1. 1. Onverminderd artikel 27 kan de Bank indien niet of niet tijdig wordt voldaan aan een uit deze wet voortvloeiende verplichting, een geldboete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 1a, 5a, eerste, tweede en vijfde tot en met achtste lid, 5b, 7e, 13b, 13c, tweede lid, 13e, 14, eerste en tweede lid, 14a, eerste en tweede lid, 14b, 16a, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, 16b, eerste tot en met derde lid, 16c, 16e, tweede lid, 16f, eerste tot en met derde lid, 21a, eerste lid en 26b, eerste lid, van de wet en van artikel 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zoals van toepassing verklaard in artikel 19a van de wet.
  2. 2. De hoogte van de boete voor de verscheidene overtredingen wordt bepaald bij algemene maatregel van bestuur. Daarbij kan worden bepaald dat de boete wordt opgelegd voor elke dag die de betrokkene in overtreding is.
  3. 3. Alvorens over te gaan tot oplegging van een boete stelt de Bank de betrokkene schriftelijk op de hoogte van het voornemen een boete op te leggen, onder vermelding van de gronden waarop dat voornemen berust.
  4. 4. De artikelen 4:97, 4:98, 4:116, 5:1, 5:9, 5:10a, 5:41, 5:44, 5:45, 5:46, derde lid, 5:49, 5:50, 5:54 en 10:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: