Een vreemdeling kan op verschillende wijze te kennen geven dat hij voor bescherming op de openbare lichamen in aanmerking wenst te komen. Hij kan dit bijvoorbeeld doen in de zeehavens of op de luchthavens bij een ambtenaar belast met de grensbewaking. In het geval hij zich al op het grondgebied bevindt, kan hij dit aangeven bij de ambtenaar belast met het toezicht of bij de IND unit Caribisch Nederland.
Voor de indiening van een aanvraag om bescherming moet de vreemdeling worden doorverwezen naar de IND unit Caribisch Nederland.
Een vreemdeling kan op de openbare lichamen bescherming inroepen tegen terugzending (refoulement) naar zijn land van herkomst als hij niet over de juiste documenten beschikt voor toegang en/of toelating tot de openbare lichamen maar wel voldoet aan de non-refoulement criteria die in de volgende internationale verdragen zijn vastgelegd, namelijk:
het Vluchtelingenverdrag;
het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), in het bijzonder artikel 3 van dit verdrag.
Het vorenstaande is vastgelegd in artikel 12a van de WTU-BES.
Het EG-recht is op de openbare lichamen niet van toepassing. Dat betekent dat de invloed die de EG-richtlijnen, zoals Richtlijn EG/2004/83 (de Kwalificatie- of Definitierichtlijn), hebben gehad op de Nederlandse interpretatie van de voornoemde Verdragen vanaf circa 2006 niet geldt.
De verzoeken om bescherming worden vertrouwelijk behandeld. De Wbp-Bes is van toepassing. Er wordt tijdens de procedure géén contact gelegd met de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling om zijn identiteit en/of de verklaringen te toetsen. Wanneer er na de beslissing op de aanvraag contact wordt opgenomen met de autoriteiten van het land van herkomst, wordt niet bekend gemaakt dat de vreemdeling een verzoek om bescherming heeft ingediend op de openbare lichamen.
Aanvragen om bescherming worden individueel beoordeeld.
In de verschillende fasen van de beschermingsprocedure handelen de ambtenaren belast met het toezicht en met de grensbewaking in overeenstemming met de door de IND unit Caribisch Nederland namens de Minister van Asiel en Migratie gegeven aanwijzingen. Hierdoor wordt gewaarborgd dat internationale afspraken uniform worden nageleefd en dat de belangen van de vreemdeling optimaal tot hun recht komen.
De IND unit Caribisch Nederland is de organisatie die het beschermingsbeleid op de openbare lichamen uitvoert. Een aanvraag om bescherming kan daarom formeel alleen worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland.
Een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming kan worden verleend op grond van artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES indien de vreemdeling verdragsvluchteling is.
Een verdragsvluchteling is een persoon die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Een vreemdeling kan worden erkend als vluchteling als hij afkomstig is uit een land, waarin hij gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege:
zijn godsdienstige overtuiging;
zijn politieke overtuiging;
zijn nationaliteit;
het behoren tot een bepaald ras;
het behoren tot een bepaalde sociale groep.
Een vreemdeling moet zich wel buiten het land van zijn nationaliteit bevinden voordat hij voor erkenning als vluchteling in aanmerking kan komen.
Als de vervolging:
plaatsgebonden is; en
het mogelijk is voor de vreemdeling zich in het binnenland te onttrekken aan de vervolging door zich ergens anders in het land te vestigen,
dan is de vreemdeling geen vluchteling.
Een vreemdeling moet als vluchteling worden aangemerkt, zodra hij voldoet aan de hierboven genoemde criteria. De beslissing om een vreemdeling als vluchteling te erkennen is declaratoir: na de vlucht wordt vastgesteld of de vreemdeling op het moment dat hij zijn land van herkomst verliet gegronde vrees voor vervolging had (zie ook réfugiés sur place).
Of een vreemdeling als vluchteling moet worden beschouwd, wordt beoordeeld op individuele basis. Op grond van de specifieke bijzonderheden van het geval wordt beoordeeld of de vreemdeling vluchteling is. Hierbij is onder andere van belang of hij persoonlijk de aandacht van de autoriteiten of derden heeft getrokken en daardoor gevaar loopt.
Het is mogelijk dat zich situaties voordoen waarbij een hele (bevolkings)groep te vrezen heeft voor vervolging. Een dergelijke groep kan bestaan uit:
leden van een bepaalde politieke partij;
aanhangers van een bepaalde godsdienst;
leden van een bepaalde etnische of sociale groep; of
personen van een bepaalde nationaliteit.
Wanneer alle leden van deze groep te vrezen hebben voor vervolging, spreekt men van groepsvervolging. Ook in het geval van groepsvervolging moet op individuele basis worden vastgesteld of een vreemdeling vluchteling is, door te beoordelen of hij tot de betrokken groep behoort.
Vervolging kan plaatsvinden door:
de staat, waaronder wordt begrepen nationale, regionale en lokale autoriteiten;
partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen; en
niet-overheidsinstanties (derden).
Van de vreemdeling van wie is vastgesteld dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft van de zijde van de centrale autoriteiten, kan niet verwacht worden dat hij zich aan die vervolging kan onttrekken door zich ergens anders in het land van herkomst te vestigen.
Als de vervolging plaatsvindt door partijen of organisaties die niet het gehele grondgebied beheersen, komt de vreemdeling niet voor bescherming in aanmerking als is vastgesteld dat hij zich aan die vervolging kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen.
Vervolging door derden wordt alleen aangenomen als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de vervolging. Om dit te kunnen beoordelen dient te worden onderzocht of de vreemdeling aangifte heeft gedaan bij de (lokale) autoriteiten en, wanneer dit niet het geval is, waarom hij dit niet heeft gedaan.
Onder een (internationale) organisatie wordt in dit verband verstaan:
een stabiele instantie die op een staat lijkt;
die zeggenschap heeft over het grondgebied van het desbetreffende land; en
die bereid en in staat is om individuele personen te beschermen op soortgelijke wijze als een internationaal erkende staat.
Onder ‘land van herkomst’ wordt verstaan het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft.
Als de vreemdeling door geen enkel land als onderdaan wordt erkend, wordt hij aangemerkt als staatloze. In dat geval moet eerst het land van herkomst worden vastgesteld, vóór de beoordeling of betrokkene gegronde vrees voor vervolging heeft in het land van herkomst.
Als land van herkomst van een staatloze wordt aangemerkt, een land:
waar de staatloze persoon heeft verbleven; en
dat vanwege de aard en duur van het verblijf en de banden die de persoon met het land heeft;
dat kan worden gezien als zijn gebruikelijke verblijfplaats (‘Country of former habitual residence’).
Bepalend hiervoor is de vraag of de vreemdeling in het betreffende land het centrum van zijn activiteiten (werk, wonen, familie) heeft.
Voorzover van toepassing kan bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling verdragsvluchteling is gebruik worden gemaakt van de in het Nederlandse landgebonden beleid van de Vreemdelingenwet aangewezen risicogroepen. Wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij tot een aangewezen risicogroep behoort en problemen heeft, kan snel worden geconcludeerd dat deze problemen ook voldoende zwaarwegend zijn om vluchtelingschap aan te nemen. Indien een vreemdeling bijvoorbeeld aannemelijk maakt dat hij journalist was in een land van herkomst en in het betrokken landgebonden beleid journalisten als risicogroep zijn aangewezen omdat het centrale gezag censuur toepast, valt de toets al snel in het voordeel van de vreemdeling uit en kan hij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning.
Het behoren tot een verboden geloof, het verspreiden van pamfletten voor een verboden politieke partij, het voeren van een strijd tegen misstanden in de lokale samenleving kunnen motieven zijn die in de volledige samenhang van het verhaal en bezien tegen de lokale achtergrond kunnen leiden tot een conclusie dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het land van herkomst persoonlijk een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, Een beroep op de algemene situatie is over het algemeen onvoldoende om vluchtelingschap aan te nemen.
Discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers kan onder omstandigheden als daad van vervolging worden aangemerkt. Hiervan is sprake als de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.
Een beschermingszoeker wordt als verdragsvluchteling aangemerkt, als hij:
aannemelijk maakt dat discriminatie voor hem persoonlijk heeft geleid tot ernstige beperkingen in zijn bestaan; én
aannemelijk is dat de autoriteiten hem niet hebben kunnen of willen beschermen tegen deze vorm van discriminatie.
In het geval de vreemdeling vóór zijn vlucht geen bescherming aan de autoriteiten heeft gevraagd, moet worden onderzocht waarom dat niet is gebeurd. Als dit wel is gebeurd, maar de vreemdeling heeft het na één mislukte poging niet bij een andere overheidsinstantie geprobeerd, moet worden onderzocht waarom het bij één poging is gebleven.
Het begrip ‘godsdienst’ omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen. Dat wil zeggen: handelingen en gedachten die voortvloeien uit een (godsdienstige) stroming en overtuiging dat de mens door een bovennatuurlijke macht wordt geleid, of de overtuiging dat er geen bovennatuurlijke besturing bestaat en/of dat de mens zelf verantwoordelijk is voor zijn handelen.
Hierbij kan het gaan om het deelnemen aan, of het zich onthouden van, formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen. Het kan ook gaan om andere religieuze activiteiten of uitingen of om vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald.
Onder het begrip ‘godsdienst’ valt iedere godsdienst, levensbeschouwing of sekte, waartoe de vreemdeling behoort of waarvan de autoriteiten of andere actoren van vervolging (zie paragraaf 2.1, kopje ‘Actoren van vervolging’) stellen dat de vreemdeling ertoe behoort.
Vervolging om reden van godsdienst doet zich op verschillende manieren voor, zoals:
het totale verbod op godsdienstuitoefening en godsdienstonderwijs; en
ernstig discriminerende maatregelen tegen personen van een bepaalde godsdienstige overtuiging.
Beperkingen op het recht een godsdienst te belijden moeten dusdanig streng zijn, dat het leven als gevolg van de overtuiging in het land van herkomst daardoor ernstig wordt belemmerd. Van personen die in het land van herkomst een minderheidsreligie aanhangen wordt niet verlangd dat zij deze verborgen houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat personen die gevlucht zijn uit hun land van herkomst omdat ze verborgen moesten houden dat ze de overtuiging van een minderheidsgroepering aanhangen, kunnen erkend worden als om godsdienst vervolgde vluchteling.
Te denken valt bijvoorbeeld aan een situatie waarin de autoriteiten van een land personen die een bepaalde godsdienst belijden actief opspoort en ze, onder bedreiging van gevangenis- of lijfstraffen, verbiedt om hun geloof uit te oefenen.
Het begrip ‘politieke overtuiging’ houdt onder andere in dat de vreemdeling een opvatting, gedachte of mening heeft over bijvoorbeeld het beleid of de methoden van de autoriteiten of andere actoren van vervolging (zie paragraaf 2.1, kopje ‘Actoren van vervolging’), ofwel dat laatstgenoemden stellen dat de vreemdeling deze overtuiging heeft.
