of samen met anderen twee nieuwe, actuele bewegingsactiviteiten uitvoeren.x
LO2/K/10Bewegen regelen
10.De kandidaat kan alleen of samen met anderen diverse regeltaken uitvoeren en één regelende rol uitvoeren waarbij de kandidaat niet zelf als beweger is betrokken.x
LO2/K/11Bewegen en samenleving en gezondheid
11.De kandidaat kan verschillende betekenissen van bewegen en sport aangeven in de samenleving en ook de meer persoonlijke waarde en motieven voor deelname.x
12.De kandidaat kan: – deelnemen aan een trainings- en fitnessprogramma, – de betekenis van bewegen en sport aangeven voor de gezondheid in ruime zin, – eerste hulp verlenen bij eenvoudige blessures, – afspraken maken die de veiligheid bevorderenx
LO2/K/12Beroepspraktijkvorming
13.De kandidaat kan zich oriënteren op beroep of vrijwilligerswerk door het vervullen van (regel)taken in het werkveld van sport en bewegen.x

2.53 Bouwen, wonen en interieur (BWI)

Kern Bouwen, wonen en interieur
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituaties of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden ronde loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; a.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; a.4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; a.5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; a.6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.15. hygiënisch werken; a.16. milieubewust handelen; a.17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; a.18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingeisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.19. is een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht.
b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie; Voorbereiden De kandidaat kan: b.4. de relaties tussen natuurkundige grootheden en de technische praktijk uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.5. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.6. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.7. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.8. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.9. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren; b.10. opbouw en werking van installaties en/ of constructies uitleggen en demonstreren. Ontwerpen, maken en dienstverlenen De kandidaat kan: b.11. een tekening lezen; b.12. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.13. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.14. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.15. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.16. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.17. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.18. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekenen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.19. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo- en Milieu (KAM)-zorg; b.20. een werkstuk, product en systeem samenstellen. Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.21. een werkstuk, product, systeem en/of dienst toetsen en evalueren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.22. een werkstuk, product, systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren.
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c. 1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. Kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. Motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. Werkexploratie (waar ben ik met meest op mijn plek en waarom daar?) 4. Loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. Netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c. 2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies
Profielvak: Bouwen, wonen en interieurBBKBGL
Taken: • een kleinschalig bouwproject voorbereiden en het bouwproces beschrijven • een kleinschalig bouwproject maatvoeren en uitzetten • een eenvoudige funderingsbekisting maken
P/BWI/1.1.
Deeltaak: Een kleinschalig bouwproject voorbereiden en het bouwproces beschrijven De kandidaat kan:
1. het bouwproces beschrijvenxxx
2. een indeling van een bouwplaats interpreterenxxx
3. veilig werken in de bouw en circulair en duurzaam bouwenxxx
4. werkzaamheden uitvoeren voor de bouwvoorbereiding van een kleinschalig bouwprojectxx
P/BWI/1.2
Deeltaak: een kleinschalig bouwproject maatvoeren en uitzetten de kandidaat kan:
1. gangbare meetinstrumenten en hulpmiddelen toepassenxxx
2. aan de hand van bouwvoorbereidingstekeningen rechte lijnen uitzetten voor een klein bouwwerkxxx
3. hoogtemetingen uitvoerenxxx
4. meetgegevens verwerken en maatvoering controlerenxxx
5. afwijkingen bij meten en uitzetten verklaren en corrigerenxx
6. bouwramen plaatsenxx
7. gevellijnen bepalen en afschrijven op de bouwplankxxx
P/BWI/1.3
Deeltaak: een eenvoudige funderingsbekisting maken De kandidaat kan:
1. werkzaamheden voor een strokenfundering voorbereidenxxx
2. werkzaamheden voor een eenvoudige strokenfundering uitvoeren en een PS-systeembekisting beschrijvenxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Bouwen, wonen en interieurBBKBGL
Module 2: bouwen vanaf de fundering
Taak: ○ profielen en kozijnen stellen ○ een halfsteensmuur metselen ○ isolatiematerialen verwerken ○ veilig werken op en met steigers en ladders
P/BWI/2.1
Deeltaak: profielen en kozijnen stellen De kandidaat kan:
1. stelwerkzaamheden voorbereidenxx
2. de koppenmaat en lagenmaat bepalen en afschrijvenxx
3. metselprofielen stellenxx
4. kozijnen stellenx
5. gangbare gereedschappen en hulpmiddelen toepassenx
P/BWI/2.2
Deeltaak: een halfsteensmuur metselen De kandidaat kan:
1. metselwerk voorbereidenxx
2. een werkplek inrichtenxx
3. basistechnieken metselen toepassenxx
4. rollagen makenxx
5. voegwerk in de meest gangbare typen makenxx
6. beëindigingen correct makenxx
P/BWI/2.3
Deeltaak: isolatiematerialen verwerken De kandidaat kan:
1. doel en functie van isolatie beschrijven en de juiste soorten isolatiematerialen kiezenxx
2. isolatiematerialen in het opgaand werk plaatsen en verwerkenxx
P/BWI/2.4
Deeltaak: veilig werken op en met steigers en ladders De kandidaat kan:
1. verplichte en beschikbare beschermingsmiddelen toepassenxx
2. juiste steigers en ladders kiezenxx
3. rolsteigers en ladders conform voorschriften opbouwen, plaatsen en afbrekenx
4. rolsteigers en ladders op een ergonomische en veilige wijze gebruikenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Bouwen, wonen en interieurBBKBGL
Module 3: hout- en meubelverbindingen
Taak: ○ een werkstuk met enkelvoudige verbindingen maken ○ hout en plaatmateriaal bewerken
P/BWI/3.1
Deeltaak: een werkstuk met enkelvoudige verbindingen maken De kandidaat kan:
1. werkzaamheden voor het maken van een werkstuk voorbereidenxx
2. houtverbindingen maken in hout en plaatmateriaalxx
3. het product aan de hand van kwaliteitscriteria beoordelenxx
P/BWI/3.2
Deeltaak: hout en plaatmateriaal bewerken De kandidaat kan:
1. basisbewerkingen uitvoerenxx
2. veilig werkenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Bouwen, wonen en interieurBBKBGL
Module 4: design en decoratie
Taak: ○ een interieurelement ontwerpen ○ een ontwerp maken voor de afwerking van een interieurelement ○ het maken van een interieurelement beschrijven ○ een interieurelement voorbehandelen, afwerken en decoreren
P/BWI/4.1
Deeltaak: een interieurelement ontwerpen De kandidaat kan:
1. een ontwerp maken voor een eenvoudig interieurelement van plaatmateriaalxx
2. een ontwerp tekenen met een 3D CAD-tekenprogrammaxxx
P/BWI/4.2
Deeltaak: een ontwerp maken voor de afwerking van een interieurelement De kandidaat kan:
1. een ontwerp maken voor kleur, afwerking en decoratie van een interieurelementxxx
2. het ontwerp presenterenxx
P/BWI/4.3
Deeltaak: het maken van een interieurelement beschrijven De kandidaat kan:
1. het maken van een interieurelement voorbereidenx
2. het maken van een interieurelement met moderne verbindingsmaterialen beschrijvenx
3. veilig werkenx
P/BWI/4.4
Deeltaak: een interieurelement voorbehandelen, afwerken en decoreren De kandidaat kan:
1. de werkzaamheden voorbereiden voor het voorbehandelen, afwerken en 2. decorerenxxx
3. een interieurelement voorbehandelen, afwerken en decorerenxxx
4. een sign-uiting snijplotten, pellen, plakken en monterenxxx
5. CNC en/of lasersnijtechnieken toepassenxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.

2.54 Dienstverlening en producten

Kern Dienstverlening en producten
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling.
a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: 1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; 2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; 3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; 4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; 5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; 6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; 7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; 8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; 9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; 10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; 11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; 12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; 13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; 14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; 15. hygiënisch werken; 16. milieubewust handelen; 17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; 18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; 19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht.
b. Professionele kennis en vaardigheden De kandidaat kan:
1. probleemoplossingsvaardigheden hanteren en op grond daarvan conclusies trekken en keuzes maken; 2. eenvoudige onderzoeksactiviteiten verrichten en op grond daarvan beargumenteerde keuzes maken; 3. het begrip duurzaamheid (her)kennen, benoemen en toepassen. Op basis daarvan komen tot bewuste afwegingen en relaties leggen tussen milieu, mensen en werkprocessen in arbeid en beroep (people, planet en profit); 4. ondernemende vaardigheden tonen: initiatief tonen, innoveren; 5. de begrippen maatschappelijk verantwoord en maatschappelijk betrokken ondernemen (her)kennen, benoemen en toepassen bij producten en dienstverlening; 6. verschillen en overeenkomsten benoemen tussen profit en non/profit.
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. Kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. Motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. Werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. Loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. Netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier worden bij de uitgevoerde activiteiten de volgende punten beschreven: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies
Profielvak: Dienstverlening en productenBBKBGL
Module 1: organiseren van een activiteit voor een opdrachtgever
Taak: ○ een opdracht bespreken met de opdrachtgever, onderzoek doen naar de te organiseren activiteit en uitkomsten presenteren aan de opdrachtgever ○ een activiteit organiseren ○ werkzaamheden rondom hospitality uitvoeren ○ facilitaire werkzaamheden uitvoeren
P/D&P/1.1
Deeltaak: een opdracht bespreken met de opdrachtgever, onderzoek doen naar de te organiseren activiteit en uitkomsten presenteren aan de opdrachtgever. De kandidaat kan:
1. wensen en verwachtingen van de opdrachtgever inventariserenxxx
2. onderzoek doen naar de te organiseren activiteit en uitkomsten presenteren aan de opdrachtgeverxxx
P/D&P/1.2
Deeltaak: een activiteit organiseren. De kandidaat kan:
1. een activiteit plannen en voorbereidenxxx
2. berekeningen met betrekking tot kosten en baten van de te organiseren activiteit uitvoerenxxx
3. voorzieningen, vergunningen, materialen, middelen en medewerkers regelenxxx
4. een activiteit evalueren en suggesties geven voor verbeteringxxx
P/D&P/1.3
Deeltaak: werkzaamheden rond hospitality uitvoeren. De kandidaat kan:
1. optreden als gastvrouw of gastheerxxx
2. gerechten bereidenxxx
P/D&P/1.4
Deeltaak: facilitaire werkzaamheden uitvoeren. De kandidaat kan:
1. maatregelen beschrijven om de negatieve gevolgen van de uit te voeren activiteit voor het milieu te beperkenxxx
2. schoonmaakmiddelen, -materialen en -apparatuur kiezen en gebruiken en de werkzaamheden uitvoeren volgens voorschriftenxx
3. taken van hulpdiensten benoemen en beoordelen welke hulpdiensten ingeschakeld moeten wordenxxx
4. taken van beveiligers benoemenxxx
5. een ruimte inrichtenxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xxx
Profielvak: Dienstverlening en productenBBKBGL
Module 2: presenteren, promoten en verkopen
Taak: ○ verschillende manieren van communicatie en communicatiemiddelen (her)kennen, benoemen en professioneel toepassen ○ een product en dienst presenteren, promoten en verkopen ○ doelgericht informatie verstrekken en instructies geven
P/D&P/2.1
Deeltaak: verschillende manieren van communicatie en communicatiemiddelen (her)kennen, benoemen en professioneel toepassen. De kandidaat kan:
1. media-uitingen met elkaar vergelijken en een beargumenteerde keuze maken voor een medium gelet op bijvoorbeeld doel, doelgroep, functionaliteiten en duurzaamheidxx
2. voor een bepaald doel en een bepaalde doelgroep een media-uiting makenxx
3. kenmerken van media-uitingen benoemen en de verschillende functies daarvan aangevenxx
4. social media gebruiken en toepassen in een zakelijke contextxx
P/D&P/2.2
Deeltaak: een product en dienst presenteren, promoten en verkopen. De kandidaat kan:
1. omschrijven, benoemen en uitleggen waarom promotie belangrijk isxx
2. een promotieplan maken en beoordelenx
3. een verkoopgesprek voerenxx
4. producten presenteren met gebruikmaking van promotie- en decoratiemateriaalxx
P/D&P/2.3
Deeltaak: doelgericht informatie verstrekken en instructies geven. De kandidaat kan:
1. uitleg, instructie, voorlichting en informatie geven aan publiek, bezoekers en deelnemersxx
2. communicatieve vaardigheden toepassenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xx
Profielvak: Dienstverlening en productenBBKBGL
Module 3: een product maken en verbeteren
Taak: ○ een ontwerp en een product beoordelen, ontwerpen, tekenen en printen in 3D ○ een product maken
P/D&P/3.1
Deeltaak: een ontwerp en een product beoordelen, ontwerpen, tekenen en printen in 3D. De kandidaat kan:
1. een ontwerp en een product beoordelen en suggesties doen voor verbeteringxx
2. een product ontwerpen en tekenen in een 3D-tekenprogrammaxx
3. 3D-printprincipes en printtechnieken uitleggenx
P/D&P/3.2
Deeltaak: een product maken. De kandidaat kan:
1. werktekeningen lezen en interpreteren, tekentechnische symbolen begrijpen en aan de hand van de tekening een werkvoorbereiding opstellenxx
2. een product in elkaar zetten door gebruik te maken van verbindingenxx
3. het vervaardigde product controleren op de kwaliteit van de verbindingxx
4. een product vervaardigen met handgereedschappen, elektrische handgereedschappen en machinesxx
5. handgereedschappen, elektrische handgereedschappen en machines veilig gebruikenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xx
Profielvak: Dienstverlening en productenBBKBGL
Module 4: multimediale producten maken
Taak: aan de hand van een programma van eisen: ○ een digitaal ontwerp maken ○ een film maken ○ een website ontwerpen en maken
P/D&P/4.1
Deeltaak: een digitaal ontwerp maken. De kandidaat kan:
1. informatie verwerken en deze vormgeven in een lay-outxxx
P/D&P/4.2
Deeltaak: een film maken. De kandidaat kan:
1. genres in film onderscheiden en gangbare begrippen in filmtaal gebruikenxxx
2. op basis van gegeven informatie een script, storyboard en draaiboek makenxxx
3. aan de hand van het storyboard en het draaiboek filmopnamen makenxxx
4. met behulp van montagesoftware beelden monteren tot een samenhangend geheelxxx
P/D&P/4.3
Deeltaak: een website ontwerpen en maken. De kandidaat kan:
1. wensen van de opdrachtgever inventariseren, interpreteren en aanvullen in een ontwerp voor een websitex
2. wensen van de opdrachtgever inventariseren, interpreteren en verwerken in een ontwerp voor een websitexx
3. een begroting maken voor het bouwen, hosten en onderhouden van de websitexx
4. het voorlopige ontwerp inclusief begroting voorleggen aan de opdrachtgeverxx
5. een website makenxxx
6. de website presenteren aan de opdrachtgeverx
7. de website presenteren aan de opdrachtgever en gemaakte keuzes beargumenterenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xxx

2.55 Economie en ondernemen

Kern Economie en ondernemen
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling.
a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: 1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; 2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; 3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; 4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; 5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; 6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; 7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; 8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; 9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; 10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; 11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; 12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; 13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; 14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; 15. hygiënisch werken; 16. milieubewust handelen; 17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur. 18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; 19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht.
b. Professionele kennis en vaardigheden De kandidaat kan: 1. een commerciële instelling tonen, met name: – onderdelen van een marktonderzoek uitvoeren – verkoopvaardigheden – klant- en servicegerichte houding – kansen zien en benutten 2. inspelen op trends en ontwikkelingen 3. communicatieve vaardigheden toepassen, onder meer: – telefoneren – vergaderen – presenteren en demonstreren – overtuigen – corresponderen – sociale media inzetten 4. vaardigheden toepassen op het gebied van kantoor-, retail- en magazijnautomatisering 5. ondernemersvaardigheden tonen, onder meer: – innovatief zijn – creatief zijn – risico nemen 6. werken volgens een bedrijfsconcept
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier worden bij de uitgevoerde activiteiten de volgende punten beschreven: V. de beoogde doelen VI. de resultaten VII. de evaluatie en een conclusie VIII. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies
Profielvak: Economie en OndernemenBBKBGL
Module 1: Commercieel
Taken: ○ de retailformule en de marketinginstrumenten herkennen en toepassen ten aanzien van de doelgroep, het assortiment en de marktpositie ○ verkopen en afrekenen
P/EO/1.1
Deeltaak: de retailformule en de marketinginstrumenten herkennen en toepassen ten aanzien van de doelgroep, het assortiment en de marktpositie. De kandidaat kan:
1. het begrip retailformule herkennen en toepassenx
2. het begrip retailformule herkennen, omschrijven en toepassenxx
3. de belangrijkste elementen uit de retailformule herkennen, omschrijven en toepassen (doelgroep, assortiment, concurrentiepositie)xxx
4. de samenhang tussen doelgroep en distributie herkennen en toepassenxxx
5. het belang van vakkennis (artikelkennis) herkennen en toepassenxxx
6. assortimentskennis verwerven, herkennen en toepassenxxx
7. de samenhang tussen prijs en de marktpositie herkennenx
8. de samenhang tussen prijs en de marktpositie herkennen en toepassenxx
9. de samenhang tussen promotie en presentatie en de marktpositie herkennen en toepassenx
10. de samenhang tussen promotie en presentatie en de marktpositie herkennen, uitleggen en toepassenxx
11. de samenhang tussen reclame en de marktpositie herkennen en toepassenxxx
P/EO/1.2
Deeltaak: verkopen en afrekenen. De kandidaat kan:
1. de verkoopfasen doorlopenxxx
2. afrekenhandelingen verrichtenxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xxx
Profielvak: Economie en ondernemenBBKBGL
Module 2: secretarieel
Taak: secretariële werkzaamheden uitvoeren: ○ backoffice werkzaamheden uitvoeren ○ frontoffice werkzaamheden uitvoeren
P/EO/2.1
Deeltaak: backoffice werkzaamheden uitvoeren. De kandidaat kan:
1. het agendabeheer voerenxxx
2. bijeenkomsten organiserenxxx
3. communicatie verzorgenxxx
4. post verzorgenxxx
5. secretariële ondersteuning verrichtenxxx
6. data beherenxxx
P/EO/2.2
Deeltaak: frontoffice werkzaamheden uitvoeren. De kandidaat kan:
1. communicatie verzorgenxxx
2. klachten afhandelenxxx
3. klanten ontvangenxxx
4. bezoekers ontvangenxxx
5. het bedrijf presenterenxxx
6. ontwikkelingen in de secretariële ondersteuning herkennenx
7. ontwikkelingen in de secretariële ondersteuning herkennen en uitleggenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xxx
Profielvak: Economie en ondernemenBBKBGL
Module 3: logistiek
Taak: magazijnwerkzaamheden uitvoeren (eventueel in gesimuleerde omgeving) ten aanzien van: ○ ontvangst en opslag van goederen ○ verzamelen, verpakken en verzenden van goederen ○ voorraad bijhouden, inventariseren en bestellen
P/EO/3.1
Deeltaak: ontvangst en opslag van goederen. De kandidaat kan:
4. goederen ontvangenxx
5. goederen opslaanxx
6. goederen verplaatsen, intern transportxx
7. derving tegengaanxx
P/EO/3.2
Deeltaak: verzamelen, verpakken en verzenden van goederen. De kandidaat kan:
1. goederen verzamelenxx
2. goederen verpakken en verzendklaar makenxx
3. goederen verzendenxx
P/EO/3.3
Deeltaak: voorraad bijhouden, inventariseren en bestellen. De kandidaat kan:
1. begrippen met betrekking tot de voorraad herkennenx
2. begrippen met betrekking tot de voorraad herkennen en toepassenx
3. administratief voorraadbeheer uitvoerenxx
4. goederen bestellenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xx
Profielvak: Economie en ondernemenBBKBGL
Module 4: administratie
Taak: een bijdrage leveren aan de administratie van (handels)ondernemingen: ○ bedrijven, bedrijfsfuncties en bedrijfsprocessen herkennen en benoemen ○ de administratie van de (handels)onderneming bijhouden
P/EO/4.1
Deeltaak: bedrijven, bedrijfsfuncties en bedrijfsprocessen herkennen en benoemen. De kandidaat kan:
1. rechtsvormen en kenmerken van bedrijven herkennenxx
2. doelstellingen van bedrijven herkennen en benoemenxx
3. bedrijfsfuncties herkennenx
4. bedrijfsfuncties herkennen en benoemenx
5. bedrijfsprocessen herkennenx
6. bedrijfsprocessen herkennen en benoemenx
P/EO/4.2
Deeltaak: de administratie van de (handels)onderneming bijhouden. De kandidaat kan:
1. de formulierenstroom in het bedrijf bijhoudenxx
2. financiële feiten verwerken in de boekhoudingxx
3. financiële data gebruiken: lezen, berekenenx
4. financiële data gebruiken: lezen, berekenen, interpreterenx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xx

2.55.1 Economie en Ondernemen (nieuwe stijl)

Kern Economie en Ondernemen (nieuwe stijl)
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie, of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling.
A. Algemene kennis en vaardigheden
De kandidaat kan: A1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; A2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; A3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; A4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; A5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; A6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; A7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding)gerelateerde situatie; A8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; A9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; A10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; A11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; A12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; A13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; A14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; A15. hygiënisch werken; A16. milieubewust handelen; A17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; A18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; A19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht.
B. Professionele kennis en vaardigheden
De kandidaat kan: B1. een commerciële instelling tonen, met name: – onderdelen van een marktonderzoek uitvoeren – verkoopvaardigheden – klant- en servicegerichte houding – kansen zien en benutten B2. inspelen op trends en ontwikkelingen B3. communicatieve vaardigheden toepassen, onder meer: – telefoneren – vergaderen – presenteren en demonstreren – overtuigen – corresponderen – sociale media inzetten B4. vaardigheden toepassen op het gebied van kantoor-, retail- en magazijnautomatisering B5. ondernemersvaardigheden tonen, onder meer: – innovatief zijn – creatief zijn – risico nemen B6. werken volgens een bedrijfsconcept
C. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling
De kandidaat is in staat de eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. De kandidaat doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.
C1 De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’:
1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?)
C2 De kandidaat maakt de eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier worden bij de uitgevoerde activiteiten de volgende punten beschreven:
I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies
Profielvak: Economie en Ondernemen (nieuwe stijl)BBKBGL
Module 1: Retail & Styling
Taak: • de verkoopomgeving realiseren • commerciële werkzaamheden uitvoeren
P/EO/1.1
Deeltaak: • de verkoopomgeving realiseren. De kandidaat kan:
1. het begrip retailformule beschrijvenxxx
2. samenhang tussen doelgroep, assortiment en marktpositie analyserenxxx
3. samenhang tussen de marketinginstrumenten analyserenxxx
4. winkelinrichting ontwerpenxxx
5. promotiematerialen realiserenxxx
P/EO/1.2
Deeltaak: • commerciële werkzaamheden uitvoeren De kandidaat kan:
1. de verkoopomgeving verkoopklaar makenxxx
2. artikelpresentaties maken aan de hand van een thema en compositiexxx
3. etaleren aan de hand van een thema en compositiexxx
4. nevenactiviteiten realiseren om omzet te stimulerenxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Economie en Ondernemen (nieuwe stijl)BBKBGL
Module 2: Service & Sales
Taak: • service verlenen • verkoopwerkzaamheden uitvoeren • afrekenhandelingen verrichten • online verkopen van goederen en diensten
P/EO/2.1
Deeltaak: • service verlenen De kandidaat kan:
1. service voor, tijdens en na de verkoop uitvoerenxx
2. communicatieve en sociale vaardigheden toepassenxx
P/EO/2.2
Deeltaak: • verkoopwerkzaamheden uitvoeren De kandidaat kan:
1. klanten benaderenxx
2. klantenadvies geven op basis van artikelkennisxx
3. een verkoopgesprek voerenxx
4. decoratief inpakkenxx
P/EO/2.3
Deeltaak: • afrekenhandelingen verrichten De kandidaat kan:
1. artikelen afrekenenxx
2. kassa opmakenxx
3. omgaan met verschillende afreken- en betalingsvormenxx
P/EO/2.4
Deeltaak: • online verkopen van goederen en diensten De kandidaat kan:
1. productpresentatie makenxx
2. verkoopkanaal realiserenxx
3. klanten werven en behoudenxx
4. wet- en regelgeving toepassenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Economie en Ondernemen (nieuwe stijl)BBKBGL
Module 3: Stock & Supplies
Taak: • magazijnwerkzaamheden uitvoeren • voorraad beheren en bestellen
P/EO/3.1
Deeltaak: • magazijnwerkzaamheden uitvoeren De kandidaat kan:
1. goederen ontvangenxx
2. goederen opslaanxx
3. goederen verplaatsenxx
4. goederen verzamelenxx
5. goederen verpakken en verzendenxx
6. omgaan met derving in een magazijnxx
P/EO/3.2
Deeltaak: • voorraad beheren en bestellen De kandidaat kan:
1. voorraadbeheer uitvoerenxx
2. goederen bestellenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Economie en Ondernemen (nieuwe stijl)BBKBGL
Module 4: Office & Support
Taak: • gegevens verwerken • klantvriendelijk communiceren • ondersteunende werkzaamheden uitvoeren
P/EO/4.1
Deeltaak: • gegevens verwerken De kandidaat kan:
1. documenten sorteren en archiveren in de bedrijfsstructuurxxx
2. gegevens beherenxxx
3. inkoop- en verkoopadministratieve werkzaamheden uitvoerenxxx
4. financiële gegevens verwerkenxxx
5. agenda beherenxxx
P/EO/4.2
Deeltaak: • klantvriendelijk communiceren De kandidaat kan:
1. optreden als aanspreekpunt voor klanten/bezoekersxxx
2. receptie- en baliewerkzaamheden uitvoerenxxx
3. zakelijke communicatie verzorgenxxx
P/EO/4.3
Deeltaak: • ondersteunende werkzaamheden uitvoeren De kandidaat kan:
1. facilitaire ondersteuning uitvoerenxx
2. organisatorische werkzaamheden uitvoerenxxx
3. dienstverlenende werkzaamheden uitvoerenxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.

2.56 Groen

Kern Groen
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in competenties en professionele vaardigheden. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling.
a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: 1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; 2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; 3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; 4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; 5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; 6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; 7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; 8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; 9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; 10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; 11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; 12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; 13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; 14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; 15. hygiënisch werken; 16. milieubewust handelen; 17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; 18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; 19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht.
b. Professionele kennis en vaardigheden De kandidaat kan: 1. het economisch en maatschappelijk belang van de groene sector benoemen en de positie van de sector op de wereldmarkt aangeven; 2. de begrippen duurzaamheid en kringloop (her)kennen, benoemen en hanteren; 3. gangbare technieken hanteren ten behoeve van onderhoud, reparatie, creatie en realisatie in een groene context; 4. gangbare gereedschappen, apparaten en materialen gebruiken en onderhouden in een groene context; 5. met behulp van informatiebronnen organismen of groepen van organismen op naam brengen; 6. onderzoeksactiviteiten verrichten en daarbij onder andere vergelijken, meten en wegen, resultaten verwerken en beargumenteerde keuzes maken; 7. meerdere oplossingen en variaties bedenken voor een ontwerp of een probleem en daarbij verschillende denkstrategieën gebruiken;
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier worden bij de uitgevoerde activiteiten de volgende punten beschreven: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies
Profielvak: GroenBBKBGL
Module 1: groene productie
Taak: Groene productie mogelijk maken: ○ kennis hebben van eigentijds en duurzaam ondernemen in de groene sector, rekening houdend met omgevingsfactoren ○ plantaardige producten vermeerderen, gewassen en planten telen en oogsten en daarbij gangbare technologie en technieken herkennen en gebruiken ○ op bedrijfsmatige wijze dieren houden, hierbij verantwoorde keuzes maken, met respect voor welzijn, voedselveiligheid, milieu en duurzaamheid
P/GR/1.1
Deeltaak: kennis hebben van eigentijds en duurzaam ondernemen in de groene sector, rekening houdend met omgevingsfactoren. De kandidaat kan:
1. de meest voorkomende bedrijfsvormen en nevenactiviteiten herkennen en benoemenxx
2. bedrijfskolommen benoemenxx
3. verschillende technologische en innovatieve ontwikkelingen herkennen en benoemenxx
4. de effecten benoemen van agrarische productie op het milieu en op de eindproducten.xx
5. vormen van het beheer van het landelijk gebied herkennen en benoemenxx
P/GR/1.2
Deeltaak: plantaardige producten vermeerderen, gewassen en planten telen en oogsten en daarbij gangbare technologie en technieken herkennen en gebruiken. De kandidaat kan:
1. op basis van instructies teeltwerkzaamheden uitvoerenx
2. teeltwerkzaamheden benoemen, kiezen, voorbereiden en uitvoerenx
3. op basis van instructies op generatieve en vegetatieve wijze vermeerderingsmethoden bij planten uitvoerenx
4. generatieve en vegetatieve vermeerderingsmethoden bij planten toepassenx
5. de groeivoorwaarden van planten benoemen en toepassenxx
6. op basis van instructies het juiste moment van oogsten vaststellen, oogsten en producten sorteren en bewarenx
7. het juiste moment van oogsten vaststellen, oogsten, producten sorteren en bewarenx
8. gangbare technologie en technieken toepassenxx
P/GR/1.3
Deeltaak: op bedrijfsmatige wijze dieren houden en hierbij verantwoorde keuzes maken met respect voor welzijn, voedselveiligheid, milieu en duurzaamheid. De kandidaat kan:
1. productiedoelen aan de hand van het exterieur van dieren herkennen en benoemenxx
2. verschillende dierhouderijsystemen in de productiesector herkennen en benoemenxx
3. op basis van huisvestingsnormen een verblijf voor productiedieren beoordelenxx
4. begrippen van voortplanting en het belang van voortplanting en fokkerij bij dieren benoemenxx
5. voersoorten herkennen en benoemen en voer afwegen volgens het voeradviesxx
6. op basis van instructie de gezondheid en het welzijn van dieren beoordelenx
7. de gezondheid en het welzijn van dieren beoordelen en eventuele verbeterpunten aangevenx
8. gegevens aflezen uit automatiseringssystemenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xx
Profielvak: GroenBBKBGL
Module 2: tussen productie en verkoop
Taak: ○ voedingsmiddelen uit de groene sector hanteren, verwerken, bereiden en bewaren en van de juiste informatie voorzien ○ in de groene sector geproduceerde producten selecteren, verpakken en transport klaar maken, afgestemd op het verkoopkanaal ○ een voorraadbeheersysteem gebruiken, bestelopdrachten in ontvangst nemen en verwerken tot een order en goederen klaarzetten voor verzending
P/GR/2.1
Deeltaak: voedingsmiddelen uit de groene sector hanteren, verwerken, bereiden en bewaren en van de juiste informatie voorzien. De kandidaat kan:
1. grondstoffen bewerken en bereiden tot houdbare productenxxx
2. de kwaliteit van het proces en het product bewakenxxx
3. aan de hand van een recept een product bereidenxxx
4. een maaltijd samenstellen en de gemaakte keuze van de samenstelling motiverenxxx
5. een product voorzien van informatiexxx
P/GR/2.2
Deeltaak: in de groene sector geproduceerde producten selecteren, verpakken en transport klaar maken, afgestemd op het verkoopkanaal. De kandidaat kan:
1. producten selecteren aan de hand van kwaliteitsvoorschriftenxx
2. op beargumenteerde wijze producten selecterenx
3. producten volgens voorschrift verpakken voor transportxxx
4. passende verkoopkanalen kiezen bij de verkoop vanaf de producentxxx
P/GR/2.3
Deeltaak: een voorraadbeheersysteem gebruiken, bestelopdrachten in ontvangst nemen en verwerken tot een order en goederen klaarzetten voor verzending. De kandidaat kan:
1. bestelopdrachten en inkomende goederen in ontvangst nemen, bevestigen en verwerkenxxx
2. een voorraadbeheersysteem gebruikenxxx
3. mutaties doorvoeren in een voorraadbeheersysteemxx
4. orders klaarzetten voor verzendingxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xxx
Profielvak: GroenBBKBGL
Module 3: vergroening stedelijke omgeving
Taak: ○ een ontwerp maken voor de inrichting van een groene ruimte met planten en dieren ○ een ontwerp voor een groene ruimte met planten en dieren realiseren ○ een groene ruimte onderhouden en beheren ○ anderen informeren over het belang van planten en dieren en over de herkomst van natuurlijke producten
P/GR/3.1
Deeltaak: een ontwerp maken voor de inrichting van een groene ruimte met planten en dieren. De kandidaat kan:
1. een ontwerptekening maken voor een groene ruimte met daarin een groen objectxx
2. een ontwerptekening lezen en gebruikenxxx
3. innovatieve ontwikkelingen toepassen in een ontwerp van een groene ruimtexx
4. aan de hand van eisen voor een bepaalde diersoort een huisvesting en kooiverrijking ontwerpenx
5. een huisvesting voor dieren en een kooiverrijking ontwerpen en de gemaakte keuzen toelichtenxx
P/GR/3.2
Deeltaak: een ontwerp voor een groene ruimte met planten en dieren realiseren. De kandidaat kan:
1. aan de hand van een tekening een ruimte inrichtenxxx
2. met behulp van instrumenten en apparaten, schattingen en metingen uitvoeren om een ontwerp te realiserenxxx
3. op basis van een beplantingsplan een ruimte beplantenxxx
4. op basis van instructies een huisvesting en kooiverrijking voor dieren realiserenx
5. een huisvesting en een kooiverrijking voor dieren realiserenxx
P/GR/3.3
Deeltaak: een groene ruimte onderhouden en beheren. De kandidaat kan:
1. groene onderhoudswerkzaamheden uitvoerenx
2. groene onderhoudswerkzaamheden inventariseren en uitvoerenx
3. een onderhoudsplan opstellen en uitvoerenx
4. dieren huisvesten, voeren en verzorgen en daarbij rekening houden met het welzijn van dierenxxx
5. groei- en productievoorwaarden toepassen voor landbouwgewassen in een stedelijke omgevingx
6. door middel van onderzoek aantonen of water veilig is voor gebruik door planten en dierenxxx
P/GR/3.4
Deeltaak: anderen informeren over het belang van planten en dieren en over de herkomst van natuurlijke producten. De kandidaat kan:
1. informatie geven over de functie en het belang van planten en dierenxxx
2. informatie geven over de herkomst van natuurlijke productenxxx
3. informatie geven over innovatieve ontwikkelingen in een stedelijke omgevingxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xxx
Profielvak: GroenBBKBGL
Module 4: groene vormgeving en verkoop
Taak: in de groene sector: ○ verschillen tussen retailformules benoemen en hier naar handelen, producten bestellen en bestelde goederen en producten in ontvangst nemen, controleren, verwerken en verzorgen ○ ontwerpen, promoten, inrichten en presenteren aan de hand van een winkelformule ○ producten verkopen
P/GR/4.1
Deeltaak: verschillen tussen retailformules benoemen en hier naar handelen, producten bestellen en bestelde goederen en producten in ontvangst nemen, controleren, verwerken en verzorgen. De kandidaat kan:
1. verschillen tussen retailformules in de groene sector benoemenxx
2. met behulp van instructies geschikte inkoopkanalen kiezen bij de inkoop van aan de groene sector gerelateerde producten en producten bestellenx
3. op beargumenteerde wijze geschikte inkoopkanalen kiezen bij inkoop van aan de groene sector gerelateerde producten en producten bestellenx
4. aan de groene sector gerelateerde producten in ontvangst nemen, controleren en verwerkenxx
5. aan de groene sector gerelateerde producten in de winkel plaatsen, beheren en verzorgenxx
P/GR/4.2
Deeltaak: ontwerpen, promoten, inrichten en presenteren aan de hand van een winkelformule. De kandidaat kan:
1. een marketingmix volgens instructie toepassenx
2. een marketingmix toepassenx
3. een promotieactiviteit en promotiemateriaal ontwerpen en maken met aan de groene sector gerelateerde producten, passend bij een winkelformulexx
4. een artikelpresentatie ontwerpen en maken met groene productenxx
5. een decoratieve schikking ontwerpen en maken met behulp van steektechniekenxx
6. een boeket samenstellen met behulp van een korenschoof bindtechniekxx
7. een ontwerp maken voor de inrichting van een ruimte en een ruimte inrichten passend bij de winkelformule, een doelgroep, seizoenen en trendsxx
P/GR/4.3
Deeltaak: producten verkopen. De kandidaat kan:
1. een verkoopgesprek voeren afgestemd op de klant en een winkelformulexx
2. een klant adviseren bij verkoop van aan de groene sector gerelateerde productenxx
3. prijsberekeningen makenxx
4. een offerte makenx
5. betalingshandelingen verrichtenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xx

2.57 Horeca, bakkerij en recreatie

Kern Horeca, bakkerij en recreatie
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: 1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; 2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; 3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; 4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; 5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; 6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; 7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; 8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; 9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; 10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; 11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; 12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; 13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; 14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; 15. hygiënisch werken; 16. milieubewust handelen; 17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; 18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; 19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht.
b. Professionele kennis en vaardigheden De kandidaat kan: 1. commerciële instelling tonen, met name: – gast-, klant- en servicegerichte houding, – aankleden/ inrichten 2. communicatieve vaardigheden toepassen. 3. ICT- vaardigheden toepassen, correspondentie. 4. ondernemersvaardigheden tonen; onder meer initiatief tonen, creatief zijn. 5. werken volgens een bedrijfsformule. 6. innovatie: inspelen op trends en ontwikkelingen op het gebied van smaak, creatie en duurzaamheid. 7. berekenen van opbrengsten, kosten en winst. 8. ambachtelijke vaardigheden tonen en koppelen aan moderne technieken/ productie methoden. 9. relevante technologische ontwikkelingen en vaardigheden toepassen. 10. wet- en regelgeving toepassen
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies
Profielvak: Horeca, bakkerij en recreatieBBKBGL
Module 1: gastheerschap
Taak: een bijdrage leveren aan: ○ de bedrijfsvoering binnen een Horeca-, Bakkerij- en Recreatie omgeving ○ een aangenaam verblijf en de verzorging van gasten ○ het uitvoeren van dagelijkse facilitaire werkzaamheden ○ het bereiden en serveren van kleine gerechten en drank
P/HBR/1.1
Deeltaak: een bijdrage leveren aan de bedrijfsvoering binnen een Horeca-, Bakkerij- en Recreatie omgeving. De kandidaat kan:
1. assisteren bij het vormgeven aan en realiseren van bedrijfsdoelstellingen en bedrijfsformulesx
2. bedrijfsdoelstellingen en bedrijfsformules vormgeven en realiserenxx
3. bedrijfstypen en bedrijfsformules herkennenx
4. bedrijfstypen en bedrijfsformules benoemenxx
5. administratieve handelingen, frontofficehandelingen en betalingswerkzaamheden uitvoerenxxx
6. de prijs bepalen van de te leveren diensten en productenxxx
7. offertes vergelijken en opstellenxxx
8. assisteren bij het opzetten van en verrichten van promotionele activiteitenx
9. promotionele activiteiten opzetten en uitvoerenxx
10. de marketingmix gebruiken, de marketinginstrumenten toepassenxxx
P/HBR/1.2
Deeltaak: een bijdrage leveren aan een aangenaam verblijf en de verzorging van de gasten. De kandidaat kan:
1. gasten ontvangenxxx
2. gasten plaatsenxxx
3. vertrek van gasten begeleidenxxx
4. anticiperen en inspelen op vragen, verzoeken, opmerkingen en problemen van gastenxxx
5. een gastenverblijf inrichten, rekening houdend met het concept/formule van het bedrijfxxx
6. een menu en drankenkaart makenxxx
7. bestellingen opnemenxxx
8. draag- en serveermethoden uitvoerenxxx
9. debarrasserenxxx
P/HBR/1.3
Deeltaak: een bijdrage leveren aan het uitvoeren van dagelijkse facilitaire werkzaamheden. De kandidaat kan:
1. apparatuur, gereedschappen en machines in de gastenruimtes schoonmaken en onderhoudenxxx
2. mastiek maken, service gereed maken van de gastenruimtes binnen en buitenxxx
P/HBR/1.4
Deeltaak: een bijdrage leveren aan het serveren van kleine gerechten en dranken. De kandidaat kan:
1. het bedrijfsconcept/formule van een gastverblijf en eetgelegenheid uitdragenxxx
2. dranken, enkelvoudige gerechten en snacks serverenxxx
3. sociale hygiëne signaleren en meldenxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xxx
Profielvak: Horeca, bakkerij en recreatieBBKBGL
Module 2: de bakkerij
Taak: een bijdrage leveren aan het beheren en vervaardigen van bakkerijproducten
P/HBR/2.1
Deeltaak: een bijdrage leveren aan het beheer van bakkerijproducten. De kandidaat kan:
1. trends en ontwikkelingen volgen en toepassenxx
2. assortiment beherenxx
3. productie van bakkerijproducten plannen en organiserenxx
4. grondstoffen, ingrediënten en tussenproducten beherenxx
P/HBR/2.2
Deeltaak: een bijdrage leveren aan het vervaardigen van bakkerijproducten. De kandidaat kan:
1. receptuur hanteren voor het vervaardigen van bakkerijproductenxx
2. apparatuur, gereedschappen en machines gebruiken en onderhouden, volgens de voorgeschreven proceduresxx
3. grondstoffen, ingrediënten en tussenproducten schoonmaken en (voor)bewerkenxx
4. bakkerij tussenproducten en bakkerijeindproducten vervaardigen en verwerkenxx
5. bakkerijproducten afwerken, decoreren en presenterenxx
6. economisch en duurzaam omgaan met grondstoffen, gas, water en elektraxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xx
Profielvak: Horeca, bakkerij en recreatieBBKBGL
Module 3: de keuken
Taak: een bijdrage leveren aan het beheren van horecaproducten en bereiden van gerechten in een horecagelegenheid
P/HBR/3.1
Deeltaak: een bijdrage leveren aan het beheren van horecaproducten. De kandidaat kan:
1. trends en ontwikkelingen volgen en toepassenxxx
2. assortiment beherenxxx
3. productie van horecaproducten plannen en organiserenxxx
4. grondstoffen, ingrediënten en tussenproducten beherenxxx
P/HBR/3.2
Deeltaak: een bijdrage leveren aan het bereiden van gerechten in een horecagelegenheid. De kandidaat kan:
1. receptuur hanteren voor het vervaardigen van horecaproductenxxx
2. apparatuur, gereedschappen en machines gebruiken en onderhouden, volgens de voorgeschreven proceduresxxx
3. grondstoffen, ingrediënten en tussenproducten schoonmaken en (voor)bewerkenxxx
4. tussenproducten en gerechten bereiden en verwerkenxxx
5. gerechten doorgeven, afwerken en garneren/presenterenxxx
6. economisch en duurzaam omgaan met grondstoffen, gas, water en elektraxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xxx
Profielvak: Horeca, bakkerij en recreatieBBKBGL
Module 4: recreatie
Taak: een bijdrage leveren aan de uitvoering van recreatieve activiteiten
P/HBR/4.1
Deeltaak: een bijdrage leveren aan de uitvoering van recreatieve activiteiten. De kandidaat kan:
1. op (specifieke) belangstelling voor recreatie en ontspanningsmogelijkheden voor gasten inspelenxx
2. assisteren bij promotionele activiteiten en deze mee helpen ontwikkelenx
3. promotionele activiteiten uitvoeren en deze mee helpen ontwikkelenx
4. recreatiemogelijkheden voor gasten organiseren, regelen en begeleidenxx
5. assisteren bij het inschakelen van organisatiebureaus, entertainmentbureaus en vervoerdersx
6. organisatiebureaus, entertainmentbureaus, vervoerders inschakelenx
7. assisteren bij inschrijvingen en bij het betalingsverkeer van activiteitenx
8. inschrijvingen en betalingsverkeer van activiteiten regelenx
9. assisteren bij de catering voor en rondom activiteitenx
10. catering voor en rondom activiteiten organiserenx
11. sociale hygiëne signaleren en meldenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xx

