In hoofdstuk 9 WTU-BES zijn regels opgenomen over het vertrek, de uitzetting en de ongewenstverklaring van de vreemdeling. Uitgangspunt is dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in de openbare lichamen (meer) heeft, deze uit eigen beweging verlaat. De vreemdeling is daarbij zelf verantwoordelijk voor het vertrek uit de openbare lichamen. Deze eigen verantwoordelijkheid is neergelegd in artikel 16 en 16a WTU-BES.
De rechtsplicht om de openbare lichamen te verlaten ontstaat als het rechtmatig verblijf eindigt.
Voor vreemdelingen die nooit rechtmatig verblijf in de openbare lichamen hadden, ontstaat deze rechtsplicht op het moment dat zij illegaal de openbare lichamen binnen zijn gekomen.
De termijn waarbinnen deze vreemdelingen de openbare lichamen moeten verlaten varieert en is geregeld in artikel 16a WTU-BES.
Voor vreemdelingen waarvan de aanvraag is afgewezen en het bezwaar of beroep niet in de openbare lichamen afgewacht mag worden, ontstaat deze rechtsplicht na afwijzing van de aanvraag.
Als bezwaar of beroep in de openbare lichamen afgewacht mag worden, dan ontstaat deze rechtsplicht nadat beslist is op het bezwaar of beroep.
Van de vreemdeling kan worden geëist dat hij meewerkt aan de voorbereiding van zijn vertrek uit de openbare lichamen. Deze eis kan ook gesteld worden als een aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, terwijl de werking van het besluit is opgeschort. Dit is neergelegd in artikel 16, tweede lid, WTU-BES. De ambtenaar belast met het toezicht zal aan de vreemdeling duidelijk maken wat er wordt verlangd. In de vreemdelingenadministratie wordt dit geregistreerd.
Vreemdelingen die de openbare lichamen moeten verlaten, zijn vrij te gaan naar ieder land waar de toegang is gewaarborgd. Toegang tot een ander land dan het land van herkomst moet de vreemdeling zelf aannemelijk maken. Als de vreemdeling niet is vertrokken in de vertrektermijn en de overheid de uitzetting van de vreemdeling op zich heeft genomen, wordt de uitzetting niet opgeschort wanneer de vreemdeling aangeeft naar een ander land te willen vertrekken.
De vreemdeling van wie het rechtmatig verblijf is geëindigd, moet de openbare lichamen op eigen gelegenheid binnen vier weken (vertrektermijn) verlaten. Dit is op grond van artikel 16a, eerste lid, WTU-BES. De vertrektermijn van vier weken gaat in nadat het rechtmatig verblijf is geëindigd. Voldoet de vreemdeling niet aan deze verplichting, dan kan uitzetting aan de orde zijn.
Als de vreemdeling geen gebruik maakt van de beroepstermijn, kan deze in mindering worden gebracht op de vertrektermijn van vier weken (zie artikel 16a, tweede lid, WTU-BES). Omdat de beroepstermijn vier weken bedraagt, moet de vreemdeling de openbare lichamen in deze gevallen onmiddellijk verlaten. Reden hiervoor is dat de vreemdeling al voorbereidingen voor zijn vertrek heeft kunnen treffen.
Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die het wenselijk maken om een kortere vertrektermijn te geven. Om die reden is in artikel 16a, vierde lid, WTU-BES de bevoegdheid van de Minister opgenomen om de vertrektermijn tot minder dan vier weken te verkorten.
De vertrektermijn kan in de volgende gevallen verkort worden in het belang van de uitzetting:
de geldigheidsduur van de beschikbare reisdocumenten verloopt binnen de vertrektermijn;
er bestaat gegronde vrees dat de vreemdeling misbruik zal maken van de vertrektermijn door niet-rechtmatig in de openbare lichamen achter te blijven;
er is een eerste reismogelijkheid voor de vreemdeling vóór het verstrijken van de vertrektermijn, terwijl de daaropvolgende reismogelijkheid in redelijkheid te lang na het verstrijken van de vertrektermijn ligt;
als dit in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid is.