Om vervolging vanwege politieke overtuiging te kunnen aannemen dient de bedoelde opvatting, mening of gedachte onder de aandacht van de autoriteiten of andere actoren van vervolging te zijn gekomen, of moet het waarschijnlijk zijn dat dit alsnog zal gebeuren.
Voorbeelden van een uiting van een politieke overtuiging kunnen zijn een pamflet of een journalistiek stuk of een lidmaatschap van een verboden partij. Het bestaan ervan op zich is nog niet voldoende om al een situatie aan te nemen van vervolging. Bij vervolging wordt gedoeld op een situatie waarin de autoriteiten op de hoogte zijn van genoemde situaties en in deze omstandigheden de schrijver van het stuk of het lid van een verboden partij of de bezitter van een pamflet onderwerpt aan gevangenis- of lijfstraffen vanwege het enkele feit dat zij lid zijn van de verboden partij.
Als de vreemdeling een vrouw is, kan het overtreden van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen; of het overtreden van strafbepalingen die in zichzelf in strijd zijn met de universele mensenrechten, in de volgende gevallen worden opgevat als het uiten van een bepaalde politieke overtuiging:
wanneer de vreemdelinge afkomstig is uit een samenleving waar de vrouw een strikt gedefinieerde (veelal ondergeschikte) rol vervult; én
de overheid deze man-vrouwverhouding stimuleert of in stand houdt (bijvoorbeeld door niet in te willen grijpen bij mensenrechtenschendingen door medeburgers).
Het begrip ‘nationaliteit’ is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat ook het behoren tot een groep die wordt bepaald:
door haar culturele, etnische of linguïstische identiteit;
door een gemeenschappelijke geografische of politieke oorsprong; of
door verwantschap met de bevolking van een andere staat.
De omvang van deze groepering is daarbij niet relevant.
Hierbij kan gedacht worden aan een volk zonder eigen staat, maar met een eigen taal, geschiedenis en achtergrond.
Voor het bepalen van ‘ras’ als vervolgingsgrond kan onder andere worden afgegaan op de aspecten:
huidskleur;
afkomst; of
het behoren tot een bepaalde etnische groep.
Bij het vaststellen van ras kan zowel op etnografische als sociale aspecten worden teruggegrepen.
Indien een overheid aanleiding ziet in een uiterlijk kenmerk van een persoon of een groep om over te gaan tot vervolging dan is er sprake van vervolging als hier bedoeld.
Een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als:
leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen zo fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven; en
de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.
Deze categorie functioneert als restcategorie ten opzichte van de overige vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag.
Onder vervolging wegens het behoren tot een sociale groep als bedoeld in artikel 1A Vluchtelingenverdrag wordt mede vervolging wegens seksuele geaardheid begrepen.
Als een vreemdeling zich beroept op problemen vanwege de (gestelde) seksuele geaardheid moet de aanvraag worden beoordeeld met bijzondere aandacht voor de positie van homoseksuelen in het land van herkomst.
Als er sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Dit is bijvoorbeeld het geval als het homoseksueel zijn of het uiten van specifiek homoseksuele gevoelens strafbaar is gesteld. Voor de conclusie dat er sprake is van vluchtelingschap moet wel sprake zijn van een strenge bestraffingsmaatregel. Zo zal een enkele boete meestal onvoldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap. De enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele handelingen in een land leidt niet zonder meer tot de conclusie dat een homoseksueel uit dat land vluchteling is. De vreemdeling moet (indien mogelijk met documenten) aannemelijk maken dat hij persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging.
Van vreemdelingen met een homoseksuele voorkeur wordt niet verlangd dat zij deze voorkeur bij terugkeer verbergen.
Als de vreemdeling niet daadwerkelijk homoseksueel is, maar het geloofwaardig is dat de autoriteiten of andere actoren van vervolging hem of haar als zodanig beschouwen en het aannemelijk is dat vervolging plaatsvindt of zal vinden, is hij eveneens te beschouwen als verdragsvluchteling.
Ten slotte geldt dat het inroepen van de bescherming van de autoriteiten niet wordt verlangd in de gevallen waarin homoseksualiteit of homoseksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst.
Sekse kan niet het enige criterium zijn op grond waarvan wordt geconcludeerd dat sprake is van het behoren tot een ‘bepaalde sociale groep’. Vrouwen in het algemeen vormen niet een bepaalde sociale groep, omdat zij als sociale groep te divers van samenstelling zijn. Het individualiseringsvereiste is het uitgangspunt. Strafvervolging van een voorschrift dat specifiek voor vrouwen geldt, levert vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag op, als aannemelijk is dat:
de bestraffing onevenredig zwaar is en gerelateerd is aan één van de vervolgingsgronden; of
naast normale bestraffing sprake is van discriminatoire vervolging wegens één van deze gronden.
Als de betrokken vreemdeling zich erop beroept dat er sprake is van discriminatie die specifiek tegen vrouwen is gericht, dan blijft de toepasselijkheid van één van de vervolgingsgronden een voorwaarde voor het concluderen van vluchtelingschap. Uiteraard geldt ook in deze gevallen het individualiseringsvereiste. Zo is het enkele bestaan van kledingvoorschriften voor vrouwen nog geen vorm van discriminatie op grond waarvan vervolging kan worden aangenomen.
Vervolging ingesteld vanwege een overtreding of een misdrijf dat over het algemeen als commuun delict (een ‘normaal’, niet politiek delict) wordt beschouwd levert in beginsel geen vluchtelingschap op. Er is sprake van een commuun delict, als de betrokkene in zijn land van herkomst een strafbepaling heeft overtreden die niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.
Bestraffing wegens commune delicten leidt over het algemeen niet tot de conclusie dat de betrokkene verdragsvluchteling is. Wel moet steeds worden onderzocht of er sprake is van onevenredige of discriminatoire bestraffing die wel verband houdt met de gronden in het Vluchtelingenverdrag.
Hiervan is sprake als:
de vreemdeling voor hetzelfde feit zwaarder wordt bestraft dan anderen en deze verzwaring verband houdt met de gronden in het Vluchtelingenverdrag; of
indien een, op zichzelf algemene, openbare ordebepaling enkel wordt toegepast ten aanzien een bepaalde categorie personen waartoe de vreemdeling behoort, terwijl ten aanzien van anderen niet wordt opgetreden.
Het gaat hier dus om dat deel van de (tenuitvoerlegging van de) bestraffing, waarin tot uiting komt dat de beschermingszoeker (ook) wordt gestraft om redenen die verband houden met de vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag.
In dat geval kan de betrokkene worden gezien als een verdragsvluchteling. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als in plaats van de gebruikelijke strafmaat van één jaar gevangenisstraf voor een individu twee jaar gevangenisstraf wordt opgelegd omdat hij behoort tot een geloofsgroepering waar de vervolgende instantie bezwaar tegen heeft. Een ander voorbeeld kan zijn als de straf geheel of gedeeltelijk in de brandende zon zonder bescherming moet worden doorgebracht in plaats van in een gewone cel omdat hij behoort tot een sociale groep waar de vervolgende instantie bezwaar tegen heeft. Er moet een causaal verband zijn tussen één van de vervolgingsgronden van het verdrag en de zwaarte van de bestraffing.
Een land kan een dienstplicht instellen. Strafvervolging wegens het ontduiken van dienstplicht wordt in beginsel niet aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In de volgende gevallen kan dienstweigering of desertie desondanks leiden tot vluchtelingschap.
Een dienstweigeraar of deserteur is vluchteling als hij:
vanwege zijn ras, religie, nationaliteit, zijn lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging gegronde vrees heeft voor onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van de straf wegens dienstweigering of desertie of als hij vanwege (één van) de genoemde redenen gegronde vrees heeft voor andere discriminatoire behandeling dan bovenmatige bestraffing of tenuitvoerlegging van een straf;
tot zijn weigering komt doordat hij ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft op grond van zijn godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging die zijn dienstweigering of desertie voorschrijven en er in zijn land van herkomst geen mogelijkheid is om ter vervanging van militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen;
is gekomen tot dienstweigering of desertie, omdat hij niet betrokken wenst te worden bij een (soort) militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of die in strijd is met fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Dit geldt ook indien hij tot desertie of dienstweigering heeft besloten, omdat hij gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie.
Bij deze categorie is de dienstweigering of desertie niet de oorzaak van de vervolging. De oorzaak is gelegen in de omstandigheid dat de vreemdeling behoort tot een van de genoemde groeperingen. De dienstweigering of desertie is slechts een aanleiding om tot vervolgingsmaatregelen over te gaan. Het enkele feit dat de dienstweigering wordt bestraft, leidt hier dan ook niet tot de conclusie dat de vreemdeling vluchteling is. Het moet gaan om een bestraffing met:
een verhoogde strafmaat; of
een verzwaarde tenuitvoerlegging;
waarin tot uiting komt dat hier sprake is van een discriminatoire maatregel of een andere vervolgingshandeling, die in andere gevallen niet wordt opgelegd.
Bij deze categorie gaat het om een evenwicht tussen het onvervreemdbare recht van een staat om zich te verdedigen en het eveneens onvervreemdbare recht van het individu op gewetensvrijheid. Dit evenwicht kan blijken uit het feit dat aan het individu de mogelijkheid wordt geboden om een vervangende, niet-militaire dienstplicht te vervullen.
Als die mogelijkheid in het land van herkomst niet wordt geboden, kan:
een gedwongen vervulling van de dienstplicht; ofwel
de bestraffing van de dienstweigering of desertie,
aanleiding zijn om tot vluchtelingschap te besluiten, indien de betrokkene ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft tegen de vervulling van de dienstplicht.
Bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingschap is bij deze categorie niet vereist dat er sprake is van een discriminatoire of onevenredige bestraffing zoals genoemd onder a. In dit geval is er sprake van een inbreuk op de gewetensvrijheid van het individu die tot vluchtelingschap kan leiden. Er moet echter wel sprake zijn van een strenge bestraffingsmaatregel. Zo is een enkele boete onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap.
Verder moet het gaan om ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren op grond van een godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging.
De betrokkene moet dus kunnen aangeven op welke (geloofs)overtuiging hij zijn gewetensbezwaren baseert en waarom deze overtuiging zijn dienstweigering of desertie voorschrijft. De gewetensbezwaren moeten zich richten tegen het gebruik van geweld over het algemeen. Vanzelfsprekend mogen aan een goed geschoolde persoon hogere eisen worden gesteld over de wijze waarop dit wordt onderbouwd dan aan een zeer jeugdig of ongeletterd persoon.
Hier is eigenlijk sprake van twee subcategorieën. Er is sprake van een militaire actie die:
ofwel is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag;
ofwel in strijd is met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.
Voor wat betreft de eerste subcategorie geldt als veroordeling door de internationale gemeenschap een veroordeling door:
de Veiligheidsraad;
de Algemene Vergadering van de VN; of
de Algemene Raad/Raad van Ministers van de EU.
Een resolutie van het Europees Parlement en een verklaring van de Secretaris-Generaal van de VN kunnen niet als zodanig worden beschouwd.