2.58 Maritiem en techniek

Kern Maritiem en techniek
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling.
a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: 1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; 2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; 3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; 4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; 5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; 6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; 7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; 8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; 9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; 10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; 11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; 12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; 13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; 14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; 15. hygiënisch werken; 16. milieubewust handelen; 17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; 18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; 19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht.
b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: 1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; 2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; 3. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie;
Voorbereiden De kandidaat kan:
4. de relaties van natuurkundige grootheden naar de technische praktijk kunnen uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur;
5. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen;
6. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen;
7. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing;
8. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen;
9. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren;
10. opbouw en werking van installaties en/ of constructies uitleggen en demonstreren.
Ontwerpen, maken en dienstverlenen De kandidaat kan:
11. een tekening lezen;
12. een ontwerp maken van een product, systeem en proces;
13. met behulp van een computer een technische tekening maken;
14. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken;
15. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen;
16. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/ of dienst;
17. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht;
18. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekenen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren;
19. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, arbo en Milieu (KAM)-zorg;
20. een werkstuk, product en systeem samenstellen. Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan:
21. een werkstuk, product, systeem en/ of dienst toetsen en evalueren aan de hand van de geformuleerde criteria;
22. een werkstuk, product en systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren.
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. Wat kan ik het best en hoe weet ik dat? [Kwaliteitenreflectie] 2. Waar ga en sta ik voor en waarom dan? [Motievenreflectie] 3. Waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar? [Werkexploratie] 4. Hoe bereik ik mijn doel en waarom zo? [Loopbaansturing] 5. Wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen? [Netwerken] c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies
Profielvak: Maritiem en techniekBBKBGL
Module 1: maritieme logistiek en communicatie
Taak: ○ maritiem vervoer onderscheiden, benoemen en verklaren ○ een presentatie geven over Nederland als maritiem land ○ assisteren bij laad- en loswerkzaamheden ○ communiceren en beroepsmatig handelen ○ ondernemend handelen
P/MT/1.1
Deeltaak: soorten van maritiem vervoer benoemen, onderscheiden en verklaren. De kandidaat kan:
1. verschillende typen schepen en hun functie onderscheiden en benoemenxxx
2. de constructie van schepen en hun vaareigenschappen, in het bijzonder met betrekking tot stabiliteit, verklarenxxx
3. de namen en functies van hoofdcomponenten van schepen benoemenxxx
P/MT/1.2
Deeltaak: de maritieme infrastructuur herkennen en beschrijven en Nederland als maritiem land presenteren. De kandidaat kan:
1. de maritieme vervoersketen en -infrastructuur wereldwijd beschrijvenxxx
2. de maritieme vervoersketen en – infrastructuur in Europa beschrijvenxxx
3. de relatie binnen de maritieme vervoersketen en – infrastructuur uitleggenx
4. de technologische ontwikkelingen in de maritieme dienstverlening beschrijvenxxx
5. de relatie tussen de maritieme vervoersketen en de scheepsbouw beschrijvenx
6. een werkstuk maken over Nederland als maritiem landxxx
P/MT/1.3
Deeltaak: assisteren bij laad- en loswerkzaamheden. De kandidaat kan:
1. de platte knoop, schootsteek, paalsteek, halve steek en mastworp toepassenxxx
2. werken met spanbandenxxx
3. werken met hijsbandenxxx
P/MT/1.4
Deeltaak: communiceren en beroepsmatig handelen. De kandidaat kan:
1. informatie- en communicatiesystemen gebruikenxxx
2. taken met behulp van informatie- en communicatiesystemen uitvoerenxxx
3. maritieme vak-begrippen in het Nederlands en in het Engels gebruiken in de communicatiexxx
4. informatie over technische- en veiligheidskwesties verzamelen, opslaan en actualiserenxxx
P/MT/1.5
Deeltaak: ondernemend handelen. De kandidaat kan:
1. kosten (zoals: personeel, brandstof en machines) en baten (zoals: omzet, verlaagde kosten, klanttevredenheid en service) herkennen en benoemenxxx
2. bijdragen aan een positief bedrijfsimago door de juiste communicatie en gedrag naar belanghebbenden en door gebruik te maken van de juiste symboliek (zoals logo's)xxx
3. marktbewust handelen door planmatig te werken, rekening houdend met de ontwikkelingen in de omgeving, de doelgroep, de markt en de organisatiexx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xxx
Profielvak: Maritiem en techniekBBKBGL
Module 2: maritieme veiligheid
Taak: ○ werken volgens de wettelijke voorschriften in de maritieme sector op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu ○ kordaat optreden in noodgevallen en bij calamiteiten ○ brandpreventiemaatregelen treffen ○ in geval van brand instructies opvolgen, brandbestrijdingsmiddelen kiezen en gebruiken
P/MT/2.1
Deeltaak: werken volgens de wettelijke voorschriften in de maritieme sector op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu. De kandidaat kan:
1. voorschriften op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu op de arbeidsplaats begrijpen en toepassen om ongevallen en milieuvervuiling te voorkomenxxx
2. veiligheidsvoorzieningen ter voorkoming van ongevallen herkennen en toepassenxxx
3. voorzorgsmaatregelen treffen alvorens gesloten ruimten te betredenxxx
4. werkzaamheden uitvoeren volgens nationale en internationale voorschriften ter voorkoming van ongevallen en ter bescherming van gezondheid, veiligheid en milieuxxx
5. aan de hand van behandelings- en gevaar aanduiding (etiketten) de wijze waarop goederen opgeslagen moeten worden, omschrijven en toepassenxxx
6. duurzaam en energiebewust met materialen en middelen omgaanxxx
7. afval milieuvriendelijk verwijderenxxx
P/MT/2.2
Deeltaak: kordaat optreden in noodgevallen en bij calamiteiten. De kandidaat kan:
1. in geval van een calamiteit rekening houden met de eigen en andermans veiligheidxxx
2. bij verschillende soorten calamiteiten adequaat handelend optredenxxx
3. in geval van alarm de procedures toepassenxxx
4. medische eerste hulp verlenenxxx
5. in een noodsituatie de daarvoor voorziene communicatie- en alarmsystemen gebruikenxxx
P/MT/2.3
Deeltaak: brandpreventiemaatregelen treffen. De kandidaat kan:
1. de kenmerken van een brand onderscheiden en een brand classificerenxxx
2. ontstekingsmechanismen en brandhaarden onderscheidenxxx
3. verschillende soorten brandblusapparaten onderscheiden en controlerenxxx
4. handelen in overeenstemming met de procedure om brandpreventiemaatregelen te treffenxxx
P/MT/2.4
Deeltaak: in geval van brand instructies opvolgen, brandbestrijdingsmiddelen kiezen en gebruiken. De kandidaat kan:
1. de juiste brandbestrijdingsmiddelen kiezenxxx
2. verschillende soorten brandblusapparaten bedienen en gebruikenxxx
3. handelen in overeenstemming met de procedures en de brandbestrijdingsorganisatie op de werkplekxxx
4. instructies opvolgen bij de brandbestrijding en reddingswerkzaamhedenxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xxx
Profielvak: Maritiem en techniekBBKBGL
Module 3: maritieme installaties
Taak: ○ werkzaamheden aan een maritieme installatie en -uitrustingen voorbereiden ○ installaties op de werkplek herkennen, benoemen en gebruiken ○ een eenvoudig hydraulisch, pneumatisch en elektrisch systeem verklaren en demonstreren
P/MT/3.1
Deeltaak: werkzaamheden aan een maritieme installatie en -uitrustingen voorbereiden. De kandidaat kan:
1. met behulp van CAD een tekening maken van een product, zowel 2D en 3Dxx
2. werktuigbouwkundige en elektrotechnische tekeningen en schema's ten behoeve van een maritieme installatie lezenxx
3. aan de hand van een tekening een stuklijst en materiaalstaat makenxx
4. aan de hand van een tekening, stuklijst en materiaalstaat een eenvoudige calculatie makenx
P/MT/3.2
Deeltaak: installaties op de werkplek herkennen, benoemen en gebruiken. De kandidaat kan:
1. de uitrusting en hijsinrichtingen, zoals lieren en kranen benoemenxx
2. de functie van werktuigen, gereedschappen en hulpmaterialen die op de werkplek worden gebruikt, noemen en herkennenxx
3. werktuigen, gereedschappen en hulpmaterialen gebruikenxx
P/MT/3.3
Deeltaak: een eenvoudig hydraulisch, pneumatisch en elektrisch systeem verklaren en demonstreren. De kandidaat kan:
1. opbouw en werkingsprincipe van een hydraulisch systeem verklaren en demonstrerenxx
2. opbouw en werkingsprincipe van een pneumatisch systeem verklaren en demonstrerenxx
3. opbouw en werkingsprincipe van een elektrisch systeem verklaren en demonstrerenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xx
Profielvak: Maritiem en techniekBBKBGL
Module 4: reparatie en onderhoud
Taak: ○ bijdragen aan de algemene technische veiligheid ○ onderhoudswerkzaamheden uitvoeren ○ eenvoudige reparaties uitvoeren
P/MT/4.1
Deeltaak: bijdragen aan de algemene technische veiligheid. De kandidaat kan:
1. de constructie, werking en controleprocessen van het te gebruiken materieel benoemenxx
2. aandrijfmotoren en overige uitrustingen gereed maken voor gebruik en controleren op de juiste werkingxx
3. de juiste gereedschappen en materialen gebruikenxx
P/MT/4.2
Deeltaak: onderhoudswerkzaamheden uitvoeren aan materieel, installaties, machines en controlesystemen. De kandidaat kan:
1. onderhoudswerkzaamheden plannen en voorbereidenxx
2. met gangbare materialen en gereedschappen werken om de onderhoudswerkzaamheden uit te voerenxx
3. reinigings- en onderhoudsmiddelen op de juiste wijze gebruiken en toepassenxx
4. periodieke onderhoudswerkzaamheden uitvoeren aan materieel, machines, installaties en controlesystemen in overeenstemming met technische instructies en proceduresxx
5. onderhoudswerkzaamheden volgens procedures afronden en de resultaten controlerenxx
P/MT/4.3
Deeltaak: eenvoudige reparaties uitvoeren aan materieel, installaties en machines. De kandidaat kan:
1. reparatiewerkzaamheden plannen en voorbereidenxx
2. met gangbare materialen en gereedschappen werken om de reparatiewerkzaamheden uit te voerenxx
3. eenvoudige metaalbewerkingswerkzaamheden uitvoerenxx
4. informatie en documentatie over technische procedures lezen en toepassenxx
5. aan de hand van foutmeldingen eenvoudige storingen aan machines en elektrotechnische installaties verhelpen om schade te voorkomen en de veiligheid te waarborgenxx
6. reparatieprocedures toepassen, afronden en de resultaten controlerenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xx

2.59 Media, vormgeving en ICT (MVI)

Kern Media, vormgeving en ICT
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; a.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; a.4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; a.5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; a.6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.15. hygiënisch werken; a.16. milieubewust handelen; a.17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; a.18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht.
b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie. Voorbereiden De kandidaat kan: b.4. de relatie tussen natuurkundige grootheden en de technische praktijk uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.5. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.6. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.7. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.8. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.9. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren b.10. opbouw en werking van installaties en/ of constructies uitleggen en demonstreren. Ontwerpen, maken en dienstverlenen De kandidaat kan: b.11. een tekening lezen; b.12. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.13. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.14. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.15. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.16. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.17. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.18. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekeningen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.19. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo- en Milieu (KAM)-zorg; b.20. een werkstuk, product en systeem samenstellen. Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.21. een werkstuk, product, systeem en/of dienst toetsen en evalueren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.22. een werkstuk, product en systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren.
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c. 1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies
Profielvak: Media, vormgeving en ICTBBKBGL
Module 1: Audiovisuele vormgeving en productie
Taken: ○ een audiovisuele (AV) productie maken van verhaallijn tot film ○ een animatie maken van verhaallijn tot eindproduct
P/MVI/1.1
Deeltaak: een thema bedenken voor een AV-productie en dat uitwerken tot een verhaallijn en storyboard De kandidaat kan:
1. een zelf bedacht thema voor een AV-productie uitwerkenx
2. een verhaallijn voor een AV-productie makenx
3. een storyboard voor een AV-productie makenxx
P/MVI/1.2
Deeltaak: filmmateriaal maken met een camera De kandidaat kan:
1. voorbereidende werkzaamheden uitvoerenxx
2. digitale filmbeelden makenxx
P/MVI/1.3
Deeltaak: een digitaal AV-product maken van en daarover een presentatie verzorgen De kandidaat kan:
1. beelden controleren en rangschikkenxx
2. beelden importeren, knippen en monteren met video-editing softwarexx
3. effecten, titels en overgangen gebruikenxx
4. geluidseffecten en muziek gebruikenxx
5. gemonteerd materiaal exporterenxx
6. het proces en product presenteren en de keuzes beargumenterenx
P/MVI/1.4
Deeltaak: een idee voor het maken van een animatie uitwerken tot een verhaallijn en een storyboard De kandidaat kan:
1. een idee voor een animatie bedenken en beschrijvenx
2. een verhaallijn voor een animatie makenx
3. een storyboard voor een animatie makenxx
P/MVI/1.5
Deeltaak: beelden maken voor een animatie De kandidaat kan:
1. digitale beelden makenxx
2. beelden bewerken met een bewerkingsprogrammaxx
P/MVI/1.6
Deeltaak: een animatie masken en hierover een presentatie verzorgen De kandidaat kan:
1. beelden selecterenxxx
2. beelden importeren en een beweging simuleren
3. tekst bewerken
4. geluidseffecten en muziek toevoegen
5. gemonteerd materiaal exporteren
6. het proces en product presenteren en de keuzes beargumenteren
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding
Profielvak: Media, vormgeving en ICTBBKBGL
Module 2: 2D- en 3D-vormgeving en -productie
Taken: ○ een 2D-mediaproduct passend bij een doelgroep vormgeven, maken en presenteren ○ een 3D-product passend bij een doelgroep vormgeven, maken en presenteren
P/MVI/2.1
Deeltaak: een concept ontwikkelen voor een 2D-mediaproduct De kandidaat kan:
1. onderzoek doen naar de opdrachtxx
2. een idee ontwikkelen voor een 2D-mediaproductxx
3. het werk voorbereidenx
4. onderzoek doen naar de vormgeving van een 2D-mediaproductx
5. een schetsontwerp en een dummy maken van een 2D-mediaproductxx
6. een concept presenterenxx
P/MVI/2.2
Deeltaak: een 2D mediaproduct realiseren en presenteren De kandidaat kan:
1. de realisatie voorbereidenxx
2. het product maken volgens opdrachteisen en concept met de juiste materialen en techniekenxx
3. de nabewerking uitvoerenxx
4. een bij het product passende presentatie geven over het product en het procesx
5. keuzes bij het proces en het product beargumenterenx
P/MVI/2.3
Deeltaak: een concept ontwikkelen voor een 3D product De kandidaat kan:
1. onderzoek doen naar de opdrachtxx
2. een idee ontwikkelen voor een 3D-productx
3. het werk voorbereidenx
4. onderzoek doen naar vormgeving van een 3D-productx
5. een schetsontwerp en model maken van een 3D-productxx
6. een concept presenterenxx
P/MVI/2.4
Deeltaak: een 3D-product realiseren en presenteren De kandidaat kan:
1. de realisatie voorbereidenxx
2. het product met de juiste materialen en technieken maken volgens het ontwikkelde conceptxx
3. onderdelen op juiste wijze monterenxx
4. een bij het product passende presentatie geven over het product en het procesx
5. keuzes bij het proces en het product beargumenterenx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Media, vormgeving en ICTBBKBGL
Module 3: ICT
Taken: ○ devices inzetten voor een specifiek doel ○ devices instellen, verbinden en programmeren ○ gebruikers van devices ondersteunen ○ meldingen en gebruikersvragen verwerken
P/MVI/3.1
Deeltaak: devices inzetten voor een specifiek doel De kandidaat kan:
1. onderzoek doen naar de inzetbaarheid van devices voor een specifiek doelxx
2. advies geven bij het kiezen van een geschikt device voor een specifiek doelxx
3. een device kiezen en inzetten voor een specifiek doelxxx
4. processen beschrijven die door een device kunnen worden uitgevoerdxx
5. problemen van een gebruiker bij het inzetten van een device analyseren, (her)formuleren en vertalen naar een oplossingxx
6. een oplossing omzetten naar een stappenplanxx
P/MVI/3.2
Deeltaak: devices instellen, verbinden en programmeren De kandidaat kan:
1. devices gebruiksklaar maken en benodigde software installerenxxx
2. devices en apparatuur aansluiten en instellenxxx
3. devices veilig verbinden met een netwerk en internetxxx
4. gebruikers aanmaken en rechten beherenxxx
5. adviseren over cybersecurity en beveiliging instellenxxx
6. een gegeven codering invoeren (programmeren)x
7. een serie geordende stappen omzetten in een codering en deze invoeren (programmeren)xx
8. software configurerenxxx
9. software-instellingen aanpassen naar de behoefte van de gebruikerxx
P/MVI/3.3
Deeltaak: gebruikers ondersteunen De kandidaat kan:
1. gebruikers ondersteunen bij het in gebruik nemen van een devicexxx
2. kosten berekenen en presenteren aan de gebruikerxxx
3. de gemaakte keuze voor een device voor een specifiek doel verantwoordenxx
4. controleren of de gebruiker op de juiste wijze geholpen is en het advies indien gewenst aanpassenxxx
P/MVI/3.4
Deeltaak: meldingen en gebruikersvragen verwerken De kandidaat kan:
1. klachten, storingen en vragen verwerken met een ICT-helpdesksysteemxxx
2. meldingen en vragen door middel van een ICT-helpdesksysteem beantwoordenxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Media, vormgeving en ICTBBKBGL
Module 4: Interactieve vormgeving en productie
Taken: ○ een interactief product maken van onderzoek tot eindproduct ○ een interactief product presenteren en gemaakte keuzes beargumenteren
P/MVI/4.1
Deeltaak: onderzoek doen naar en bepalen van een interactief product De kandidaat kan:
1. onderzoek doen voor een digitaal productxx
2. product en device bepalen en toelichtenxx
P/MVI/4.2
Deeltaak: een interactief product ontwerpen De kandidaat kan:
1. een moodboard makenxx
2. een stijlblad makenxxx
3. een flowchart makenxxx
4. wireframes makenxxx
P/MVI/4.3
Deeltaak: een interactief product maken De kandidaat kan:
1. elementen voor een interactief product voorbereidenxx
2. een ontwerp omzetten in een interactief productxxx
3. een interactief product responsive makenxxx
P/MVI/4.4
Deeltaak: een interactief product aanpassen De kandidaat kan:
1. een interactief product testenxxx
2. een deel van een interactief product aanpassenxxx
P/MVI/4.5
Deeltaak: een interactief product presenteren en beargumenteren De kandidaat kan:
1. een interactief product presenteren en gemaakte keuzes beargumenterenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.

2.60 Mobiliteit en transport (M&T)

Kern Mobiliteit en transport
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; a.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; a.4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; a.5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; a.6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.15. hygiënisch werken; a.16. milieubewust handelen; a.17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; a.18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht.
b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie. Voorbereiden De kandidaat kan: b.4. de relaties tussen natuurkundige grootheden en de technische praktijk uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.5. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.6. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.7. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.8. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.9. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren; b.10. opbouw en werking van installaties en/of constructies uitleggen en demonstreren. Ontwerpen, maken en dienstverlenen b.11. een tekening lezen; b.12. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.13. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.14. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.15. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.16. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.17. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.18. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekenen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.19. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo- en Milieu (KAM)-zorg; b.20. een werkstuk, product en systeem samenstellen. Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.21. een werkstuk product, systeem en/of dienst toetsen en evalueren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.22. een werkstuk, product en systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren.
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c. 1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: i. de beoogde doelen ii. de resultaten iii. de evaluatie en een conclusie iv. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies
Profielvak: Mobiliteit & transportBBKBGL
Module 1: Motorconditie testen
Taak: ○ motormechanische delen meten ○ werkzaamheden aan een smeersysteem uitvoeren ○ werkzaamheden aan een koelsysteem uitvoeren
P/MET/1.1
Deeltaak: motormechanische delen meten De kandidaat kan:
1. motormechanische delen meten en meetgegevens beoordelenxxx
2. compressie meten van een verbrandingsmotorxxx
P/MET/1.2
Deeltaak: werkzaamheden aan een smeersysteem uitvoeren De kandidaat kan:
1. opbouw en werking van een smeersysteem omschrijvenxxx
2. relevante metingen en tests uitvoeren aan een smeersysteemxxx
3. een smeersysteem controleren, de vloeistof op niveau brengen en verversenxxx
4. onderdelen van een smeersysteem controleren, testen en vervangenxxx
P/MET/1.3
Deeltaak: werkzaamheden aan een koelsysteem uitvoeren De kandidaat kan:
1. opbouw en werking van een koelsysteem omschrijvenxxx
2. relevante metingen en tests uitvoeren aan een koelsysteemxxx
3. een koelsysteem controleren, de vloeistof op niveau brengen en verversenxxx
4. onderdelen van een koelsysteem testen en vervangenxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Mobiliteit & transportBBKBGL
Module 2: Wielophanging en carrosserie
Taak: ○ wielophanging en veersysteem controleren, beoordelen en vervangen ○ banden en wielen controleren, beoordelen, vervangen, repareren en balanceren ○ delen van de carrosserie inbouwen, uitbouwen en afstellen
P/MET/2.1
Deeltaak: wielophanging, veer- en stabilisatiesysteem controleren, beoordelen en vervangen De kandidaat kan:
1. onderdelen van de wielophanging controleren, beoordelen en vervangenxx
2. onderdelen van het veersysteem controleren, beoordelen en vervangenxx
3. onderdelen van de schokdemping controleren, beoordelen en de schokdempers vervangenxx
4. onderdelen van het stabilisatiesysteem controleren, stabilisatieonderdelen beoordelen en vervangenxx
P/MET/2.2
Deeltaak: banden en wielen controleren, beoordelen, vervangen, repareren en balanceren De kandidaat kan:
1. banden controleren, beoordelen en vervangenxx
2. een velg controlerenxx
3. een band reparerenxx
4. de combinatie van band en velg balancerenxx
P/MET/2.3
Deeltaak: delen van de carrosserie inbouwen, uitbouwen en afstellen De kandidaat kan:
1. delen van een carrosserie verwijderen en monterenxx
2. niet-dragende geschroefde delen van een carrosserie afstellenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Mobiliteit & transportBBKBGL
Module 3: Verlichtings- en comfortsystemen
Taak: ○ eenvoudige elektrische schakelingen maken en metingen uitvoeren ○ verlichtings- en signaleringssystemen controleren, repareren en volgens eenvoudige schema’s aansluiten ○ comfort en veiligheidssystemen controleren ○ elektromotoren aansluiten en testen
P/MET/3.1
Deeltaak: eenvoudige elektrische schakelingen maken en metingen uitvoeren De kandidaat kan:
1. serie-, parallel- en gemengde schakelingen makenxxx
2. met meetapparatuur omgaan en heeft kennis van accu-laadapparatuurxxx
3. een schakeling met relais maken en metingen uitvoerenxx
4. de conditie van een accu vaststellen en de accu vervangenxxx
5. elektrische verbindingen maken met verschillende aansluitingenxxx
P/MET/3.2
Deeltaak: verlichtings- en signaleringssystemen controleren, repareren en volgens eenvoudige schema’s aansluiten De kandidaat kan:
1. een verlichtingssysteem op een practicumbord aansluitenxxx
2. een signaleringssysteem op een practicumbord aansluitenxxx
3. de verlichting en signalering aan een voertuig controleren, repareren en afstellenxxx
P/MET/3.3
Deeltaak: comfort en veiligheidssystemen controleren De kandidaat kan:
1. de ruitenwisserinstallatie en het reinigingssysteem controlerenxxx
2. de temperatuur- en ventilatieregeling controlerenxx
3. de veiligheidssystemen controlerenxx
P/MET/3.4
Deeltaak: elektromotoren aansluiten en testen De kandidaat kan:
1. elektromotoren op een practicumbord aansluitenxxx
2. metingen aan elektromotoren uitvoerenxx
3. elektromotoren inbouwen, uitbouwen en testenxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Mobiliteit & TransportBBKBGL
Module 4: Transport
Taak: ○ een bedrijfsvoertuig veilig laden en lossen ○ een bedrijfsvoertuig vervoersklaar maken en een technische rijklaar-controle uitvoeren ○ een ritplanning en een routeplanning maken (nationaal en internationaal)
P/MET/4.1
Deeltaak: een bedrijfsvoertuig veilig laden en lossen De kandidaat kan:
1. een laadplan makenxx
2. voor het laden en lossen het juiste interne transportmiddel kiezen en gebruikenxx
3. de goederen volgens laadplan laden, stuwen en zekerenxx
4. de goederen lossen, documenten controleren, de goederen klaarzetten voor inslagxx
P/MET/4.2
Deeltaak: een bedrijfsvoertuig vervoersklaar maken en een technische rijklaar-controle uitvoeren De kandidaat kan:
1. een visuele voertuigcontrole uitvoerenxx
2. een technische rijklaar-controle uitvoeren (oliepeil, verlichting en banden)xx
3. de lading, bevestiging en de benodigde documenten controlerenxx
P/MET/4.3
Deeltaak: een ritplanning en een routeplanning maken (nationaal en internationaal) De kandidaat kan:
1. een ritplanning makenxx
2. een routeplanning makenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.