In een aantal gevallen wordt de vreemdeling geen vertrektermijn gegund (zie artikel 16a, derde lid, WTU-BES). Dit geldt voor de vreemdeling:
van wie de toelating op grond van artikel 5a WTU-BES is geëindigd;
die geen toelating heeft gehad onmiddellijk voorafgaand aan zijn binnenkomst in de openbare lichamen.
Wanneer een vreemdeling niet beschikt over geldige reisdocumenten, moet hij hier zoveel mogelijk zelf voor zorgen.
Ten aanzien van het plaatsen van aantekeningen over de verwijdering in het reisdocument van de vreemdeling, gelden de volgende hoofdregels:
een aantekening mag alleen worden geplaatst als er gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal proberen zich (opnieuw) naar de openbare lichamen te begeven, zonder te voldoen aan de in de WTU-BES gestelde voorwaarden voor binnenkomst;
een aantekening mag niet worden geplaatst als de doorreis van de vreemdeling door of de toelating tot een derde land daardoor zou worden bemoeilijkt.
Aantekeningen over verwijdering mogen nooit worden geplaatst in de identiteits- of reisdocumenten van:
een vreemdeling die bescherming zoekt of heeft gezocht (zie hoofdstuk 16 CTU-BES);
een vreemdeling op wie het beleid ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel van toepassing is (zie hoofdstuk 14 CTU-BES).
Uitzetting is een bevoegdheid en geen verplichting van de Minister. De titel tot uitzetting is het gevolg van:
het niet verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning; of
het intrekken van de vergunning; of
het eindigen van rechtmatig verblijf; of
het niet hebben van rechtmatig verblijf.
In artikel 16b WTU-BES is opgenomen dat de vreemdeling kan worden uitgezet als hij de openbare lichamen niet uit eigen beweging verlaat binnen de daartoe gestelde termijn. De rechter kan in zijn uitspraak beoordelen of er beletselen bestaan tegen uitzetting. Als de rechter de beschikking in stand laat, wordt daarmee bevestigd dat de vreemdeling de openbare lichamen moet verlaten.
Uitzetting vindt plaats:
door overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten;
door plaatsing aan boord van een vliegtuig of schip van de onderneming die de vreemdeling heeft aangevoerd (zie hoofdstuk 1 CTU-BES);
Indien geen van de bovenstaande opties mogelijk is:
Rechtstreeks, dan wel indirect door middel van een tussenstop, naar een land waarvan kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang wordt verleend.
Van belang is dat in het kader van de uitzetting nooit aan de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling, noch aan autoriteiten van het land van doorreis of bestemming, wordt meegedeeld dat de vreemdeling eerder om bescherming heeft gevraagd. Er worden ook geen documenten verstrekt waaruit dit blijkt. Om te voorkomen dat deze informatie de genoemde autoriteiten bereikt, mag ook nooit aan het personeel van de vervoersmaatschappij waarmee de vreemdeling wordt uitgezet, worden meegedeeld dat de vreemdeling bescherming heeft gevraagd. Er wordt alleen aangegeven dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in de openbare lichamen (meer) heeft.
In de volgende gevallen vindt vooralsnog geen uitzetting plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht is ingegaan:
indien uit een signalering of anderszins blijkt dat door een buitenlandse autoriteit de opsporing (en aanhouding ter fine van uitlevering) van een vreemdeling is of wordt gevraagd;
indien het betreft een vreemdeling:
die als verdachte van een strafbaar feit is aangehouden; of
tegen wie een strafvervolging wegens een misdrijf is ingesteld; of
die tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld; of
ten aanzien van wie een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, een en ander zolang het onderzoek nog niet is beëindigd, of op de strafvervolging nog niet onherroepelijk is beslist, of de opgelegde straf of maatregel nog niet is ondergaan.
In deze gevallen mag niet worden uitgezet, tenzij het OM geen bezwaar heeft;
indien de vreemdeling een voorlopige voorziening heeft gevraagd tegen de voorgenomen uitzetting, mag de beslissing van de rechter in de openbare lichamen worden afgewacht. Voorwaarde is dat het verzoek daartoe tijdig is ingediend. De uitspraak op een tweede of volgend verzoek om een voorlopige voorziening mag alleen in de openbare lichamen worden afgewacht als er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden;
zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van een van zijn gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen.