In een dergelijke veroordeling moet zijn opgenomen dat de militaire actie als zodanig als onrechtmatig wordt aangemerkt.
Voor de beoordeling of een militaire actie behoort tot de tweede subcategorie is geen internationale veroordeling vereist. Wel moet zijn vastgesteld dat de betreffende militaire actie systematisch strijd oplevert met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict om bijvoorbeeld burgerslachtoffers te voorkomen. Een dergelijke vaststelling kan worden gedaan door:
de Veiligheidsraad; of
in mindere mate, de Algemene Vergadering van de VN; of
een daartoe bevoegde rechtbank, zoals:
het Internationaal Gerechtshof in ’s-Gravenhage;
het Joegoslavië-tribunaal; of
het Rwanda-tribunaal.
Als aannemelijk is dat bestraffing zal plaatsvinden omdat de vreemdeling geweigerd heeft aan een dergelijke militaire actie deel te nemen, of omdat hij de eerst mogelijke gelegenheid heeft aangewend om te deserteren, kan dit leiden tot de conclusie dat hij vluchteling is. Wel moet worden nagegaan of de vreemdeling, voordat hij deserteerde, zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag Als de vreemdeling zich erop beroept dat hij niet wenst te worden ingezet in een conflict tegen het volk waarvan hij deel uitmaakt, wordt dit meegewogen bij de beoordeling of er ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren zijn, zoals onder b (ofwel in strijd is met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict) beschreven. De enkele inzet tegen eigen volk of familie is onvoldoende voor de erkenning als vluchteling. Het bestaan van de ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de inzet tegen eigen volk dienen te blijken uit (al dan niet politieke) activiteiten van de vreemdeling.
De vrees voor vervolging hoeft niet altijd aanwezig te zijn op het moment dat iemand zijn land verlaat. Een persoon die geen vervolging te vrezen had op het moment dat hij zijn land van herkomst verliet, maar op een later tijdstip tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst vluchteling wordt heet ‘refugié sur place’. Er zijn twee mogelijke omstandigheden die iemand tot refugié sur place maken.
Ten eerste kan iemand een refugié sur place worden doordat de omstandigheden in het land van herkomst zich, tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst, zodanig wijzigen (bijvoorbeeld door een machtswisseling), dat hij bij terugkeer gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
Ook wanneer een vreemdeling zijn politieke overtuiging pas verkondigt na vertrek uit zijn land van herkomst, kan hij refugié sur place worden. Dit kan het geval zijn als hij aannemelijk maakt dat de overtuiging al bestond in het land van herkomst. In ieder geval is vereist dat:
de autoriteiten in het land van herkomst van deze overtuiging op de hoogte zijn of kunnen geraken; en
dat het bekend zijn van deze overtuiging een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag oplevert.
Ten tweede is het mogelijk dat iemand ten gevolge van zijn eigen activiteiten buiten het land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging als hij naar dat land zou terugkeren. Hierbij kan gedacht worden aan:
het deelnemen aan demonstraties gericht tegen het eigen regime;
het aanbieden van petities aan de ambassade van zijn land; of
het publiceren van kritische stukken over de politieke situatie in zijn land.
Deze activiteiten kunnenaanleiding zijn voor statusverlening als het gaat om een voortzetting van activiteiten die de vreemdeling in het land van herkomst heeft ontplooid.
Een bij het Vluchtelingenverdrag aangesloten land heeft een eigen bevoegdheid op het gebied van de statusbepaling en de beslissing of een verblijfsvergunning wordt verleend. De plicht van ieder aangesloten land tot samenwerking met UNHCR zoals deze is vastgelegd in artikel 35 van het Vluchtelingenverdrag doet hier niet aan af. Wanneer de UNHCR een vreemdeling al als vluchteling heeft erkend, hoeft dit oordeel dus niet te worden overgenomen.
Als de vreemdeling al door de UNHCR als vluchteling is erkend, wordt bekeken of deze erkenning:
prima facie (dat wil zeggen: zonder onderzoek) heeft plaatsgevonden vanwege het zichtbaar behoren tot behoren tot een groep of nationaliteit, die volgens UNHCR vervolgd wordt in de zin van het Verdrag; of
of individueel heeft plaatsgevonden.
Vaak heeft de UNHCR geen tijd om een individueel onderzoek in te stellen en beoordeelt de UNHCR een verzoek om bescherming vooruitlopend op nader individueel onderzoek ‘prima facie’.
Verder wordt bekeken in hoeverre de beoordeling van de situatie in het land van herkomst – die tot stand is gekomen op onder meer een landgebonden positie van de UNHCR – op dezelfde wijze wordt beoordeeld en of deze nog actueel is.
Overigens zal in een zaak waarin een individuele verklaring door de UNHCR is gegeven ook altijd een individuele toets plaatsvinden, waarbij gewijzigde omstandigheden in het land van herkomst sinds de verklaring worden meegewogen.
In het Vluchtelingenverdrag zijn geen aparte bepalingen opgenomen over (alleenstaande) minderjarige vreemdelingen. Indien hij vergezeld wordt door zijn ouder(s), kan hij vanwege het behoren tot het gezin een afhankelijke status krijgen in het geval de hoofdpersoon van het gezin wordt erkend en toegelaten als vluchteling. Indien het minderjarige kind een andere nationaliteit heeft dan de hoofdpersoon, heeft hij in beginsel geen recht op een afhankelijke status. Maar indien de minderjarige in dit geval zelfstandige vluchtmotieven heeft, kan hij vanwege deze zelfstandige motieven mogelijk op eigen titel een vergunning tot verblijf op grond van artikel 12a WTU-BES krijgen.
Een minderjarige vreemdeling niet wordt begeleid door zijn ouders of een voogd kan ook vanwege zelfstandige motieven in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van artikel 12a WTU-BES. Om te kunnen vaststellen of een minderjarige vreemdeling als vluchteling kan worden erkend, gelden dezelfde criteria als voor volwassen vreemdelingen. Bij de beoordeling van een aanvraag om bescherming van een minderjarige vreemdeling moet wel rekening worden gehouden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de minderjarige, in relatie tot zijn (persoonlijke en culturele) achtergrond. Over het algemeen genomen geldt dat van een minderjarige niet dezelfde mate van onderbouwing en gedetailleerdheid van verklaringen kan worden verwacht als van een volwassene.
De toets aan artikel 1A Vluchtelingenverdrag wordt pas uitgevoerd indien is vastgesteld dat de situatie onder 1C tot en met 1F Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is.
Op grond van artikel 1B hebben landen die bij het Vluchtelingenverdrag zijn aangesloten, de mogelijkheid om de reikwijdte van het verdrag geografisch en in tijd te beperken. Nederland en de openbare lichamen kennen een dergelijke beperking niet. Dat betekent dat personen vanuit de hele wereld als vluchteling kunnen worden beschouwd. Artikel 1B heeft op de openbare lichamen dus geen zelfstandige betekenis.
Een vreemdeling verliest op grond van artikel 1C Vluchtelingenverdrag zijn recht op erkenning als vluchteling wanneer:
hij vrijwillig wederom de bescherming inroept van het land waarvan hij de nationaliteit bezit. Hiervan kan sprake zijn als betrokkene naar zijn land van herkomst is teruggereisd en hier enige tijd heeft verbleven zonder problemen;
hij, als hij zijn nationaliteit had verloren, deze vrijwillig heeft herkregen;.
hij een nieuwe nationaliteit heeft verkregen en de bescherming geniet van het land waarvan hij de nieuwe nationaliteit bezit;
hij zich vrijwillig opnieuw heeft gevestigd in het land dat hij had verlaten of waarbuiten hij uit vrees voor vervolging verblijf hield. Hiervan kan sprake zijn als betrokkene naar zijn land van herkomst is teruggereisd en hier enige tijd heeft verbleven zonder problemen;
hij niet langer kan blijven weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen, omdat de omstandigheden waarmee hij was erkend als vluchteling, opgehouden zijn te bestaan;
hij, als hij geen nationaliteit bezit, kan terugkeren naar het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, omdat de omstandigheden in verband waarmee hij was erkend als vluchteling, opgehouden zijn te bestaan.
Voorbeelden van e en f zijn bijvoorbeeld situaties dat er in een land een machtswisseling heeft plaatsgevonden, waardoor onderdanen van dit land en personen die in dit land hun gewone verblijfplaats hadden, weer veilig kunnen terugkeren nadat zij eerder vanwege het heersende regime waren gevlucht.
Dat is alleen anders wanneer de situatie in dat land voor een individuele vluchteling, ondanks de gewijzigde situatie, nog altijd niet veilig is.
Het Vluchtelingenverdrag is op grond van artikel 1D niet van toepassing op personen die bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden dan ook is opgehouden, zullen de personen die zich nog in het voormalig mandaatgebied bevinden van rechtswege, dus automatisch, onder het Vluchtelingenverdrag vallen.
Bijvoorbeeld is het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op staatloze Palestijnen in Jordanië, Libanon, Syrië en in de door Israël bezette gebieden omdat zij onder het mandaat vallen van de UNRWA. In het geval een Palestijn het mandaatgebied van de UNRWA zelfstandig verlaat, valt de uitsluitingsgrond van artikel 1D, eerste paragraaf, Vluchtelingenverdrag weg en is het Vluchtelingenverdrag weer van toepassing. Dit betekent echter niet dat voor deze persoon automatisch een verblijfsvergunning voor bescherming moet worden verleend. In gevallen waarin de personen het mandaatgebied hebben verlaten en in een ander land bescherming vragen dient een individuele beoordeling van de aanvraag om bescherming plaats te vinden.
Als een vreemdeling dezelfde rechten en plichten heeft als een geboren Nederlandse onderdaan van de openbare lichamenis het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing. De opstellers van het Verdrag hadden de vreemdelingen van Duitse herkomst voor ogen die zich na de Tweede Wereldoorlog rond 1951 vestigden in Duitsland.
Het Vluchtelingenverdrag is voorts op grond van artikel 1F niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Personen op wie deze bepaling van toepassing is komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES. Zij komen evenmin voor bescherming in aanmerking op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES.
Bij de beoordeling of de vreemdeling bescherming toekomt op grond van het Vluchtelingenverdrag, wordt daarom eerst de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag onderzocht voordat wordt bezien of de vreemdeling een verdragsvluchteling in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag is. Voor het tegenwerpen van artikel 1F is een (buitenlands) strafvonnis niet nodig, omdat vervolging van deze misdaden niet altijd kan plaatsvinden. Wordt artikel 1F tegengeworpen, dan is de toets aan het Vluchtelingenverdrag afgerond.
Ingevolge artikel 1F zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
de vreemdeling een ernstig niet politiek misdrijf heeft gepleegd voorafgaand aan zijn toevlucht tot de BES;
de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de VN als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de VN.
Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een individu of een land dat een gewapende aanval op burgers heeft ingezet.
Belangrijke instrumenten ter invulling van art. 1Fa zijn bijvoorbeeld:
het Handvest van het Neurenberg-tribunaal;
de Vier Geneefse conventies van 1949 en de aanvullende protocollen van 1977; en
het Statuut van Rome.