2.61 Produceren, installeren en energie (PIE)

Kern Produceren, installeren en energie
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; a.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; a.4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; a.5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; a.6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.15. hygiënisch werken; a.16. milieubewust handelen; a.17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; a.18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht.
b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie. Voorbereiden De kandidaat kan: b.4. de relaties tussen natuurkundige grootheden en de technische praktijk uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.5. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.6. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.7. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.8. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.9. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren; b.10. opbouw en werking van installaties en/of constructies uitleggen en demonstreren. Ontwerpen, maken en dienstverlenen b.11. een tekening lezen; b.12. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.13. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.14. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.15. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.16. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.17. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.18. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekenen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.19. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo- en Milieu (KAM)-zorg; b.20. een werkstuk, product en systeem samenstellen. Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.21. een werkstuk product, systeem en/of dienst toetsen en evalueren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.22. een werkstuk, product en systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren.
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c. 1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies
Profielvak: Produceren, installeren en energieBBKBGL
Module 1: Ontwerpen en maken
Taak: ○ een ontwerp van een product maken met behulp van CAD-software en de uitvoering voorbereiden ○ een ontworpen product produceren ○ een ontworpen schakeling beproeven ○ onderdelen uit het ontwerp samenstellen, monteren en aansluiten
P/PIE/1.1
Deeltaak: een ontwerp van een product maken met behulp van CAD-software en de uitvoering voorbereiden De kandidaat kan:
1. een ontwerpvraagstuk analyseren, beschrijven en het ontwerp schetsen, uitvoeren, testen en evaluerenxx
2. met behulp van 3D-CAD een ontwerp en werktuigbouwkundige tekeningen voor een product makenxxx
3. stuklijsten en materiaalstaten maken aan de hand van tekeningen en schema’sxx
4. aan de hand van tekeningen, stuklijsten en materiaalstaten een eenvoudige calculatie makenxx
5. een 3D-ontwerp van een eenvoudig product automatisch produceren met behulp van een productiemachinexxx
P/PIE/1.2
Deeltaak: een ontworpen elektrische schakeling in een elektrotechnisch practicum opbouwen en aansluiten De kandidaat kan:
1. elektrische componenten in een practicum opbouwen en aansluiten aan de hand van een eigen ontwerpxx
2. elektrische componenten in een practicum aansluiten aan de hand van een stroomkringschemaxxx
P/PIE/1.3
Deeltaak: in een elektrotechnisch practicum metingen uitvoeren De kandidaat kan:
1. uitvoeren aan een elektrische schakelingxx
2. eenvoudige berekeningen aan elektrische schakelingen uitvoerenxxx
3. digitale universeelmeter en tweepolige spanningstester instellen en aansluitenxxx
4. eenvoudige berekeningen maken met de verkregen meetgegevens en deze met tabellen en grafieken weergeven in een meetrapportxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Produceren, installeren en energieBBKBGL
Module 2: bewerken en verbinden van materialen
Taak: ○ producten maken door het verspanen, vervormen en scheiden van materialen ○ onderdelen samenstellen aan de hand van een werktekening
P/PIE/2.1
Deeltaak: producten maken door het vervormen en scheiden van materialen door middel van knippen, buigen, zwenkbuigen en het maken van bijbehorende uitslagen De kandidaat kan:
1. van een driedimensionaal product een uitslag makenx
2. een uitslag overnemen op plaatwerkxx
3. een plaat bewerken met verschillende gereedschappen en machinesxx
4. buiggereedschap, zetbank en vingerzetbank instellen en gebruikenxx
5. buigvolgorde bepalen van dunne plaatxx
P/PIE/2.2
Deeltaak: Het ontwerp produceren door handmatige, machinale en automatische bewerkingen uit te voeren aan metalen en kunststoffen De kandidaat kan:
1. puntlassen handmatig zagen, schroefdraad snijden en tappen aan de hand van schroefdraadtabellenxx
2. verspanende bewerkingen met behulp van snijsnelhedentabellen uitvoeren op een draaimachine en boormachinexx
P/PIE/2.3
Deeltaak: onderdelen aan de hand van een werktekening met elkaar verbinden De kandidaat kan:
1. onderdelen samenstellen door middel van MAG-hechtlassen en puntlassenxx
2. onderdelen samenstellen door middel van schroef- en klemverbindingxx
3. samengestelde producten controleren op kwaliteit van de verbinding en maatvoeringxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Produceren, installeren en energieBBKBGL
Module 3: besturen en automatiseren
Taak: ○ in een practicum een besturingsinstallatie opbouwen ○ in een practicum een regelsysteem opbouwen ○ in een practicum metingen uitvoeren, een verslag maken van de resultaten en deze presenteren ○ een automatische besturing van een proces opbouwen, aansluiten, testen, demonstreren en presenteren
P/PIE/3.1
Deeltaak: in een practicum aan de hand van een schema en opstellingstekening een besturingsinstallatie, een regelsysteem opbouwen De kandidaat kan:
1. een pneumatische schakeling opbouwenxxx
2. een programmeerbaar relais aansluitenx
3. een programmeerbaar relais aansluiten en een programma invoerenxx
4. sensoren en actuatoren kiezen en aansluitenxx
5. een regelsysteem opbouwen, aansluiten en testenxx
6. storingen en fouten zoeken en verhelpen in de opgebouwde schakelingxxx
P/PIE/3.2
Deeltaak: een automatische besturing van een proces realiseren en testen De kandidaat kan:
1. besturingscomponenten plaatsen aan de hand van een opstellingstekeningxxx
2. de besturingscomponenten bedraden en aansluiten aan de hand van een bedradingstekeningxxx
3. programma invoeren in een programmeerbaar relaisxx
4. de automatische besturing testenxxx
5. de automatische besturing demonstreren en presenterenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.
Profielvak: Produceren, installeren en energieBBKBGL
Module 4: installeren en monteren
Taak: ○ een sanitaire installatie aanleggen ○ een elektrische huisinstallatie aanleggen
P/PIE/4.1
Deeltaak: een sanitaire installatie aanleggen aan de hand van een werktekening De kandidaat kan:
1. werktekeningen en schema’s lezen en interpreterenxx
2. gangbare installatiebuis bewerkenxx
3. gangbare installatiebuis, inclusief de appendages en kranen verbinden en 4. aanleggenxx
5. sanitaire kunststof afvoerleidingen verbinden en aanleggenxx
6. de buisinstallatie beproeven op werking en dichtheidxx
7. beugelmaterialen toepassenxx
8. sanitaire toestellen herkennen en aansluitenxx
9. sanitaire appendages toepassenxx
P/PIE/4.2
Deeltaak: een elektrische huisinstallatie aanleggen De kandidaat kan:
1. installatietekeningen en schema’s lezen en interpreterenxx
2. het leidingnet van een huisinstallatie aanleggen, bedraden en aflassenxx
3. voor een basislichtschakeling schakelaars wandcontactdozen en verlichtingsarmaturen monteren en aansluitenxx
4. fouten zoeken en verhelpen met behulp van bedradingstekeningen en installatietekeningenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.

2.62 Zorg en welzijn

Kern Zorg en welzijn
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden. De kandidaat kan: 1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; 2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; 3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; 4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; 5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; 6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; 7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; 8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; 9. mondeling en schriftelijk rapporteren over uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, uitvoering proces en product; 10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; 11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; 12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; 13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; 14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; 15. hygiënisch werken; 16. milieubewust handelen; 17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; 18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; 19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht.
b. Professionele kennis en vaardigheden De kern van de vmbo sector Zorg en Welzijn bestaat uit drie te onderscheiden maar niet te scheiden aspecten. – persoonlijk functioneren; – werken met en voor de klant; – werken in de beroepsomgeving. Met de 'de klant' wordt bedoeld: de cliënt, gebruiker, zorgvrager, hulpvrager. Persoonlijk functioneren De kandidaat kan: 1a. het begrip puberteit omschrijven en de kenmerken benoemen (fysiek, psychisch en sociaal); 1b. een relatie leggen tussen het eigen functioneren en welbevinden en eigen levensfase (reflecteren); 2a. het begrip leefstijl omschrijven en kenmerken benoemen van een gezonde en ongezonde leefstijl; 2b. de eigen leefstijl omschrijven en aangeven welke keuzes hij/zij zelf maakt (reflecteren); 3. het eigen gedragspatroon in relatie tot klanten in verschillende contexten herkennen, benoemen en erop reflecteren; 4. de eigen ervaring met het werk in de verschillende werkvelden van de sector benoemen en aangeven waarom hij/zij zich daar wel of niet thuis bij voelt; 5. de eigen mogelijkheden en beperkingen met betrekking tot het werken in de verschillende werkvelden weergeven en aangeven hoe en waarin hij/zij zich wil ontwikkelen; 6. ICT vaardigheden toepassen met name: tekstverwerkingsprogramma en presentatieprogramma. Werken met en voor de ander/klant De kandidaat kan: 7. een contact aangaan en onderhouden met de klant en zich daarbij respectvol, empathisch, vriendelijk en belangstellend opstellen; 8. in contacten met klanten opmerkzaam zijn op aspecten van gezondheid en welzijn (waarnemen, observeren, signaleren) en het handelen daarop afstemmen; 9. behoeften en wensen van klanten signaleren en hierover in gesprek gaan; 10. globaal de kenmerken van verschillend levensfasen herkennen en beschrijven (fysieke, psychische en sociale aspecten); 11. cultuurverschillen herkennen en benoemen, en aangeven wanneer interculturaliteit een rol speelt in situaties; 12. in contacten met klanten rekening houden met verschillen in levensfase, cultuur, individuele mogelijkheden; 13. werken volgens beroepsethiek; 14. bij contacten met klanten verschillende gespreksdoelen onderscheiden (zoals informeren, motiveren, stimuleren, instrueren) en gesprekken voeren met een duidelijke opbouw (introductie, hoofdonderwerp, afronding). Werken in de beroepsomgeving De kandidaat kan: 15. het specifieke karakter en nieuwe trends en ontwikkelingen herkennen en benoemen van de werkvelden Gezondheidszorg, Welzijn, Facilitaire Dienstverlening, Sport & Bewegen en Uiterlijke Verzorging; 16. zich binnen ieder afzonderlijk werkveld passend en representatief gedragen; 17. ontwikkelingen op het gebied van ondernemerschap in de werkvelden herkennen en benoemen.
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten zijn gepland op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies
Profielvak: Zorg en welzijnBBKBGL
Module 1: mens en gezondheid
Taak: ondersteunen bij keuzes voor een gezonde leefstijl
P/ZW/1.1
Deeltaak: informatie geven over een gezonde leefstijl. De kandidaat kan:
1. uitleggen welke aspecten van invloed zijn op fysieke, psychische en sociale gezondheidXx
2. een verband leggen tussen leefstijl, voedingspatroon, hygiëne, bewegen en gezondheidxx
3. informatie zoeken en geven over het gebruik van genotmiddelenXx
4. de invloed van media op leefstijl beschrijven en herkennenXx
P/ZW/1.2
Deeltaak: een gezonde maaltijd samenstellen, bereiden en opdienen. De kandidaat kan:
1. een gezonde maaltijd samenstellenXx
2. recepten lezen en omrekenen naar aantal personenXx
3. een planning maken voor het correct uitvoeren van de werkzaamhedenXx
4. tijdens werkzaamheden rekening houden met hygiëneXx
5. basisvaardigheden toepassen die noodzakelijk zijn voor de bereiding van een maaltijdXx
6. materiaal en apparatuur hanteren bij de bereiding van gerechten in de privéhuishoudingXx
7. gerechten presenterenXx
8. gebruikte materialen schoonmaken en opruimenXx
P/ZW/1.3
Deeltaak: ondersteunen bij een verantwoord voedings- en bewegingspatroon en dagritme. De kandidaat kan:
1. informatie zoeken en geven over voedings- en bewegingspatroon en Dagritmexx
2. voedings- en leefgewoonten signaleren, herkennen en rapporterenX
3. voedings- en leefgewoonten observeren, herkennen, en de klant hierover Adviserenx
4. uitleggen hoe dagritme van invloed is op het fysieke en mentale welzijnXx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.Xx
Profielvak: Zorg en welzijnBBKBGL
Module 3: mens en activiteit
Taak: activiteiten organiseren en begeleiden met als doel de klant te activeren
P/ZW/3.1
Deeltaak: een eenvoudige activiteit voor een individu en groep voorbereiden. De kandidaat kan:
1. wensen en behoeften achterhalenxxx
2. een passende activiteit kiezenxxx
3. informatie zoeken en geven over mogelijke activiteitenxxx
4. een draaiboek voor een activiteit makenxxx
P/ZW/3.2
Deeltaak: een eenvoudige activiteit met een individu en groep uitvoeren. De kandidaat kan:
1. deelnemer(s) gastvrij ontvangen, op hun gemak stellen en wegwijs makenxxx
2. deelnemer(s) motiveren tot deelname aan een activiteitxxx
3. deelnemer(s) stimuleren tot zelf doen of meedoenxxx
4. op gestructureerde en consequente wijze iets voordoen en uitleggenxxx
5. aanwijzingen gevenxxx
P/ZW/3.3
Deeltaak: een eenvoudige activiteit met een individu en groep afsluiten. De kandidaat kan:
1. een activiteit afrondenxxx
2. materialen en hulpmiddelen laten opruimenxxx
3. een activiteit met deelnemers en medewerkers evaluerenxxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xxx
Profielvak: Zorg en welzijnBBKBGL
Module 4: mens en zorg
Taak: ondersteunende handelingen verrichten bij het zorg verlenen aan de klant
P/ZW/4.1
Deeltaak: ondersteunen bij eenvoudige verzorgende activiteiten. De kandidaat kan:
1. de hulpbehoefte van een klant signaleren en dit rapporterenx
2. de hulpbehoefte van een klant achterhalen en er naar handelenxx
3. begrip en respect tonen voor gevoelens en wensen van de klantxxx
4. verzorgende activiteiten uitvoeren en daarbij rekening houden met de privacy van de klantxxx
5. de klant stimuleren tot zelfredzaamheidxx
P/ZW/4.2
Deeltaak: ondersteunen bij het bewegen en verplaatsen. De kandidaat kan:
1. de hulpbehoefte van een klant signaleren en dit rapporterenx
2. de hulpbehoefte van een klant achterhalen en er naar handelenxx
3. begrip tonen voor gevoelens en wensen van de klantxxx
4. beweeg-, til- en verplaatsingstechnieken gebruikenxxx
P/ZW/4.3
Deeltaak: eenvoudige EHBO technieken toepassen. De kandidaat kan:
1. een inschatting maken van de ernst van de verwonding en afwegen: zelf handelen of hulp zoekenxxx
2. handelen bij lichte verwondingen, letsel aan het bewegingsapparaat, verslikken en stikken, bloedneus, splinterxxx
P/ZW/4.4
Deeltaak: ondersteunen bij vaak voorkomende ziekteverschijnselen. De kandidaat kan:
1. informatie zoeken en geven over vaak voorkomende ziekten en ziekteverschijnselenxxx
2. een inschatting maken van de ernst van de ziekte en het eigen handelen daarop aanpassenxxx
3. toezien op juist medicijngebruikxxx
4. handelingen uitvoeren volgens voorschrift arts en receptxxx
P/ZW/4.5
Deeltaak: toepassingen van ICT en technologie in de hulpverlening benoemen, adviseren en gebruiken. De kandidaat kan:
1. systemen van ICT en technologie volgens instructie gebruikenxxx
2. de functies van ICT en (zorg)technologie benoemen en adviseren over de inzet van deze systemenxx
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding.xxx