Een verzoek om een voorlopige voorziening mag niet in de openbare lichamen worden afgewacht:
als de openbare orde of nationale veiligheid zich daartegen verzet; of
als het gevaar bestaat dat de mogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst of van toelating tot een derde land verloren gaat. Hierbij kan gedacht worden aan het nog slechts voor korte tijd geldig zijn van bijvoorbeeld (vervangende) reisdocumenten of de daarin voorkomende visa.
De Minister is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting. De feitelijke uitzetting geschiedt door de Commandant van de Koninklijke Marechaussee.
Middels model MBES18 worden vooraf alle revelante omstandigheden gemeld. Het gaat hierbij om informatie over het gedrag van de vreemdeling en medische omstandigheden. Dit kan van belang zijn voor de veiligheid in het algemeen of de veiligheid van de ambtenaren die belast zijn met de begeleiding tijdens de vlucht. Als het gedrag van de vreemdeling daartoe aanleiding geeft, kan de KMar besluiten de vreemdeling te begeleiden tijdens de vlucht.
In hoofdstuk 6 van de Ambtsinstructie BES voor de politie, Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting.
Het modelformulier MBES18 inzake informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting wordt betrokken bij de inschatting van het gebruik van hulpmiddelen (zie paragraaf 3.4).
De gezagvoerder van het luchtvaartuig wordt zo vroeg mogelijk geïnformeerd als het noodzakelijk is dat hulpmiddelen worden gebruikt bij het aan boord brengen van de vreemdeling. Na het sluiten van de vliegtuigdeuren kan enkel in overleg met en na toestemming van de gezagvoerder worden overgegaan tot het aanwenden van hulpmiddelen.
De volgende hulpmiddelen kunnen, afzonderlijk dan wel gecombineerd, worden gebruikt:
stalen handboeien: voor het fixeren van handen en/of voeten;
combinatieriem met handboeien: voor het fixeren van de polsen aan de voorzijde van het lichaam met een mogelijkheid tot verbinding met de enkels;
klittenband: voor het fixeren van handen en/of voeten;
tie-raps: kunststof bindstrips voor het fixeren van handen en/of voeten;
schuimcap: een helm om te voorkomen dat de vreemdeling zichzelf of anderen verwondt door bijvoorbeeld te bijten.
gelaatscherm: een scherm dat dient ter bescherming tegen bijten en/of spugen
Op grond van artikel 34 Ambtsinstructie BES wordt de toepassing van een hulpmiddel bij uitzetting onmiddellijk schriftelijk gemeld aan de meerdere. Dit onder vermelding van:
de aard van het hulpmiddel;
de redenen die tot het gebruik hebben geleid; en
de daaruit voortvloeiende gevolgen.
De meerdere ziet toe op de registratie van deze melding.
Artikel 16b, derde lid WTU-BES bepaalt dat de uitzetting achterwege moet blijven zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van een van zijn gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen. De ambtenaar belast met de uitzetting vraagt bij twijfel of het voor een vreemdeling verantwoord is om te reizen een verklaring ‘fit to fly’ aan bij een daartoe geautoriseerde arts.
Op grond van artikel 22 WTU-BES is de gezagvoerder, reder of de luchtvaartmaatschappij die een, niet tot verblijf in de openbare lichamen gerechtigde, vreemdeling heeft aangebracht verplicht deze vreemdeling voor zijn rekening weer uit de openbare lichamen te vervoeren of doen vervoeren (zie hoofdstuk 1 CTU-BES).
Onder de toepassing van artikel 22 WTU-BES vallen niet alleen vreemdelingen:
aan wie bij binnenkomst de toegang is geweigerd: maar ook
bijvoorbeeld bemanningsleden van schepen of transitpassagiers van vliegtuigen, aan wie toegang is verleend maar die op illegale wijze zijn achtergebleven.
Verstekelingen vallen ook onder deze regelgeving.