Factoren die een rol spelen bij het bepalen van de ernst van een misdrijf zijn de aard van de handeling en de omvang van de gevolgen van de handeling. Wanneer er wordt gesteld dat een ernstig misdrijf is gepleegd om een politieke doelstelling na te streven, wordt een predominantie test uitgevoerd, dat wil zeggen dat het politieke element van het misdrijf afgewogen wordt tegen het commune element ervan en dat wordt gekeken of wordt voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Dat wil zeggen dat beoordeeld moet worden in hoeverre het delict dat betrokkene heeft gepleegd, zich verhoudt tot het bereiken van het beoogde politieke doel. Met andere woorden: had hij dit doel misschien ook op een andere, minder vergaande, manier kunnen bereiken.
Deze pre-dominantietest wordt toegepast bij relatieve politieke misdrijven als mishandeling (tenzij mishandeling hier moet worden beschouwd als foltering/marteling), drugshandel, roofovervallen met buitensporig geweld en brandstichting.
De pre-dominantietest kan achterwege blijven bij misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap. Voorbeelden van zulke internationale instrumenen zijn het Genocide Verdrag, het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977 en de resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en september 2001 inzake terrorisme.
Voorbeelden van dit soort misdrijven zijn onder meer moord, doodslag, verkrachting, foltering, genocide, slavernij, slavenhandel, hoogverraad en het verstoren van verkiezingen, vliegtuigkaping, aanslagen op internationaal beschermde personen, ontvoering, gijzeling, vrijheidsberoving en bomaanslagen en -brieven.
De doelstellingen van de VN staan opgesomd in de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. De beginselen van de VN staan opgesomd in artikel 2 van het Handvest. Artikel 1F (c) is van toepassing op gevallen van schendingen van deze doelstellingen en beginselen. Het heeft in het bijzonder betrekking op personen met een hoge openbare functie die uit hoofde van hun verantwoordelijkheden handelingen hebben bevolen of toegestaan die in strijd zijn met genoemde doelstellingen en/of beginselen, alsmede op personen die verantwoordelijkheid hebben gedragen voor dergelijke handelingen, bijvoorbeeld omdat zij deel uitmaakten van de veiligheidsdiensten.
De volgende handelingen vallen in ieder geval onder artikel 1F(c):
handelingen die expliciet zijn genoemd door het Internationaal Hof van Justitie, de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad van de VN als strijdig met de doelstellingen en/of beginselen van de VN; hieronder valt onder meer internationaal terrorisme, zoals is verklaard in resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van 28 september 2001; en
misdrijven die strafbaar zijn gesteld in het internationaal recht en waarvoor universele jurisdictie geldt, zoals oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en misdrijven tegen de vrede; dergelijke misdrijven zijn evident in strijd met één of meerdere doelstellingen en/of beginselen van de VN.
Om artikel 1F tegen te kunnen werpen dient er sprake zijn van een ernstig vermoeden dat de betrokken vreemdeling heeft deelgenomen aan een misdrijf vallend onder artikel 1F. De bewijslast hierbij ligt in dit bijzondere geval bij de Minister.
Bezien moet worden of de vreemdeling individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor het misdrijf/de misdrijven. Daarvoor dient er een ernstig vermoeden te zijn dat hij op enige wijze persoonlijk heeft deelgenomen ('personal participation') en weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de misdrijven ('knowing participation').
Bij de toetsing van de verschillende deelnemingsvormen aan een misdrijf, bijv. het plegen van of iemand aanzetten tot het plegen van een misdrijf of deelnemen aan een criminele organisatie moet aansluiting worden gezocht bij de artikelen 25, en 28 van het Statuut van Rome.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of iemands opzet ook gericht was op het plegen van het misdrijf overeenkomstig artikel 30 van het Statuut van Rome.
Wanneer het vermoeden bestaat dat een vreemdeling oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd, dient voor advies hoe te handelen bij de beoordeling van de aanvraag contact te worden opgenomen met de unit 1F van de IND in Nederland.
In het geval is vastgesteld dat een vreemdeling een vluchteling is, dan mag deze vreemdeling niet – op welke wijze dan ook – worden teruggezonden naar een land waar zijn leven of vrijheid zou worden bedreigd wegens de in artikel 1A Vluchtelingenverdrag genoemde gronden (het gebod van non-refoulement; zie artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag).
In beginsel zal terugzending van een vreemdeling aan de orde zijn als de openbare lichamen een vreemdeling van het grondgebied willen verwijderen of willen voorkomen dat de vreemdeling het grondgebied betreedt. Landen van herkomst worden geacht hun eigen onderdanen terug nemen. Terugzending van een vreemdeling zal dus in beginsel plaatsvinden naar het land waar de vreemdeling de nationaliteit van heeft. De vreemdeling heeft als gevolg van het Vluchtelingenverdrag in deze situatie het recht zich te beroepen op zijn status van vluchteling.
Als de vreemdeling zich erop beroept dat hij vluchteling is, moet voorafgaand aan de terugzending worden onderzocht of de terugzending van de vreemdeling naar het land van zijn nationaliteit een schending van het Vluchtelingenverdrag is. Er moet ook worden onderzocht of er andere mogelijkheden zijn om de vluchteling van het grondgebied te verwijderen zonder dat er sprake is van schending van het Vluchtelingenverdrag. Dit kan als bescherming ergens anders kan worden verleend of als één van de andere gronden van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (artikel 1B tot en met 1F: zie 4.2.6).
Artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag staat een uitzondering op het verbod van refoulement toe, namelijk wanneer de vluchteling een bedreiging vormt van de nationale veiligheid of de openbare orde.
Op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU, kan een verblijfsvergunning worden verleend voor bescherming, indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Deze bepaling is ontleend aan artikel 3 EVRM. De verwijdering naar een land waar iemand een reëel risico (‘real risk’) loopt aan een dergelijke behandeling te worden onderworpen, vormt een schending van dit artikel. Indien dit reële risico aannemelijk is gemaakt of geworden, is dit in beginsel aanleiding tot verlening van een verblijfsvergunning bescherming. De enkele mogelijkheid (mere possibility) van schending van artikel 3 EVRM is onvoldoende.
Vreemdelingen kunnen bescherming inroepen tegen terugkeer naar het land van herkomst als zij aannemelijk maken dat zij na de verwijdering naar dat land een reëel risico (‘real risk’) lopen te worden onderworpen aan:
folteringen;
onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen
doodstraf of executie.
In het geval van een reëel risico mag het gastland dat is aangesloten bij het EVRM de betrokken vreemdeling niet terugsturen naar zijn land van herkomst, omdat dit een schending is van artikel 3 EVRM. De openbare lichamen zijn aangesloten bij het EVRM.
De reikwijdte van artikel 3 EVRM wordt bepaald door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. De jurisprudentie blijft in ontwikkeling.
Actoren van een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM kunnen onder meer zijn:
de staat, waaronder wordt begrepen nationale, regionale en lokale autoriteiten;
partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen;
niet-overheidsinstanties (derden).
Indien de behandeling niet plaatsvindt door de centrale autoriteiten van een land, maar bijvoorbeeld door de lokale autoriteiten, is van belang dat de betrokkene, van wie is vastgesteld dat er een reëel risico bestaat op een dergelijke behandeling, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b. WTU, indien is vastgesteld dat hij zich aan de gevreesde gebeurtenissen kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen.
Een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM door derden wordt alleen aangenomen als de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de bedoelde behandeling.
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bescherming voor bepaalde tijd op grond van artikel 12, eerste lid, onder b, WTU-BES, dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. Bij de beantwoording van de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM is niet alleen de persoonlijke situatie van de vreemdeling van belang, maar ook de situatie in zijn land van herkomst. Met andere woorden: de individuele aspecten die de vreemdeling naar voren brengt, moeten worden afgewogen tegen de gewelds- en mensenrechtensituatie in het land van herkomst. Hoe slechter de situatie in het land van herkomst (‘most extreme cases’) hoe minder ‘distinguishing features’ nodig zijn om een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM aan te tonen. Dit vloeit voort uit de jurisprudentie van het Europese Hof van de rechten van de Mens. Er zijn vier situaties te onderscheiden.
Wanneer er in het land van herkomst sprake is van een uitzonderlijk slechte veiligheidssituatie, kan de vreemdeling in aanmerking komen voor bescherming om de enkele reden dat hij uit dit land komt (zie de uitspraak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 juli 2008, nr 25904/07). Van een uitzonderlijke situatie als hier bedoeld zal slechts zelden sprake zijn en er zijn nog geen voorbeelden van bekend. In de jurisprudentie zal dit criterium verder uitgewerkt worden. Het zal in ieder geval moeten gaan om een situatie gaan waarin heel veel gebruik wordt gemaakt van dodelijke wapens zodat het gevaar om een dodelijk slachtoffer te worden heel erg groot is.
In het geval UNHCR in een actuele positie over een land verklaart dat in dit land sprake is van een uitzonderlijke slechte veiligheidssituatie, is deze positie in beginsel leidend voor de beoordeling maar niet bindend voor het verbod op uitzetting. Dat wil zeggen dat als er naast deze informatie van UNHCR ook andersluidende objectieve informatie beschikbaar is uit andere bronnen, de uitkomst van de weging van de informatie en de bronnen kan zijn dat de situatie toch niet zodanig uitzonderlijk slecht is dat de terugkeer van betrokkene een schending van het verdrag betekent.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de UNHCR de situatie in een bepaald land aanmerkt als uitzonderlijk slecht, terwijl uit een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat de aard en de intensiteit van het geweld in het land niet dusdanig is, dat moet worden geconcludeerd dat iedere burger in dat land een reëel risico op ernstige schade loopt.
Bij de bepaling of de mensenrechten van een bevolkingsgroep systematisch worden geschonden, zal de beschikbare landeninformatie een richtsnoer vormen om te concluderen of deze situatie zich in een land van herkomst van de vreemdeling voordoet. Deze situatie zal zich niet snel voordoen. Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij behoort tot een bevolkingsgroep van wie mensenrechten systematisch worden geschonden, komt hij in aanmerking voor bescherming. zie de uitspraak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 juli 2008, nr 25904/07
Bij de bepaling of een bevolkingsgroep moet worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep zijn de volgende aspecten van belang:
is er sprake van willekeurig geweld of willekeurige mensenrechtenschendingen;
de positie van de bevolkingsgroep in het land van herkomst; en
de mate waarin de personen van deze groep effectieve bescherming kunnen inroepen tegen dreigend geweld of mensenrechtenschending, dan wel deze personen zich hieraan effectief kunnen ontrekken door zich elders te vestigen.
In het landgebonden beleid dat in Nederland onder de Vreemdelingenwet is uitgewerkt, zijn verschillende groepen aangewezen als kwetsbare minderheidsgroepen. Deze aangewezen groepen gelden ook op de openbare lichamen als kwetsbare minderheidsgroepen. Indien in Nederland wijzigingen in deze aanwijzing worden doorgevoerd, gelden ze ook op de openbare lichamen. Voor de meest actuele informatie over kwetsbare minderheidsgroepen kan contact worden opgenomen met de IND in het Europese deel van Nederland.