2.63 informatietechnologie

GL/TL
IT/1Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat heeft inzicht in de plaats en mogelijkheden van ICT en informatica in verschillende sectoren van de arbeidsmarkt.X
De kandidaat kan een bewuste keuze maken voor een beroep en een vervolgopleiding op grond van eigen capaciteiten en interesses en mogelijke opleidingen en beroepen.X
IT/2Professionele vaardigheden
De kandidaat kan de Nederlandse taal functioneel gebruiken.X
De kandidaat kan tijdens de werkvoorbereiding en de werkuitvoering op basaal niveau berekeningen maken.X
De kandidaat kan binnen het vakgebied gericht informatie verwerven, verwerken en verstrekken met behulp van geautomatiseerde systemen.X
De kandidaat kan op systematische wijze werkzaamheden uitvoeren.X
De kandidaat kan samenwerken bij het uitvoeren van werkzaamheden.X
De kandidaat kan zijn werkzaamheden op een veilige wijze uitvoeren.X
De kandidaat kan economisch bewust omgaan met materialen en middelen.X
De kandidaat kan hygiënisch werken.X
De kandidaat kan milieubewust handelen.X
De kandidaat kan voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche(s).X
De kandidaat kan omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht.X
De kandidaat kan zijn eigen belangen afwegen tegen het belang van een groep, organisatie of het algemeen belang.X
De kandidaat kan zich aan- en inpassen in de bedrijfscultuur.X
De kandidaat kan reflecteren op het eigen handelen.X
IT/3ICT-vaardigheden
De kandidaat heeft inzicht in de basisfuncties van pakketten ten behoeve van kantoorautomatisering, waaronder een tekstverwerker, een spreadsheet en een presentatiepakket en kan dit inzicht toepassen bij de uitoefening van uitvoerende taken.X
De kandidaat kent enkele applicaties om de uitvoering van een eenvoudig onderzoek te ondersteunen en kan deze applicaties gebruiken om enkele onderzoekstaken, waaronder het verwerken en presenteren van onderzoeksresultaten, te ondersteunen.X
De kandidaat kan anderen ondersteuning bieden bij het gebruik van informatiesystemen, applicaties en media.X
De kandidaat heeft inzicht in enkele kenmerken van projecten, projectmatig werken en daarbij voorkomende rollen en kan dit inzicht toepassen bij het werken in projectverband.X
IT/4Maatschappij en innovatie
De kandidaat heeft inzicht in de rol van informatietechnologie bij maatschappelijke ontwikkelingen.X
De kandidaat heeft inzicht in de normen en waarden bij het gebruik van digitale technologie en kan dit inzicht toepassen bij het gebruik en ontwerp van digitale technologie.X
De kandidaat kent nieuwe ontwikkelingen op het gebied van informatietechnologie.X
IT/5Hardware
De kandidaat heeft inzicht in de globale hardware-architectuur van een computer, in die van de randapparatuur en in de wisselwerking tussen computer en randapparatuur en kan dit inzicht toepassen bij de uitoefening van enkele operationele installatie-, vervangings- en reparatietaken op de componenten van een computer en/of zijn randapparatuur.X
De kandidaat heeft inzicht in de globale werking van lokale en interlokale computernetwerken.X
De kandidaat heeft inzicht in de noodzaak van beveiliging van netwerken en kan enkele manieren om netwerken te beveiligen toepassen.X
IT/6Media ontwerpen
De kandidaat heeft inzicht in kenmerken van printmedia, digitale format- en vormgevingsprincipes en kan dit inzicht toepassen om planmatig een media-uiting voor een printmedium te ontwikkelen.X
De kandidaat heeft inzicht in kenmerken van digitale media en vormgevingsprincipes en kan dit inzicht toepassen om planmatig een media-uiting voor internet en andere digitale media te ontwikkelen.X
De kandidaat heeft inzicht in de concepten van driedimensionaal modelleren en kan dit inzicht toepassen bij het virtueel ontwerp van eenvoudige, driedimensionale objecten en hun bewegingsgedrag.X
IT/7IT ontwerpen
De kandidaat kan informatiestromen beschrijven in een kleine organisatie.X
De kandidaat kan informatiebehoeften analyseren en op basis daarvan een eenvoudige database ontwerpen, maken en gebruiken.X
De kandidaat heeft inzicht in enkele eenvoudige programmeertechnieken en kan dit inzicht toepassen bij de ontwikkeling van een eenvoudig computerprogramma.X

2.64 Praktijkgericht vak Bouwen, Wonen en Interieur

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt de inrichting van een binnenruimte.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën en schetsen, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën en schetsen passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee en schets;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
  • - • visualiseren van het concept in een CAD-tekening.

Doelzin: De leerling maakt een technisch product.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • verzamelen van duurzame materialen en gereedschappen;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak en een werktekening, gebruikmakend van persoonlijke beschermingsmiddelen;
  • - • testen en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling adviseert over bouwkundige oplossingen.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van behoefteonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar bouwkundige oplossingen;
  • - • beoordelen van bouwkundige oplossingen op basis van organisatorische haalbaarheid en duurzaamheid;
  • - • presenteren van verschillende bouwkundige oplossingen.

Doelzin: De leerling adviseert over circulaire bouwmaterialen.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van marktonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar opties;
  • - • beoordelen van opties op basis van eigenschappen, levensduur en herkomst van bouwmaterialen;
  • - • presenteren van verschillende opties.

Doelzin: De leerling monteert bouwelementen.

Het gaat hierbij om:

  • - • verzamelen van bouwelementen en gereedschappen;
  • - • koppelen van bouwelementen volgens een montagetekening, rekening houdend met veiligheidsvoorschriften;
  • - • evalueren van de uitgevoerde montage.

Doelzin: De leerling onderhoudt een deel van een gebouw.

Het gaat hierbij om:

  • - • inspecteren van de huidige situatie;
  • - • controleren van de functionaliteit;
  • - • vaststellen van de te volgen procedure;
  • - • demonteren, monteren en afstellen van onderdelen;
  • - • evalueren van de uitgevoerde procedure.

2.65 Praktijkgericht vak Dienstverlening en Producten

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt een deel van een groene leefomgeving.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
  • - • visualiseren van het concept in een schaalmodel.

Doelzin: De leerling maakt een technisch product.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • verzamelen van duurzame materialen en gereedschappen;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak;
  • - • testen en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling maakt een digitaal mediaproduct.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • verzamelen van audio- en beeldmateriaal;
  • - • samenvoegen van audio- en beeldmateriaal tot een geheel, gebruikmakend van in de creatieve industrie gangbare apparatuur en software;
  • - • opmaken van een definitief ontwerp volgens technische eisen, gebruikmakend van in de creatieve industrie gangbare apparatuur en software;
  • - • controleren en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling adviseert over het verbeteren van een proces.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van gebruikersonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar aanpassingen;
  • - • beoordelen van aanpassingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid en duurzaamheid;
  • - • presenteren van verschillende aanpassingen.

Doelzin: De leerling adviseert over de organisatie van een evenement.

Het gaat hierbij om:

  • - • inventariseren van oplossingen voor publieksstromen en beveiliging op basis van een risicoanalyse;
  • - • beoordelen van oplossingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid met behulp van een expert;
  • - • opstellen van een plan van aanpak voor de organisatie van het evenement;
  • - • presenteren van het plan van aanpak.

Doelzin: De leerling organiseert een sociale activiteit.

Het gaat hierbij om:

  • - • inventariseren van de doelstelling aan de hand van een doelgroepenonderzoek;
  • - • selecteren van een activiteit passend bij de doelstelling en doelgroep;
  • - • opstellen van een kostenoverzicht voor de locatie, begeleiding en materialen;
  • - • opstellen van een draaiboek;
  • - • uitvoeren van de activiteit.

2.66 Praktijkgericht vak Economie en Ondernemen

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt een product dat past bij het bedrijfsconcept.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar concept;
  • - • visualiseren van het concept in een ontwerp.

Doelzin: De leerling maakt een product dat past bij het bedrijfsconcept.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • verzamelen van duurzame materialen en gereedschappen;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak;
  • - • testen en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling adviseert over marketing- en communicatieactiviteiten.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van doelstelling en behoeftenonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar oplossingen op basis van eigen uitgevoerd marktonderzoek, waarbij inhoud en boodschap op elkaar worden afgestemd;
  • - • beoordelen van oplossingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid;
  • - • presenteren van verschillende oplossingen.

Doelzin: De leerling adviseert over de verkoopstrategie van een commerciële organisatie.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van doelstelling, behoefteonderzoek en customer journey;
  • - • omzetten van ideeën naar oplossingen;
  • - • beoordelen van oplossingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid en duurzaamheid;
  • - • presenteren van verschillende oplossingen.

Doelzin: De leerling adviseert over een bedrijfsondersteunend proces.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van doelstelling en behoeftenonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar oplossingen op basis van zelf uitgevoerd marktonderzoek;
  • - • beoordelen van oplossingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid;
  • - • presenteren van verschillende oplossingen.

Doelzin: De leerling organiseert een activiteit die past bij de bedrijfsdoelstelling.

Het gaat hierbij om:

  • - • inventariseren van de doelstelling aan de hand van een doelgroepenonderzoek;
  • - • selecteren van een activiteit die past bij de doelstelling en de doelgroep;
  • - • opstellen van een financieel plan;
  • - • opstellen van een draaiboek, rekening houdend met wet- en regelgeving;
  • - • uitvoeren van de activiteit.

2.67 Praktijkgericht vak Groen

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt een buitenruimte.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën en schetsen, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën en schetsen passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar concept;
  • - • visualiseren van het concept in een tekening.

Doelzin: De leerling maakt een product van natuurlijke en plantaardige materialen.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • verzamelen van natuurlijke en plantaardige materialen en gereedschappen;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak;
  • - • testen en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling adviseert over duurzame bedrijfsvoering.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van marktonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar oplossingen, rekening houdend met het gebruik van duurzame energie;
  • - • beoordelen van oplossingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid;
  • - • presenteren van verschillende duurzame oplossingen.

Doelzin: De leerling teelt een gewas.

Het gaat hierbij om:

  • - • inspecteren van de gesteldheid en kwaliteit van water en bodem;
  • - • beoordelen van de groeiomstandigheden van een gewas;
  • - • vaststellen van benodigde teelthandelingen;
  • - • uitvoeren van teelthandelingen;
  • - • evalueren van de uitgevoerde werkzaamheden.

Doelzin: De leerling verzorgt dieren.

Het gaat hierbij om:

  • - • inventariseren van het gedrag en welzijn van verschillende diersoorten;
  • - • genereren van ideeën op basis van de inventarisatie;
  • - • omzetten van ideeën naar oplossingen om natuurlijk gedrag en dierenwelzijn te bevorderen;
  • - • opstellen van een plan van aanpak om natuurlijk gedrag en dierenwelzijn te bevorderen;
  • - • uitvoeren van het plan van aanpak.

Doelzin: De leerling produceert verantwoorde voedingsmiddelen.

Het gaat hierbij om:

  • - • verzamelen van duurzaam verkregen grondstoffen;
  • - • bewerken van grondstoffen tot voedingsmiddelen;
  • - • conserveren van voedingsmiddelen.

2.68 Praktijkgericht vak Horeca, Bakkerij en Recreatie

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt een product dat past bij de bedrijfsformule.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
  • - • visualiseren van het concept in een ontwerp.

Doelzin: De leerling maakt promotiemateriaal voor een product.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een doelgroepenonderzoek;
  • - • verzamelen van audio- en beeldmateriaal dat past bij de doelgroep en het product;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak;
  • - • controleren en bijstellen van het promotiemateriaal op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling adviseert over de aankoop van een arrangement.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van behoefteonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar opties;
  • - • beoordelen van opties op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid;
  • - • presenteren van verschillende opties aan de hand van een offerte.

Doelzin: De leerling organiseert een recreatieve activiteit.

Het gaat hierbij om:

  • - • inventariseren van de doelstelling aan de hand van een doelgroepenonderzoek;
  • - • selecteren van een activiteit die past bij de doelstelling en de doelgroep;
  • - • opstellen van een kostenoverzicht;
  • - • opstellen van een draaiboek;
  • - • uitvoeren van de activiteit.

Doelzin: De leerling organiseert een gastvrij bezoek.

Het gaat hierbij om:

  • - • voorbereiden van de ruimte waarin gasten verblijven;
  • - • ontvangen van gasten;
  • - • begeleiden van gasten tijdens hun bezoek.

Doelzin: De leerling bereidt een gerecht.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een recept;
  • - • verzamelen van verantwoorde grondstoffen, ingrediënten en tussenproducten;
  • - • uitvoeren volgens recept met behulp van keukenapparatuur, rekening houdend met HACCP-richtlijnen;
  • - • opdienen van een aantrekkelijk gepresenteerd gerecht.

2.69 Praktijkgericht vak Informatietechnologie

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt een 3D-product.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
  • - • visualiseren van het concept in een ontwerp met behulp van ontwerpsoftware.

Doelzin: De leerling maakt een digitaal mediaproduct.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • verzamelen van beeldmateriaal;
  • - • opmaken van een definitief ontwerp volgens technische eisen;
  • - • controleren en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling adviseert over de toepasbaarheid van IT-ontwikkelingen.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van mogelijkheden op basis van IT-ontwikkelingen;
  • - • omzetten van mogelijkheden naar duurzame toepassingen;
  • - • beoordelen van toepassingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid;
  • - • presenteren van verschillende toepassingen.

Doelzin: De leerling programmeert een softwareproduct.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van oplossingsrichtingen op basis van wensen van de gebruiker;
  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een gekozen oplossing;
  • - • verzamelen van software en apparatuur;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak, rekening houdend met programmeerprincipes;
  • - • testen en debuggen van het product.

Doelzin: De leerling beheert een IT-dienst.

Het gaat hierbij om:

  • - • controleren van de IT-infrastructuur;
  • - • vaststellen van benodigde wijzigingen in de IT-infrastructuur;
  • - • opstellen van een plan van aanpak, rekening houdend met beveiligingsmaatregelen en duurzaamheid;
  • - • uitvoeren van de wijzigingen volgens het plan van aanpak.

Doelzin: De leerling ondersteunt afnemers van IT-diensten.

Het gaat hierbij om:

  • - • inventariseren van de hulpbehoefte van een gebruiker door middel van een meldingsprocedure;
  • - • zoeken van gegevens in een gestructureerde gegevensverzameling met behulp van digitale instrumenten;
  • - • opstellen van een gebruikersinstructie;
  • - • uitvoeren van ondersteunende werkzaamheden;
  • - • rapporteren van werkzaamheden en bijzonderheden.

2.70 Praktijkgericht vak Maritiem en Techniek

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt een onderdeel van een schip.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën en schetsen, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën en schetsen passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee en schets;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
  • - • visualiseren van het concept in een model.