De KMar meldt het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit de openbare lichamen aan de IND-unit Caribisch Nederland en de Korpschef door het vertrek te registreren in het Border Management System (BMS) en het verstrekken van het formulier MBES45 aan de IND-unit Caribisch Nederland en de Korpschef.
De vreemdeling die strafrechtelijk gedetineerd is en geen rechtmatig verblijf (meer) heeft, wordt zo spoedig mogelijk (afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van zowel de overheid als de gedetineerde) na het ontslag uit de gevangenis/huis van bewaring uit de openbare lichamen verwijderd. Hiertoe worden voorbereidingen voorafgaand aan zijn ontslag genomen. Dit kunnen zijn:
de ontzegging van voortgezet verblijf: opstellen en uitreiken van de beschikking tot weigering van de verlening van een verblijfsvergunning, de verlenging van de geldigheidsduur, dan wel tot intrekking van de verblijfsvergunning van de vreemdeling;
de ongewenstverklaring;
het verkrijgen van reisdocumenten dan wel het opmaken van reisdocumenten.
De ongewenstverklaring is een administratieve maatregel, bedoeld om bepaalde vreemdelingen te weren, die niet (langer) in de openbare lichamen mogen verblijven.
Door de ongewenstverklaring wordt het verblijf in en illegale terugkeer naar de openbare lichamen van de vreemdeling strafbaar. Een vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft, terwijl hij weet of vermoedt dat hij tot ongewenste vreemdeling is verklaard, maakt zich schuldig aan:
een misdrijf (zie artikel 203 wetboek van strafrecht BES): Hij die in strijd met een krachtens wettelijk voorschrift gegeven last of bevel terugkeert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden); of
een overtreding (zie artikel 26, tweede en derde lid WTU-BES: Hij die de krachtens deze wet gegeven voorschriften en regelen overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de tweede categorie. De feiten bij of krachtens dit artikel strafbaar gesteld worden beschouwd als overtredingen).
De ongewenstverklaring heeft tot gevolg dat de vreemdeling:
de toegang tot de openbare lichamen wordt geweigerd;
geen toelating van rechtswege of op basis van een verblijfsvergunning in de openbare lichamen kan verkrijgen;
de beslissing op een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd niet in de openbare lichamen af mag wachten (zie artikel 16d, derde lid WTU-BES).
De vreemdeling kan ongewenst worden verklaard (zie artikel 16d, eerste lid WTU-BES):
als hij geen toelating van rechtswege of geen verblijfsvergunning heeft en hij herhaaldelijk een bij deze wet strafbaar feit heeft begaan;
als hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld voor een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem ter zake de maatregel als bedoeld in artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES is opgelegd;
als hij geen toelating van rechtswege of geen verblijfsvergunning heeft en een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;
op basis van een verdrag; of
in het belang van de internationale betrekkingen.
Het betreft hier vreemdelingen die bij herhaling een bij de WTU-BES strafbaar gesteld feit hebben begaan (zie artikel 26 WTU-BES). Om bij een tweede of latere overtreding tot ongewenstverklaring over te kunnen gaan, wordt een proces-verbaal opgemaakt als er een overtreding wordt geconstateerd. Of er is sprake van een transactie dan wel een uitgevaardigde strafbeschikking ter zake van de gepleegde strafbare feiten.
Bij het opmaken van een (eerste) proces-verbaal wordt de vreemdeling tegelijkertijd gewaarschuwd dat, als hij nogmaals een overtreding in het kader van de WTU-BES begaat, zijn ongewenstverklaring wordt voorgesteld.
Van deze waarschuwing wordt een aantekening in de vreemdelingenadministratie gemaakt.
Nadat de vreemdeling tweemaal een op basis van de WTU-BES strafbaar gesteld feit heeft begaan, wordt zijn ongewenstverklaring voorgesteld aan de hand van de opgemaakte processen-verbaal, transactie of strafbeschikking.