Voor het oordeel dat de vreemdeling met op zichzelf beperkte indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat een schending van artikel 3 EVRM dreigt, is niet vereist dat betrokkene persoonlijk een behandeling heeft ondervonden die voldoet aan de omschrijving van artikel 12, eerste lid, onder b, WTU-BES.
Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de zelfde kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om beperkte indicaties aan te nemen. Onder mensenrechtenschendingen wordt in dit verband onder meer verstaan: moord, verkrachting, mishandeling, intimidatie of beroving. In deze gevallen wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot dezelfde kwetsbare minderheidsgroep.
In beginsel wordt ervan uitgegaan dat de mensenrechtenschendingen die ten aanzien van de vreemdeling zelf of in zijn naaste omgeving hebben plaatsgevonden, voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de vreemdeling bij terugkeer – opnieuw dan wel alsnog – een reëel risico zal lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dit kan echter anders zijn, als er sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de desbetreffende mensenrechtenschendingen en het vertrek uit het land van herkomst en de vreemdeling gedurende die periode geen nieuwe problemen heeft ondervonden.
Onder ‘mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving’ wordt ook verstaan gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst nadat de vreemdeling zelf al uit het land was vertrokken. Het oordeel, dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 12 WTU kan dus ook gevormd worden op basis van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na vertrek van de vreemdeling.
Zie uitspraak Salah Sheekh (nr. 1948/04), tegen Nederland
Als geen sprake is van een situatie als genoemd in de paragrafen 3.2.1, 3.2.2, of 3.2.3 dient de vreemdeling, om toch in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bescherming voor bepaalde tijd op grond van artikel 12, eerste lid, onder b, WTU, aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. De bewijslast is hoog. De vreemdeling dient specifieke individuele kenmerken (‘special distinguishing features’) naar voren te brengen, waaruit dit persoonlijk risico op een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM valt af te leiden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege het feit dat hij overspel heeft gepleegd bij terugkeer in zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden bestraft met zweepslagen. Zie de uitspraken inzake Vilvarajah en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, uitspraaknummers 13163/87, 13164/87, 13165/87, 13447/87, 13448/87.
Artikel 3 EVRM heeft een absoluut karakter, dat wil zeggen dat het geen uitzonderingen toelaat op het bereik ervan. Anders dan het Vluchtelingenverdrag (artikel 33, tweede lid), kent het EVRM geen uitzondering op de plicht van non-refoulement wanneer de vreemdeling een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde.
Dit betekent dat wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat hem een reëel risico op executie of de doodstraf wacht of een andere onmenselijke behandeling in zijn land op grond van het feit dat hij daar een commuun delict heeft gepleegd, het EVRM de terugkeer naar het land van herkomst verbiedt.
Maar het EVRM verplicht in beginsel niet tot het verlenen van een verblijfsvergunning; er moet enkel worden afgezien van uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst. Indien de vreemdeling naar een ander land kan worden uitgezet waar diens toelating wordt gewaarborgd is dit onder het EVRM ook toegestaan.
Bij de beoordeling van de aanvraag om bescherming wordt eerst bekeken of de aanvraag zonder specifieke statusbepaling kan worden afgehandeld:
Een verzoek om bescherming kan worden afgewezen zonder statusbepaling als:
een ander land de vluchtelingenstatus heeft toegekend en de vreemdeling heeft toegelaten;
een ander land de vreemdeling eerder heeft ontvangen (zie land van eerste ontvangst);
de vreemdeling in een ander land is toegestaan te verblijven om andere redenen die hem beschermen tegen refoulement en in afwachting is van een statusverlening;
de vreemdeling een identiek verzoek heeft ingediend na een definitieve beslissing,
een zelfstandig verzoek zonder nieuwe feiten en omstandigheden ingediend door een vreemdeling namens wie eerder door de hoofdpersoon een beschermingsprocedure is gevoerd.
Een aanvraag om bescherming kan worden afgewezen zonder statusbepaling indien aannemelijk is dat de openbare lichamen niet het eerste land van ontvangst zijn omdat de vreemdeling:
niet rechtstreeks naar de openbare lichamen is gekomen en voor zijn komst in een ander land genoegzame bescherming genoot of had kunnen genieten tegen refoulement;
hij naar het oordeel van de Minister in dat land verbleef of had kunnen verblijven onder ter plaatse niet als abnormaal aan te merken omstandigheden; en
de toegang en opvang van de vreemdeling in dat land redelijkerwijs is verzekerd,
Hierbij kan het gestelde onder artikel 1C van het Vluchtelingenverdrag worden betrokken.
Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling rechtstreeks naar de openbare lichamen is gekomen kan de al in het vervolgingsland bestaande bedoeling van de vreemdeling om juist op de openbare lichamen bescherming te verkrijgen een rol spelen. Dit is alleen het geval als het bestaan van deze bedoeling uit objectieve feiten en/of omstandigheden blijkt.
Het kan ook zijn dat er sprake is van een derde land waar de toelating en het verblijf gewaarborgd is. Het is niet noodzakelijk dat de vreemdeling in een derde land eerder verbleven heeft, maar er moet wel op grond van objectieve feiten en omstandigheden worden beoordeeld of betrokkene tot het land zal worden toegelaten.
Voorts moet er sprake zijn van enige omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat betrokkene beschermd is tegen refoulement.
Indien de toelating in een eerder ontvangend of derde land een tijdelijk of voorlopig karakter kent hoeft dit geen aanwijzing te zijn dat de betrokkene aangewezen is op bescherming op de openbare lichamen, aangezien een verblijfstitel verband houdend met bescherming op de openbare lichamen eveneens een tijdelijke karakter kent.
Wanneer een aanvraag om bescherming niet zonder statusbepaling kan worden afgewezen, dient eerst te worden beoordeeld of de vreemdeling een verdragsvluchteling is en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES
Als de vreemdeling hier niet voor in aanmerking komt, dient te worden beoordeeld of de vreemdeling bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM staat te wachten en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES.
Daartoe wordt allereerst beoordeeld of het relaas geloofwaardig is, zie 4.3.
Zie 4.4. voor de situatie waarin een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
De toetsing aan het Vluchtelingenverdrag vindt plaats in de volgende volgorde:
is de vreemdeling op grond van het Vluchtelingenverdrag uitgesloten van bescherming (1B-1F)?;
zo nee, is de betrokkene vluchteling in de zin van artikel 1A van het Verdrag?
Bij de beoordeling of betrokkene een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag speelt de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling een grote rol (zie 4.4.3).
Wanneer wordt geconstateerd dat betrokkene een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan kan hij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf voor bescherming als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES. De aanvraag dient echter eerst nog getoetst te worden aan de vraag of betrokkene een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en openbare orde.
Binnen het uitgangspunt dat er steeds sprake is van een individuele beoordeling, valt de toets in vier achtereenvolgende stappen uiteen. Om praktische redenen geldt de volgende volgorde:
Het gaat steeds om de beoordeling van de situatie zoals die is in het land van herkomst op het moment dat het vertrek van de vreemdeling naar het land van herkomst aan de orde is. Dat geldt dus:
op het moment dat de beslissing wordt gemaakt; maar ook
op het moment dat de rechter deze beslissing toetst.
Is de vreemdeling afkomstig uit een land waar sprake is van een uitzonderlijke situatie (zie 3.2.1);
Zo nee, behoort de vreemdeling tot een groep die systematisch blootgesteld wordt aan mensenrechtenschendingen (zie 3.2.2);
Zo nee, behoort de vreemdeling tot een aangewezen kwetsbare minderheidsgroep? (zie 3.2.3);
Zo nee, heeft de vreemdeling in zijn persoonlijke situatie aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico van schending van artikel 3 EVRM loopt bij terugkeer? (zie 3.2.4).
Ook bij de toetsing aan artikel 3 EVRM speelt de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling een grote rol.
Wanneer wordt geconstateerd dat betrokkene bij terugkeer naar zijn land van herkomst een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM staat te wachten, dient vervolgens getoetst te worden of betrokkene een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en openbare orde. Zo dit niet het geval is kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf voor bescherming als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES. wanneer.
De vreemdeling hoeft niet expliciet te bewijzen maar moet aannemelijk maken dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Hij moet alle relevante gegevens aanreiken. Zijn verklaringen moeten:
consistent en geloofwaardig zijn;
passen in dat wat algemeen bekend is over de situatie in zijn land van herkomst; dan wel door diverse gezaghebbende bronnen bevestigd wordt; en
gestaafd worden met authentiek en onvervalst bewijs.
Wanneer de verklaringen van de vreemdeling niet consistent of geloofwaardig zijn en/of niet passen in wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst, heeft de vreemdeling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij voor bescherming in aanmerking komt en dient de aanvraag om bescherming te worden afgewezen.
Als de vreemdeling niet over zodanig bewijs beschikt, moet hij een verklaring hebben voor het ontbreken ervan. Slaagt hij hierin, dan kan nader onderzoek worden ingesteld en/of hem het voordeel van de twijfel worden toegekend.
Ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van Nederland kunnen als gezaghebbende bronnen worden aangemerkt.
Aanvragen om bescherming kunnen worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
Op verschillende manieren kan duidelijk worden dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd:
Een proces-verbaal, opgemaakt ter zake van het plegen van een misdrijf:
Het proces-verbaal vormt een grond voor nader onderzoek;
Antecedentenverklaring:
De vreemdeling dient deze verklaring te ondertekenen bij de aanvraag en verklaart daarin nimmer ter zake van enig strafbaar feit te zijn veroordeeld tot de genoemde straffen en op het moment van zijn aanvraag niet aan een strafvervolging te zijn onderworpen. Als de vreemdeling de antecedentenverklaring niet wil ondertekenen, dan bestaat het vermoeden dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd en dient dit te worden onderzocht. Als na ondertekening van de verklaring blijkt dat de vreemdeling ooit is veroordeeld, dan staat vast dat hij deze verklaring ten onrechte heeft ondertekend en derhalve onjuiste gegevens heeft verstrekt;
Daarnaast kan bij het OM informatie worden verzocht inzake veroordelingen en lopende zaken.
Een uitspraak van een buitenlandse rechter kan eveneens van belang zijn voor beoordeling van de vraag of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde.
Onder gevaar voor de openbare orde wordt ook begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid of de (goede) internationale betrekkingen. Ook ongewenste politieke activiteiten kunnen onder het openbare orde begrip worden geschaard.
Onder gevaar voor de gemeenschap of de nationale veiligheid wordt ook verstaan de situatie waarin het verlenen van een verblijfsvergunning zou betekenen dat de openbare lichamen zouden worden tot een gastland van mensen die elders de publieke rechtsorde ernstig schokten door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren.