Doelzin: De leerling maakt een maritiem prototype.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • verzamelen van duurzame materialen en gereedschappen;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak;
  • - • testen en bijstellen van het prototype op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling adviseert over duurzaam onderhoud.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van marktonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar opties;
  • - • beoordelen van opties op basis van organisatorische haalbaarheid en duurzaamheid;
  • - • presenteren van verschillende opties.

Doelzin: De leerling adviseert over het verbeteren van een logistiek proces.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van behoeftenonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar logistieke aanpassingen;
  • - • beoordelen van aanpassingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid;
  • - • presenteren van verschillende logistieke aanpassingen.

Doelzin: De leerling organiseert een maritieme activiteit.

Het gaat hierbij om:

  • - • inventariseren van de doelstelling aan de hand van een doelgroepenonderzoek;
  • - • selecteren van een activiteit die past bij de doelstelling en doelgroep;
  • - • opstellen van een draaiboek;
  • - • uitvoeren van de activiteit.

Doelzin: De leerling navigeert efficiënt een schip.

Het gaat hierbij om:

  • - • bepalen van de huidige positie;
  • - • opstellen van een routeplanning, rekening houdend met omstandigheden;
  • - • uitvoeren van de opgestelde route in een simulator.

2.71 Praktijkgericht vak Mobiliteit en Transport

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt diens kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt een onderdeel voor een voertuig.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën en schetsen, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën en schetsen passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee en schets;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
  • - • visualiseren van het concept in een CAD-tekening.

Doelzin: De leerling maakt een technisch product.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • verzamelen van duurzame materialen en gereedschappen;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak en een werktekening, gebruikmakend van persoonlijke beschermingsmiddelen;
  • - • testen en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling adviseert over de aankoop van een voertuig.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van behoeftenonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar opties;
  • - • beoordelen van opties op basis van financiële haalbaarheid;
  • - • presenteren van verschillende opties aan de hand van een offerte.

Doelzin: De leerling organiseert een logistiek proces.

Het gaat hierbij om:

  • - • inventariseren van de doelstelling aan de hand van een behoeftenonderzoek;
  • - • genereren van ideeën, rekening houdend met financiële en organisatorische haalbaarheid en duurzaamheid;
  • - • omzetten van ideeën naar logistieke oplossingen;
  • - • opstellen van een kostenoverzicht;
  • - • opstellen van een logistieke planning.

Doelzin: De leerling onderhoudt een voertuig.

Het gaat hierbij om:

  • - • inspecteren van de huidige situatie;
  • - • controleren van de functionaliteit;
  • - • vaststellen van de te volgen procedure;
  • - • demonteren, monteren en afstellen van onderdelen;
  • - • evalueren van de uitgevoerde procedure.

Doelzin: De leerling repareert een voertuig.

Het gaat hierbij om:

  • - • signaleren van storingen en defecten;
  • - • stellen van een diagnose;
  • - • vaststellen van de te volgen procedure;
  • - • verhelpen van storingen en defecten;
  • - • evalueren van de uitgevoerde procedure.

2.72 praktijkgericht vak Media, Vormgeving en ICT

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt een digitaal 3D-model.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
  • - • visualiseren van het concept naar een ontwerp in meerdere dimensies, met behulp van binnen de creatieve industrie gangbare software.

Doelzin: De leerling maakt een digitaal mediaproduct.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • visualiseren van een ontwerp volgens designprincipes;
  • - • verzamelen van beeldmateriaal;
  • - • opmaken van een definitief ontwerp volgens technische eisen met in de creatieve industrie gangbare apparatuur en software;
  • - • controleren en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling maakt een audiovisueel product.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • verzamelen van audio- en beeldmateriaal;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak met in de creatieve industrie gangbare apparatuur en software;
  • - • controleren en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen;
  • - • exporteren van het product in het gewenste format.

Doelzin: De leerling adviseert over een digitale omgeving.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van een behoeftenonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar oplossingen, rekening houdend met inrichting, beheer en beveiliging van de omgeving;
  • - • beoordelen van oplossingen op basis van duurzaamheid, financiële en organisatorische haalbaarheid;
  • - • presenteren van verschillende oplossingen.

Doelzin: De leerling programmeert een digitaal product.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van oplossingsrichtingen op basis van wensen van de gebruiker;
  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een gekozen oplossing;
  • - • verzamelen van software en apparatuur;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak, rekening houdend met programmeerprincipes;
  • - • testen en debuggen van het product.

Doelzin: De leerling programmeert een deel van een game.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van oplossingsrichtingen op basis van het doel en de doelgroep;
  • - • visualiseren van een gameplay;
  • - • verzamelen van beeldmateriaal;
  • - • omzetten van een gameplay naar een passende omgeving met behulp van programmeertaal;
  • - • testen en debuggen van een deel van de game.

2.73 Praktijkgericht vak Produceren, Installeren en Energie

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt een technisch product.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën en schetsen, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën en schetsen passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee en schets;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
  • - • visualiseren van het concept in een CAD-tekening.

Doelzin: De leerling maakt een technisch product.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • verzamelen van duurzame materialen en gereedschappen;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak en een werktekening, gebruikmakend van persoonlijke beschermingsmiddelen;
  • - • testen en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling adviseert over technische installatieoplossingen.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van een behoeftenonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar technische installatieoplossingen;
  • - • beoordelen van oplossingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid en duurzaamheid;
  • - • presenteren van verschillende technische installatieoplossingen.

Doelzin: De leerling adviseert over het verbeteren van een productieproces.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van een marktonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar mogelijke aanpassingen;
  • - • beoordelen van aanpassingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid en duurzaamheid;
  • - • presenteren van verschillende aanpassingen.

Doelzin: De leerling installeert een deel van een technische installatie.

Het gaat hierbij om:

  • - • verzamelen van onderdelen en gereedschappen;
  • - • koppelen van onderdelen volgens een installatietekening, rekening houdend met veiligheidsvoorschriften;
  • - • evalueren van de uitgevoerde installatie.

Doelzin: De leerling onderhoudt een deel van een technische installatie.

Het gaat hierbij om:

  • - • inspecteren van de huidige situatie;
  • - • signaleren van storingen en defecten;
  • - • vaststellen van de te volgen procedure;
  • - • afstellen en inregelen van onderdelen;
  • - • evalueren van de uitgevoerde procedure.

2.74 Praktijkgericht vak Techniek en Innovatief Vakmanschap

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt een innovatief product.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën en schetsen, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën en schetsen passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee en schets;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
  • - • visualiseren van het concept in een CAD-tekening.

Doelzin: De leerling maakt een functioneel product.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • verzamelen van duurzame materialen en gereedschappen;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak en een werktekening, gebruikmakend van persoonlijke beschermingsmiddelen;
  • - • testen en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling adviseert over duurzame technische oplossingen.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van marktonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar technische oplossingen;
  • - • beoordelen van technische oplossingen op basis van financiële haalbaarheid en duurzaamheid;
  • - • presenteren van verschillende technische oplossingen.

Doelzin: De leerling organiseert een logistiek proces.

Het gaat hierbij om:

  • - • inventariseren van de doelstelling aan de hand van een behoeftenonderzoek;
  • - • genereren van ideeën, rekening houdend met financiële en organisatorische haalbaarheid en duurzaamheid;
  • - • omzetten van ideeën naar logistieke oplossingen;
  • - • opstellen van een kostenoverzicht;
  • - • opstellen van een logistieke planning.

Doelzin: De leerling monteert bouwelementen.

Het gaat hierbij om:

  • - • verzamelen van bouwelementen en gereedschappen;
  • - • koppelen van bouwelementen volgens een montagetekening, rekening houdend met veiligheidsvoorschriften;
  • - • evalueren van de uitgevoerde montage.

Doelzin: De leerling onderhoudt een deel van een technische installatie.

Het gaat hierbij om:

  • - • inspecteren van de huidige situatie;
  • - • signaleren van storingen en defecten;
  • - • vaststellen van de te volgen procedure;
  • - • afstellen en inregelen van onderdelen;
  • - • evalueren van de uitgevoerde procedure.

2.75 Praktijkgericht vak Technologie en Toepassing

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functie behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt een innovatief product.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën en schetsen, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën en schetsen passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee en schets;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
  • - • visualiseren van het concept in een tekening.

Doelzin: De leerling ontwerpt een duurzame leefomgeving.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van omgevingsonderzoek;
  • - • beoordelen of ideeën passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee op basis van eigenschappen, levensduur en herkomst en kosten van materialen;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
  • - • visualiseren van het concept in een model.

Doelzin: De leerling maakt een functioneel prototype.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
  • - • verzamelen van duurzame materialen en gereedschappen;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak en zelfgemaakte technische tekening, gebruik makend van persoonlijke beschermingsmiddelen;
  • - • testen en bijstellen van het prototype op basis van het programma van eisen.

Doelzin: De leerling adviseert over technologische toepassingen in de maatschappelijke sector.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van een behoeftenonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar technologische toepassingen;
  • - • beoordelen van toepassingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid en duurzaamheid;
  • - • presenteren van verschillende toepassingen.

Doelzin: De leerling adviseert over het verbeteren van een energiesysteem.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van een marktonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar aanpassingen, rekening houdend met vorm, functie en werking van deelsystemen;
  • - • visualiseren van de werking van deelsystemen binnen een groter systeem;
  • - • beoordelen van aanpassingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid en duurzaamheid;
  • - • presenteren van verschillende aanpassingen.

Doelzin: De leerling programmeert een deel van de software voor de realisatie van een eindproduct.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van oplossingsrichtingen op basis van wensen van de gebruiker;
  • - • opstellen van een plan van aanpak voor de realisatie van het eindproduct;
  • - • onderbouwen van de keuze voor een technologie;
  • - • uitvoeren volgens het plan van aanpak;
  • - • evalueren en bijstellen van de toegepaste technologie.

2.76 Praktijkgericht vak Zorg en Welzijn

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen interesses door middel van ervaringen met externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
  • - • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
  • - • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
  • - • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
  • - • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.

Doelzin: De leerling ontwikkelt eigen kwaliteiten door het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten.

Het gaat hierbij om:

  • - • evalueren van proces en resultaat;
  • - • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
  • - • benoemen van de eigen kwaliteiten;
  • - • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
  • - • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.

Doelzin: De leerling gaat passend om met mensen en situaties tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
  • - • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
  • - • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
  • - • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.

Doelzin: De leerling werkt samen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • organiseren van samenwerking;
  • - • voeren van een dialoog;
  • - • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
  • - • geven, ontvangen en verwerken van feedback.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht taalvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
  • - • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.

Doelzin: De leerling gebruikt doelgericht rekenvaardigheden tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • uitvoeren van berekeningen in de context;
  • - • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.

Doelzin: De leerling gebruikt op een verantwoorde manier digitale technologie tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • kiezen van passende hardware en software;
  • - • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
  • - • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.

Doelzin: De leerling gebruikt analytische denkvaardigheden om tot een oplossing te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • selecteren, vergelijken en ordenen;
  • - • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
  • - • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
  • - • benoemen van oorzaken en gevolgen;
  • - • gebruiken van structuren en schema’s.

Doelzin: De leerling gebruikt kritische denkvaardigheden om tot een oordeel te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • onderscheiden van verschillende perspectieven;
  • - • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
  • - • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.

Doelzin: De leerling gebruikt creatieve denkvaardigheden om tot nieuwe ideeën te komen tijdens het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • experimenteren met materialen en middelen;
  • - • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
  • - • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.

Doelzin: De leerling onderzoekt vraagstukken ten dienste van het uitvoeren van praktijkgerichte opdrachten voor externe opdrachtgevers.

Het gaat hierbij om:

  • - • stellen van een onderzoeksvraag;
  • - • verzamelen van informatie;
  • - • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
  • - • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
  • - • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.

Doelzin: De leerling ontwerpt een product ter verbetering van de zelfredzaamheid van een klant.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën, rekening houdend met het programma van eisen;
  • - • beoordelen of ideeën passen bij het programma van eisen;
  • - • onderbouwen van de keuze voor één idee;
  • - • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
  • - • visualiseren van het concept in een tekening.

Doelzin: De leerling adviseert over het verbeteren van een leefstijl.

Het gaat hierbij om:

  • - • genereren van ideeën op basis van gebruikersonderzoek;
  • - • omzetten van ideeën naar aanpassingen voor de leefstijl;
  • - • beoordelen van aanpassingen op basis van organisatorische en financiële haalbaarheid;
  • - • opstellen van een leefstijladvies;
  • - • presenteren van het leefstijladvies.

Doelzin: De leerling organiseert een activiteit.

Het gaat hierbij om:

  • - • inventariseren van de doelstelling aan de hand van een doelgroepenonderzoek;
  • - • selecteren van een activiteit die past bij de doelstelling en de doelgroep;
  • - • opstellen van een kostenoverzicht en draaiboek;
  • - • uitvoeren van de activiteit;
  • - • nabespreken van de activiteit.

Doelzin: De leerling ondersteunt een klant bij algemene dagelijkse levensverrichtingen.

Het gaat hierbij om:

  • - • inventariseren van de hulpbehoefte en zelfredzaamheid;
  • - • gebruiken van in de zorg gangbare hulpmiddelen;
  • - • uitvoeren van zorgverlenende werkzaamheden;
  • - • rapporteren van observaties en bijzonderheden.

Doelzin: De leerling verzorgt het uiterlijk van een klant.

Het gaat hierbij om:

  • - • inventariseren van wensen en gewoonten met betrekking tot de uiterlijke verzorging van de klant;
  • - • opstellen van een plan van aanpak op basis van fysiologische kenmerken van de klant;
  • - • verzamelen van verzorgende producten, rekening houdend met het milieu;
  • - • uitvoeren van werkzaamheden met betrekking tot de uiterlijke verzorging van de klant;
  • - • evalueren van de uitgevoerde werkzaamheden.

Doelzin: De leerling bereidt een gezonde maaltijd.

Het gaat hierbij om:

  • - • opstellen van een recept, rekening houdend met de levensfase, gezondheidstoestand, omstandigheden en achtergrond van de klant;
  • - • verzamelen van verantwoorde grondstoffen, ingrediënten en tussenproducten;
  • - • uitvoeren van het recept met behulp van een keukenapparatuur, rekening houdend met kwaliteit en veiligheid;
  • - • opdienen van een aantrekkelijk gepresenteerde maaltijd.