Het betreft hier vreemdelingen van wie het verblijfsrecht, door intrekking of het niet-verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, is beëindigd. Dit op grond van een onherroepelijk geworden veroordeling voor een misdrijf, waarbij een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van drie maanden of langer is opgelegd (zie artikel 14, onder a WTU-BES). De veroordeling moet een misdrijf betreffen waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Als aan een vreemdeling de maatregel als bedoeld in artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES is opgelegd, kan dit inhouden dat het verblijfsrecht pas bij verlenging van die maatregel kan worden beëindigd. Na intrekking van het verblijfsrecht of het niet-verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan tot ongewenstverklaring worden overgegaan.
Het betreft hier vreemdelingen die geen toelating van rechtswege of geen verblijfsvergunning hebben. Zij kunnen ongewenst worden verklaard vanwege het vormen van een gevaar voor de openbare orde of voor de nationale veiligheid. Vreemdelingen kunnen een gevaar voor de nationale veiligheid vormen zonder dat een strafrechtelijke veroordeling vereist is. Het gevaar voor de nationale veiligheid moet blijken uit concrete aanwijzingen, waarbij kan worden gedacht aan ambtsberichten van de AIVD, de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
Vreemdelingen vormen een gevaar voor de openbare orde als zij:
ter zake van een misdrijf zijn veroordeeld tot:
een gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie); of
een taakstraf; dan wel
een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd hebben gekregen; en
waarbij het (totale) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of maatregel ten minste een maand bedraagt; of
een strafbeschikking opgelegd hebben gekregen.
bij herhaling ter zake van een misdrijf zijn veroordeeld tot:
een onvoorwaardelijke (korte) gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie);
een taakstraf; of
een onvoorwaardelijke geldboete; dan wel
een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd hebben gekregen; dan wel
een transactieaanbod hebben aanvaard; of
een strafbeschikking opgelegd hebben gekregen.
Een taakstraf is:
ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte);
ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject); dan wel
een combinatie van beide.
De taakstraf komt in plaats van een gevangenisstraf. In het geval dat de vreemdeling wordt veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen. Dit betekent dat iedere taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Het is niet vereist dat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Een ander land dat een vreemdeling ongewenst heeft verklaard, kan een onderbouwd verzoek doen om de vreemdeling ook in de openbare lichamen ongewenst te verklaren. Aan een dergelijk verzoek moet een verdrag ten grondslag liggen. Op dit moment zijn er geen verdragen gesloten die hierop zien en die gelden voor de openbare lichamen.
Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, wordt in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst verklaard. Hierbij moet worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (een oorlogsmisdrijf, of een misdrijf tegen de vrede of tegen de menselijkheid).
Voordat besloten wordt een vreemdeling ongewenst te verklaren, wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. De vreemdeling kan daarbij feiten en omstandigheden aanvoeren die naar diens mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken. Deze zienswijze kan de vreemdeling mondeling of schriftelijk naar voren brengen. Van een mondelinge zienswijze wordt een verslag of proces-verbaal opgemaakt. Personen die volgens de verklaring van de vreemdeling iets in diens voordeel kunnen aanvoeren, worden ook zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Wanneer de vreemdeling weigert zijn zienswijze te geven, of wanneer het niet mogelijk is gebleken de vreemdeling naar diens zienswijze te vragen, wordt niet afgezien van het voornemen om de vreemdeling ongewenst te verklaren. De beslissing om de vreemdeling ongewenst te verklaren wordt dan ook genomen. In de beschikking wordt de reden vermeld waarom de zienswijze ontbreekt.
De beschikking waarmee de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, vermeldt:
wat de aanleiding is voor het te nemen besluit;
op welke grond van artikel 16d WTU-BES de beslissing is gebaseerd;
wat de zienswijze van de vreemdeling is; en
waarom de zienswijze van de vreemdeling niet leidt tot afzien van de ongewenstverklaring.
Het origineel van de beschikking wordt aan de vreemdeling in persoon uitgereikt.
Van de uitreiking wordt een verslag of proces-verbaal opgemaakt.
Wanneer de vreemdeling wordt bijgestaan door een gemachtigde, wordt een afschrift van de beschikking aan de gemachtigde gezonden.
Wanneer de beschikking niet in persoon aan de vreemdeling kan worden uitgereikt, wordt:
deze per aangetekende brief gezonden naar het laatst bekende adres van de vreemdeling;
aan de gemachtigde een afschrift van de beschikking gezonden; en
van de beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant.