Als de vreemdeling een verdragsvluchteling is, mag de betrokkene een verblijfsvergunning geweigerd worden en mag de vreemdeling uitgezet worden op grond van artikel 33, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag als:
er ten aanzien van de vluchteling ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of
de vreemdeling bij gewijsde (onherroepelijk) veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van het land waar hij zich bevindt.
Een gevaar voor de nationale veiligheid is een afwijzingsgrond ontleend aan het algemeen belang. Dit is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling en wordt per geval beoordeeld. Er dienen concrete aanwijzingen te zijn, bijvoorbeeld een ambtsbericht van een (inter-)nationaal ministerie of inlichtingendienst.
Er is sprake van een bijzonder ernstig misdrijf als:
de vreemdeling bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf, of aan hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd;
het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straffen of maatregelen in totaal ten minste 24 maanden bedraagt; en
tenminste één van de veroordelingen betrekking heeft op een misdrijf dat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert, zoals drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven; brandstichting, mensenhandel, illegale handel in wapens, munitie en explosieven en illegale handel in menselijke organen en weefsels.
Voor het weigeren van de vergunning is tevens vereist dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap van de openbare lichamen. Dit wordt ex nunc (op het moment van de beslissing) beoordeeld. Het feit dat sinds de veroordeling een aanzienlijke tijd is verstreken zonder dat recidive heeft plaatsgevonden, kan een aanwijzing vormen dat de vreemdeling geen gevaar meer oplevert. In geval van een bijzonder misdrijf wordt een verjaringstermijn van tien jaren gehanteerd.
Indien de vreemdeling beschermd moet worden tegen terugkeer naar het land van herkomst omdat er een reëel risico is op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, betekent dit niet automatisch dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning tot tijdelijk verblijf. In de onderstaande situaties wordt de betrokkene niet teruggezonden, maar wordt de gevraagde vergunning niet verleend.
Er zijn ernstige redenen om aan te nemen dat:
de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd op de openbare lichamen of in een ander land;
de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de VN als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de VN;
de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap of de nationale veiligheid; of
de vreemdeling heeft aangezet of anderszins deelgenomen aan de onder a tot en met c vermelde misdrijven of daden.
Deze weigeringsgrond komt overeen met de in artikel 1F Vluchtelingenverdrag onder a. genoemde misdrijven
Er is sprake van een ernstig misdrijf als:
de vreemdeling is veroordeeld tot een gevangenisstraf, of aan hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd;
het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straffen of maatregelen in totaal ten minste 18 maanden bedraagt; en
tenminste één van de veroordelingen betrekking heeft op een misdrijf dat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert, zoals drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven, brandstichting, mensenhandel, illegale handel in wapens, munitie en explosieven en illegale handel in menselijke organen en weefsels. De veroordeling hoeft niet onherroepelijk te zijn.
Deze afwijzingsgrond komt overeen met de handelingen, bedoeld in artikel 1F, onder c, Vluchtelingenverdrag.
Een gevaar voor de nationale veiligheid is een weigeringsgrond ontleend aan het algemeen belang. Dit is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling en wordt per geval beoordeeld. Er moeten concrete aanwijzingen te zijn, bijvoorbeeld een ambtsbericht van een (inter-)nationaal ministerie of inlichtingendienst
Of hiervan sprake is, wordt aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval beoordeeld. Voor verdere informatie kan de medewerker van de IND unit Caribisch Nederland contact opnemen met de unit 1F van de IND in het Europese deel van Nederland.
Een aanvraag om bescherming kan alleen worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland. Voorafgaand aan de indiening van de aanvraag dient de vreemdeling contact op te nemen met een ambtenaar belast met de grensbewaking en/of het toezicht.
Steeds dienen de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht in contacten met vreemdelingen die niet over de juiste documenten beschikken en daarom in beginsel geen recht op toegang of toelating hebben, zorgvuldig te beoordelen of een vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen, ook al verzoekt de vreemdeling niet met zoveel woorden om bescherming.
Zodra de ambtenaar belast met de grensbewaking duidelijk is dat de vreemdeling bescherming wil aanvragen, moet hij eerst beoordelen of de vreemdeling in dit kader toegang krijgt om zich in persoon op afspraak bij de IND unit Caribisch Nederland te melden. Als de ambtenaar overweegt de toegang te weigeren, moet hij hiervoor een bijzondere aanwijzing vragen aan de IND unit Caribisch Nederland. Weigering van de toegang kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in het geval er sprake is van een claimmogelijkheid op een vervoerder of in het geval er aanleiding is voor het vermoeden dat de vreemdeling zich aan het toezicht gaat onttrekken.
De ambtenaar belast met het toezicht dan wel de ambtenaar belast met de grensbewaking beoordeelt tevens in overleg met de IND unit Caribisch Nederland of de vreemdeling de procedure in bewaring moet afwachten of dat hij op afspraak bij de IND unit Caribisch Nederland kan verschijnen voor de indiening van de aanvraag.
In het geval de vreemdeling de procedure in bewaring moet afwachten wordt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld dat de vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen. De vreemdeling wordt op de locatie waar de bewaring ten uitvoer wordt gelegd in de gelegenheid gesteld een aanvraagformulier te ondertekenen. Hij wordt omtrent de aanvraag in bewaring gehoord door de IND unit Caribisch Nederland. De rechtsbijstandverlener die de vreemdeling bijstaat in het kader van de inbewaringstelling, wordt vooraf door de IND unit Caribisch Nederland geïnformeerd over de datum waarop het gehoor plaatsvindt.
Wanneer een vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen en er geen aanleiding bestaat om de vreemdeling in bewaring te stellen, dient de ambtenaar belast met grensbewaking (die tevens bevoegd is om handelingen in het kader van toezicht uit te voeren) of de ambtenaar belast met toezicht handelingen uit te voeren ter voorbereiding van de indiening en behandeling van de aanvraag om bescherming.
Voor zover een goede communicatie dit vergt moet voor dit eerste contact een betrouwbare tolk worden ingeschakeld. De tolk kan in persoon of op afstand worden ingezet via telefoon of videoconference.
In het kader van toezicht en de voorbereiding op de indiening en behandeling van de aanvraag wordt de identiteit van de vreemdeling vastgesteld. De vreemdeling en diens kleding en bagage worden onderzocht op de aanwezigheid van reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. In het geval de vreemdeling vergezeld wordt door gezinsleden, geldt voor hen hetzelfde. De gegevens van de vreemdeling(en) worden geregistreerd, voorzover hun gegevens nog niet in de vreemdelingenadministratie voorkomen.
In het geval de hoofdpersoon vergezeld wordt door gezinsleden die ouder zijn dan twaalf jaar, vraagt de toezichthouder de gezinsleden of zij bescherming willen omdat de hoofdpersoon problemen heeft met terugkeer of dat zij vanwege hun eigen identiteit en/of activiteiten problemen hebben met terugkeer. De IND unit Caribisch Nederland legt uit dat het verschil relevant is omdat in het geval zij zelf problemen vrezen, zij zelf een aanvraag om bescherming kunnen indienen en zij zelf gehoord worden. In het geval zij zelf niet gehoord willen worden, kunnen zij om gezinshereniging vragen en in aanmerking komen voor een afgeleide vergunning tot verblijf (zie onder 6.)
De toezichthouder of, indien nodig de IND unit Caribisch Nederland stelt de vreemdeling(en) bij het eerste contact in de gelegenheid de motieven voor de aanvraag om bescherming op schrift te stellen.
Op basis van de verzamelde gegevens gaat de ambtenaar na of betrokkene(n) in de beschikbare (opsporings)registers voorkomt/voorkomen.
Vervolgens wordt telefonisch een afspraak gemaakt voor de vreemdeling(en) voor een gesprek met de IND unit Caribisch Nederland op het openbare lichaam waar hij verblijft.
De volgende gegevens van de vreemdeling worden bij dit telefoongesprek telefonisch aan de IND unit Caribisch Nederland verstrekt:
geboortedatum of- jaar van de hoofdpersoon
nationaliteit of in geval van staatloosheid, het land waar de vreemdeling zijn gewone verblijfsplaats had;
paspoortgegevens;
wijze van aankomst;
hoeveel gezinsleden de hoofdpersoon vergezellen en, voor degenen die ouder dan twaalf zijn, of zij zelfstandig om bescherming zoeken en om die reden gehoord dienen te worden, of dat zij een aanvraag om gezinshereniging willen indienen;
de taal waarin de hoofdpersoon (en eventueel de gezinsleden) zich goed verstaanbaar kan maken;
of er, gelet op de gegevens in het paspoort, sprake is van een derde land.
In het geval dat de gezinsleden zelfstandig om bescherming verzoeken, moeten van hen dezelfde gegevens verstrekt te worden.
Per fax of op andere geschikte wijze worden aanvullend op het gesprek kopieën van documenten en de schriftelijke verklaring met de asielmotieven doorgegeven aan de IND unit Caribisch Nederland.
Er worden zo min mogelijk originele documenten van de vreemdeling ingenomen. Als originele documenten worden ingenomen, krijgt de vreemdeling een bewijs van ontvangst en een afschrift van de stukken. Als er twijfel bestaat of terugkeer mogelijk is enkel op basis van kopieën van de reisdocumenten, kunnen de reisdocumenten worden ingenomen totdat de terugkeer feitelijk wordt geëffectueerd of op het moment dat terugkeer niet aan de orde is omdat de gevraagde vergunning wordt afgegeven of omdat beslist is dat er weliswaar geen vergunning behoeft te worden afgegeven, bijvoorbeeld vanwege artikel 1F maar dat een gedwongen uitzetting naar het land van herkomst een schending van artikel 3 EVRM betekent en niet wordt overwogen.
Met nadruk wordt erop gewezen dat in de identiteits- en/of reisdocumenten van iemand die om bescherming verzoekt nooit aantekeningen mogen worden geplaatst, daar dit – bij afwijzing van het verzoek – voor de vreemdeling moeilijkheden in zijn land van herkomst met zich mee kan brengen.
Aantekeningen kunnen slechts worden gesteld op een afzonderlijk los inlegblad.
Onder vreemdelingen die bescherming verzoeken wordt in dit verband ook begrepen vreemdelingen wier verzoek om bescherming is afgewezen of die hun verzoek om bescherming hebben ingetrokken. In deze gevallen is het plaatsen van aantekeningen echter wel mogelijk als de vreemdeling niet langer enige procedure voert over zijn verzoek om bescherming én
de openbare lichamen heeft verlaten – eventueel hangende zijn procedure en nadien naar de openbare lichamen is teruggekeerd, of
een verblijfstitel heeft verkregen voor een ander doel dan voor bescherming.
De vreemdeling meldt zich bij de toezichthouder aan als hij bescherming wil vragen. De vreemdeling krijgt bij de aanmelding een periodieke meldplicht opgelegd. Hangende de beslissing op zijn aanvraag geldt in beginsel een wekelijkse aanmeldplicht. De ambtenaar maakt in het kader van toezicht een aantekening op een inlegformulier bij het reisdocument van de vreemdeling waaruit blijkt wanneer en waar de betrokkene zich moet melden en of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten.
In het geval de vreemdeling is vergezeld door gezinsleden gelden de aanwijzingen ook voor hen.
De ambtenaar belast met het toezicht wijst de vreemdeling erop dat de aanvraag kan worden afgewezen wegens het ontbreken van een belang indien de vreemdeling zonder opgaaf van reden niet verschijnt. De vreemdeling wordt er tevens op gewezen eventuele wijzigingen omtrent zijn bereikbaarheid direct door te geven.
De IND unit Caribisch Nederland verwerkt de gegevens die ten aanzien van de vreemdeling die om bescherming wil verzoeken beschikbaar zijn gesteld en stelt een dossier samen. Voordat de afspraak voor indiening van de aanvraag en een gehoor met de vreemdeling gemaakt wordt, regelt de IND unit Caribisch Nederland zo nodig dat een tolk op het afgesproken tijdstip beschikbaar is.
Voordat de vreemdeling op de afgesproken tijd verwacht wordt, bereidt de IND unit Caribisch Nederland het gehoor zorgvuldig voor. Op basis van de schriftelijke motivering van de vreemdeling en aan de hand van de opgegeven nationaliteit en de verdere beschikbare gegevens bepaalt de IND unit Caribisch Nederland welke documentatie hij tijdens het gehoor nodig heeft, zoals een atlas om de woonomgeving en de vluchtroute van de vreemdeling te kunnen verifiëren. De IND unit Caribisch Nederland zet voor zichzelf de informatie van de vreemdeling af tegen de feiten die hij in de landeninformatie heeft gevonden. Op deze wijze kan de IND unit Caribisch Nederland gericht vragen voorbereiden en wellicht aansluitend aan het gehoor een beslissing nemen op de aanvraag.
In het geval het om een gezin gaat, bereidt de IND unit Caribisch Nederland ook vragen voor die aan de gezinsleden gesteld worden en bepaalt de IND unit Caribisch Nederland de volgorde waarin gehoord gaat worden. De IND unit Caribisch Nederland gaat na of er nog aanvullende handelingen verricht moeten worden. Hierbij valt te denken aan het eventueel collegiaal raadplegen van de IND in Nederland vooraf, tijdens of na het gehoor met het oog op dossieronderzoek of voor nader overleg. Een planning vooraf van de duur van het gehoor en over de mogelijkheid gezinsleden separaat van elkaar te horen kunnen nuttig zijn.
Zodra de vreemdeling zich meldt bij de IND unit Caribisch Nederland stelt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling(en) in de gelegenheid om de aanvraagformulieren en de antecedentenverklaring te ondertekenen. De aanvraag kan door de hoofdpersoon worden ondertekend mede namens de minderjarige kinderen in het geval zij hebben aangegeven dat zij niet zelfstandig hoeven te worden gehoord omdat zij geen zelfstandige motieven hebben.
De IND unit Caribisch Nederland gaat na of alle formulieren ondertekend zijn en of het dossier nu compleet is of dat er nog aandachtspunten zijn voor de beslissing op de verblijfsvergunning. Daarbij kan gedacht aan bijvoorbeeld een controle van de verblijfshistorie van betrokkene in de vreemdelingenadministratie of het maken van een aantekening in het dossier van zaken die bij het eerste persoonlijk contact opvallen, zoals bijvoorbeeld een ziek kind.Er dienen ook foto’s van de vreemdeling in het dossier aanwezig te zijn.
Nadat de IND-unit Caribisch Nederland de door de vreemdeling ondertekende aanvraagformulieren heeft gevoegd in het dossier, wordt de vreemdeling al dan niet met tussenkomst van een tolk en al dan niet in het bijzijn van een (rechts)hulpverlener gehoord over de motieven om beschermd te worden tegen terugkeer. Tevens vraagt de IND-unit Caribisch Nederland naar de gezinssamenstelling en naar de persoonsgegevens van eventuele achtergebleven gezinsleden die mogelijk later nog gezinshereniging willen vragen. Ook wordt gevraagd naar het eventuele verblijf in derde landen voorafgaand aan de komst naar de openbare lichamen.
De IND-unit Caribisch Nederland stelt tijdens het gehoor een verslag van het gehoor op.
Na afloop van het gehoor ontvangt de vreemdeling een exemplaar van het afgedrukte concept-verslag van het gehoor.
De IND-unit Caribisch Nederland neemt ter plaatse het concept-verslag met hem door, zo nodig door tussenkomst van de tolk, en de vreemdeling krijgt de gelegenheid ter plaatse correcties aan te brengen.
In het geval de vreemdeling het verslag corrigeert, verwerkt de IND-unit Caribisch Nederland de correcties in het verslag. De medewerker van de IND-unit Caribisch Nederland maakt het verslag definitief. In het definitieve verslag gehoor vermeldt de IND-unit Caribisch Nederland dat de vreemdeling correcties heeft voorgesteld en dat deze zijn verwerkt. De IND-unit Caribisch Nederland geeft de vreemdeling een exemplaar van het aangepaste en uitgeprinte verslag van het gehoor mee en voegt tevens een exemplaar toe aan het dossier van de vreemdeling. De datum van het gehoor en de gegevens uit het gehoor worden door de IND-unit Caribisch Nederland in het registratiesysteem vastgelegd.
De IND-unit Caribisch Nederland gaat vervolgens na of alle gegevens aanwezig zijn om te beslissen op de aanvraag of dat er eerst andere handelingen moeten worden verricht, zoals het uitvoeren van een onderzoek naar de reisroute of naar een eventueel strafregister van de vreemdeling. Zoveel mogelijk wordt direct gehandeld. Dat betekent dat hetzij het wordt onderzoek gestart hetzij direct de beslissing wordt genomen.
Indien de beslissing niet direct wordt genomen, stelt de IND-unit Caribisch Nederland de vreemdeling op de hoogte van de vermoedelijke datum waarop de beslissing genomen zal worden. De IND-unit Caribisch Nederland informeert de vreemdeling tevens of hij, in het geval de wachtperiode dit rechtvaardigt, naar tijdelijk werk kan gaan zoeken. De vreemdeling wordt erop gewezen dat hij een werkgever moet zoeken die bereid is voor hem een tewerkstellingsvergunning aan te vragen. Als hij een werkgever heeft gevonden, dient hij de IND-unit Caribisch Nederland op de hoogte te stellen zodat de IND-unit Caribisch Nederland ten behoeve van de tewerkstellingsvergunning kan aangeven tot wanneer hij in verband met de lopende toelatingsprocedure in de openbare lichamen mag blijven.
Het is mogelijk dat zich tijdens de procedure feiten of omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor de inhoud van de te nemen beslissing.
Hierbij moet gedacht worden aan:
vertrek van de openbare lichamen;
het zich niet houden aan een opgelegde meldingsplicht;
het zich niet houden aan de aanwijzing om zich beschikbaar te houden;
het sluiten van een huwelijk of het aangaan van een relatie;
een wijziging in de gezondheidstoestand van de aanvrager van bescherming;
indicatie dat de vreemdeling een aanvraag wil indienen voor een ander verblijfsdoel;
inbreuk op de openbare orde.
Van dergelijke feiten of omstandigheden moet de IND unit Caribisch Nederland onmiddellijk in kennis worden stellen in verband met de consequenties voor de beschikking Het kan ook voorkomen dat de IND unit Caribisch Nederland in verband met de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag nog nadere informatie behoeft. In voorkomende gevallen zal de politie gevraagd worden deze informatie te verzamelen.
Tevens dient de vreemdeling en de hem bijstaande personen of instanties erop gewezen te worden dat het van belang is dat ook zij relevante gegevens aan de IND unit Caribisch Nederland – al dan niet door tussenkomst van de politie – doorgeven.
De beslissing op de aanvraag kan inwilligend of afwijzend zijn.
De beslissing houdt tevens een uitspraak in over de verwijdering.
In het geval de beslissing inhoudt dat de vreemdeling beschermd moet worden tegen terugzending wordt dit in beschikking aan de vreemdeling vastgelegd. Tevens wordt hierin aangetekend:
met ingang van welke datum de tijdelijke verblijfsvergunning kan worden verleend;
of de vreemdeling, indien hij niet of niet meer over een geldig grensoverschrijdingsdocument beschikt, heeft aangetoond dat hij niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding;
of de vreemdeling zich bij de lokale bevoegde autoriteiten moet vervoegen voor een onderzoek op tuberculose;
dat de vreemdeling is vrijgesteld van de MVV-plicht;
dat de vreemdeling is vrijgesteld van verplichting tot het storten van een waarborgsom en het betalen van leges;
voor welke kinderen de beslissing medegelding heeft;
dat de betrokkene arbeid mag verrichten zonder dat hiervoor een tewerkstellingsvergunning vereist is.
De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de uitreiking van de beslissing.
Indien de aanvraag wordt ingewilligd geldt de datum van de indiening van de aanvraag in beginsel als ingangsdatum voor de te verlenen vergunning. Indien de inwilliging berust op feiten en/of omstandigheden die zich na het indienen van de aanvraag hebben voorgedaan, wordt de aanvraag ingewilligd met ingang van de dag dat door de vreemdeling is aangetoond dat aan de voorwaarden voor bescherming wordt voldaan.
In het geval de beslissing inhoudt dat de vreemdeling niet tegen terugkeer beschermd hoeft te worden, maakt de IND unit Caribisch Nederland een gemotiveerde afwijzende beschikking op de aanvraag. Tevens beslist de IND unit Caribisch Nederland of de vreemdeling van het grondgebied verwijderd mag worden. Aangehecht aan de negatieve beschikking wordt gewezen op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het meervoudig besluit. Daarbij wordt vermeld dat het aanwenden van rechtsmiddelen het besluit niet schorst. Wel mag de vreemdeling een tijdig aanhangig gemaakte voorlopige voorziening afwachten (zie hoofdstuk 19).
De vreemdeling wordt verzocht de IND unit Caribisch Nederland en de politie in kennis te stellen in het geval hij een rechtsmiddel heeft ingesteld.
De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de uitreiking van de beslissing.
In bijzondere gevallen kan de beslissing op de aanvraag inhouden dat de betrokkene vanwege het belang van de openbare orde en/of vanwege artikel 1F uitgesloten wordt van verblijf, maar niet mag worden uitgezet naar het land van herkomst. Aangehecht aan de negatieve beschikking wordt gewezen op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het meervoudig besluit. In het geval rechtsmiddelen worden ingesteld wordt de vreemdeling verzocht de IND unit Caribisch Nederland en de politie hiervan in kennis te stellen.
In tegenstelling tot de gebruikelijke werkwijze (zie tekst hieronder), wordt de beschikking in dit geval in drievoud per brief aan de politie aangeboden met het verzoek om:
één exemplaar van de beschikking aan de vreemdeling uit te reiken; en
één exemplaar van de beschikking terug te zenden aan de IND unit Caribisch Nederland, voorzien van een aantekening van de datum van uitreiking van de beschikking.
Het derde exemplaar is bestemd voor de administratie van de politie.
In dit geval wordt de vreemdeling verzocht na te gaan of er een derde land bereid is hem toe te laten. De periodieke meldplicht blijft gelden zolang er nog gebruik kan worden gemaakt of is gemaakt van de mogelijkheid om rechtsmiddelen in te stellen.
De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de verzending van de beslissing.
De beschikking wordt in beginsel door de IND-unit Caribisch Nederland in persoon uitgereikt.
Bij de uitreiking dient aan de vreemdeling, in een voor hem kenbare taal, te worden medegedeeld wat de inhoud van de beschikking is. Wanneer de aanvraag om bescherming is afgewezen dient aan de vreemdeling te worden meegedeeld dat hij het land binnen vier weken moet verlaten, of korter als op grond van de uitzetting of de openbare orde een kortere vertrektermijn is gegeven. Daarnaast dient aan de vreemdeling te worden verteld dat tegen een afwijzende beslissing inzake een aanvraag om bescherming alleen beroep kan worden ingesteld. De beslissing op het beroepschrift mag de vreemdeling niet in de openbare lichamen afwachten. Wanneer de vreemdeling de rechtbank verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen gericht tegen de uitzetting hangende het beroep, mag de vreemdeling deze eerste spoedprocedure in beginsel in de openbare lichamen afwachten.
Aan de vreemdeling wordt verzocht om de IND-unit Caribisch Nederland en de politie in kennis te stellen van eventuele rechtsmiddelen die hij instelt.
Een afschrift van de beschikking wordt per brief aan de politie aangeboden. Tevens wordt de politie verzocht de periodieke meldplicht te beëindigen, tenzij de vreemdeling inmiddels naar aanleiding van een afwijzende beschikking een rechtsmiddel heeft ingesteld dat het aangezegde vertrek opschort.
Er kan zo nodig aansluitend aan de uitreiking van de beschikking worden overgegaan tot inbewaringstelling, voorzover is voldaan aan de voorwaarden voor inbewaringstelling. In dit geval dient de vreemdeling onmiddellijk vertrek aangezegd te worden en direct na het uitreiken van de beschikking in de gelegenheid te worden gesteld een advocaat te raadplegen.
Als het niet mogelijk is de beschikking in persoon aan de vreemdeling uit te reiken en zijn adres onbekend is, maakt de IND-unit Caribisch Nederland een proces-verbaal op. Daarin wordt opgenomen dat het niet mogelijk is om de afwijzende beschikking aan de vreemdeling in persoon uit te reiken, terwijl vast staat dat hij niet verblijft op het laatst bekende adres. De IND-unit Caribisch Nederland dient de beschikking op een andere geschikte wijze bekend te maken. In het geval de vreemdeling een gemachtigde heeft, kan de beschikking naar de gemachtigde worden gezonden.
Wanneer de aanvraag om bescherming is afgewezen, wordt op de aan de vreemdeling uit te reiken beschikking aangetekend:
de datum en wijze van uitreiking van de beschikking;
de naam van de uitreikende ambtenaar;
de termijn waarbinnen de vreemdeling de openbare lichamen dient te verlaten.
De politie of ambtenaar belast met de grensbewaking stelt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk in kennis over het vertrek van de vreemdeling aan wie bescherming geweigerd is.
Als de vreemdeling niet in bewaring is gesteld en de vreemdeling de openbare lichamen niet uit eigen beweging heeft verlaten binnen de vertrektermijn dan moet tot uitzetting worden overgegaan.
Wanneer de vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bescherming beroep bij de rechtbank instelt, dan schorst dit rechtsmiddel de werking van het besluit niet. Uitzettingshandelingen kunnen dus plaatsvinden vanaf het moment van bekendmaking van de eerste afwijzende beslissing.
Wanneer de vreemdeling de rechtbank verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen gericht tegen de uitzetting hangende het beroep, mag de vreemdeling deze eerste spoedprocedure in beginsel in de openbare lichamen afwachten.
Als de vreemdeling minvermogend is kan hij voor de indiening van een beroep een rechtsbijstandverlener via een toevoeging vragen.
Wanneer de aanvraag om beschikking wordt ingewilligd, wordt de vreemdeling op de hoogte gesteld van de wijze waarop hij in het bezit wordt gesteld van een verblijfsdocument voor verblijf. Verder wordt hij gewezen op het belang dat hij tijdig vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het document om verlenging vraagt.
Voorts wordt hem verzocht binnen drie maanden een TBC-onderzoek te ondergaan. De IND hoeft niet op de hoogte gesteld te worden van de uitkomsten van dit onderzoek omdat het wel of niet ondergaan van dit onderzoek geen consequenties heeft voor het verblijfsrecht verband houdend met bescherming.
Het verblijfsdocument voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming wordt verleend voor de duur van een jaar. Op het document komt de aantekening ‘Arbeid is vrij toegestaan’.
De vreemdeling is vrijgesteld van het betalen van een waarborgsom en leges.
Bescherming op de openbare lichamen wordt tijdelijk verleend. De vreemdeling wordt aangemoedigd door de IND unit Caribisch Nederland om door te migreren naar een ander land in de regio waar zijn toelating en bescherming gewaarborgd is en zijn kansen op de arbeidsmarkt wellicht beter zijn.
Als aan de hoofdpersoon van een gezin een verblijfsvergunning is verleend verband houdend met bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid en onder a of b, WTU-BES, kan een van hem afhankelijk gezinslid in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning. Er zijn daarbij twee situaties te onderscheiden:
Een afgeleide verblijfsvergunning kan worden verleend op grond van artikel 12a, eerste lid en onder c, WTU-BES, als de echtgeno(o)t(e) of het minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vergunninghouder, dezelfde nationaliteit heeft en gelijktijdig met hem of haar de openbare lichamen is ingereisd.
Een afgeleide verblijfsvergunning kan worden verleend op grond van artikel 12a, eerste lid en onder d, WTU-BES als de partner of als het meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van de vergunninghouder dat hij om die reden behoort tot het gezin van de vergunninghouder, dezelfde nationaliteit heeft en gelijktijdig met deze vreemdeling de openbare lichamen is ingereisd.
Cumulatieve vereisten in beide gevallen zijn:
dat de hier bedoelde gezinsleden dezelfde nationaliteit hebben als de houder van de verblijfsvergunning verband houdend met bescherming; en
dat zij feitelijk behoren tot zijn gezin; en
dat zij gelijktijdig zijn ingereisd met hem.
Het huwelijk of partnerschap moet reeds bestaan hebben in het buitenland en er moet sprake zijn geweest van samenwoning in het land van herkomst. Een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld aan partnerschap.
Achtergebleven gezinsleden kunnen vanuit het buitenland een mvv voor gezinshereniging aanvragen. Kiezen zij ervoor om zonder mvv spontaan in te reizen, dan dienen zij een zelfstandige aanvraag te doen voor een vergunning tot verblijf verband houdend met bescherming.
Wanneer de gezinsleden zijn ingereisd met een mvv, dienen zij zich te melden bij de IND unit Caribisch Nederland voor het indienen van een aanvraag voor een vergunning tot tijdelijk verblijf om redenen verband houdend met bescherming. Hiernaar wordt verwezen in de brieven bij de afgifte van de mvv. Ook gezinsleden die zijn ingereisd zonder een mvv, dienen zich voor het indienen van deze aanvraag te vervoegen bij de IND unit Caribisch Nederland.
De afgeleide vergunning tot verblijf verband houdend met bescherming wordt ook voor één jaar verleend.
Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan is de vreemdeling gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
De vreemdeling kan zich in verbinding stellen met de IND unit Caribisch Nederland om een afspraak te maken voor de indiening van een tweede of opvolgende aanvraag. Op de afgesproken datum wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld de aanvraagformulieren te ondertekenen. De vreemdeling wordt gevraagd de nieuwe feiten en omstandigheden te noemen. Indien de IND unit Caribisch Nederland constateert dat er sprake is van een herhaling van hetgeen al in de eerdere procedure naar voren is gebracht, wordt het gehoor gestopt. De IND unit Caribisch Nederland brengt in dit geval de politie of de ambtenaar belast met de grensbewaking, direct – telefonisch en schriftelijk – van het voorlopig oordeel op de hoogte dat de betrokkene de afronding van de procedure niet mag afwachten. Een voorlopige voorziening gericht tegen het vertrek mag, indien er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn, niet worden afgewacht.
De IND unit Caribisch Nederland maakt zo spoedig mogelijk een beslissing op de aanvraag en stelt, indien mogelijk, de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis. De politie wordt eveneens geïnformeerd.
De aanvraag, het voorlopig oordeel en de datum van de opmaak en uitreiking van de beschikking worden geregistreerd door de IND unit Caribisch Nederland.
In het geval wel sprake is van nieuw gebleken feiten en/of omstandigheden is er geen sprake van een herhaalde maar van een opvolgende aanvraag en wordt gehandeld als bij een eerste aanvraag.
Zodra de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend om verlenging van het verblijf verband houdend met bescherming, beoordeelt de IND unit Caribisch Nederland of de gronden voor bescherming nog steeds van toepassing zijn.
Zolang de noodzaak tot bescherming blijft bestaan en er geen contra-indicaties bekend zijn die tot verblijfsbeëindiging aanleiding geven, kan het verblijfsdocument worden verlengd met een jaar. De vreemdeling kan in dat geval worden vrijgesteld van het vereiste om in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.
Indien bij de jaarlijkse verlenging blijkt dat de grond voor bescherming is vervallen, kan de gevraagde verlenging van de bescherming worden geweigerd. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de situatie in het land van herkomst ingrijpend is gewijzigd of als de vreemdeling vrijwillig zich weer onder de bescherming van de autoriteiten van het land van herkomst heeft begeven.
Ook hangende de geldigheid van de vergunning tot verblijf kan verblijfsbeëindiging worden ingezet. In dit geval wordt een intrekkingsprocedure gestart.
In beide situaties dient de betrokkene voorafgaand aan het besluit gehoord te worden door de IND unit Caribisch Nederland.
Wanneer na afgifte van de vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming blijkt dat de vergunning is verleend op onjuiste gegevens die door de vreemdeling zijn verstrekt, kan de vergunning worden ingetrokken en het rechtmatig verblijf van de vreemdeling worden beëindigd. Hetzelfde geldt als de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden. De intrekking dient te berusten op het uitgangspunt dat de vergunning nimmer zou zijn verstrekt als op het moment van de verlening de feiten bekend waren geweest zoals ze nu bekend zijn geworden.
De rechtspositie van de vreemdeling is nadien dezelfde als die van een vreemdeling die nimmer in het bezit is geweest van een vergunning tot verblijf.
Als blijkt dat de houder van een vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming een strafbaar feit heeft gepleegd op de openbare lichamen, stelt de politie de IND unit Caribisch Nederland hiervan zo snel mogelijk in kennis. De IND unit Caribisch Nederland toetst aan het beleidskader voor de openbare orde en beoordeelt of er aanleiding bestaat het toegestane verblijf te beëindigen.
Artikel 16
Aanvragen om bescherming tegen terugzending
Onderdeel van Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 8 oktober 2010