Wanneer geen gemachtigde bekend is volstaat de mededeling van de beschikking in de Staatscourant.
De ongewenstverklaring treedt onmiddellijk in werking nadat de beschikking bekend is gemaakt. De vreemdeling heeft vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf meer in de openbare lichamen. De vreemdeling moet de openbare lichamen onmiddellijk uit eigen beweging verlaten en kan daartoe worden uitgezet (zie artikel 16b, eerste lid WTU-BES).
Tegen een beschikking waarbij de vreemdeling ongewenst is verklaard, kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend. De ongewenstverklaring heeft onmiddellijke werking en de vreemdeling wordt in principe uitgezet. Het indienen van een bezwaarschrift leidt er niet toe dat de werking van het besluit wordt opgeschort (zie artikel 16a WTU-BES).
Tegen het besluit op bezwaar staat beroep bij de rechtbank open.
De ambtenaar belast met grensbewaking is bevoegd een aantekening te plaatsen in het reisdocument van de vreemdeling over de reden van weigering van de toegang (zie artikel 6.23 BTU-BES).
De hier bedoelde aantekening luidt: ‘ongewenst verklaard op (datum beschikking Minister)’.
Aantekeningen mogen nooit worden geplaatst in een document voor grensoverschrijding of identiteitsbewijs van een vreemdeling die om bescherming vraagt.
Het plaatsen van een dergelijke aantekening kan onder omstandigheden gevolgen hebben voor de doorreis of toelating tot een derde land. Als door deze aantekening de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot, een derde land wordt bemoeilijkt, mag deze aantekening niet in het document voor grensoverschrijding worden geplaatst.
De ongewenstverklaring wordt alleen op aanvraag van de vreemdeling opgeheven. Dit volgt uit artikel 16e WTU-BES.
In artikel 8.5 BTU-BES zijn nadere regels gesteld over de mogelijkheden en bevoegdheden om de ongewenstverklaring op te heffen.
De vreemdeling moet expliciet om opheffing van zijn ongewenstverklaring vragen.
De aanvraag moet:
ondertekend zijn en ten minste;
van datum voorzien zijn; en
de naam; en
het volledige adres van de vreemdeling bevatten.
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd wordt niet ambtshalve aangemerkt als een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring.
De ongewenstverklaring wordt op aanvraag van de vreemdeling opgeheven, wanneer hij:
sinds zijn ongewenstverklaring onafgebroken buiten de openbare lichamen heeft verbleven gedurende een termijn van:
tien jaren (in geval van een gewelds- of opiumdelict); of
vijf jaren (ingeval van een ander misdrijf); of
één jaar (ingeval van het bij herhaling begaan van een bij de WTU-BES strafbaar gesteld feit); én
hij niet aan strafvervolging ter zake van een misdrijf onderworpen is; of
dat is geweest gedurende de vereiste periode van verblijf buiten de openbare lichamen.
Bij het vaststellen van deze termijnen wordt er vanuit gegaan, dat na het verstrijken van de respectievelijke termijnen het gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid in een aanvaardbare mate is geweken. Ook wordt er vanuit gegaan dat het algemeen belang (gediend met de ongewenstverklaring) in redelijkheid moet wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling. Er kunnen zich echter (uitzonderlijke) gevallen voordoen, waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling zwaarder moet wegen vóórdat de hierboven genoemde termijn is verstreken. Het persoonlijk belang van de vreemdeling weegt alleen zwaarder als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die niet zijn meegewogen bij de totstandkoming van de algemene regel (lees: de bovengrens). Het enkele gegeven dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en buiten de openbare lichamen heeft verbleven, wordt niet aangemerkt als een bijzonder feit of omstandigheid.
Indien naar het oordeel van Onze Minister sprake is van zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen opheffing van de ongewenstverklaring na vijf jaren, wordt in afwijking van de termijn als genoemd onder a, onder 2 de aanvraag ingewilligd nadat de daar bedoelde vreemdeling ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven.
Een ongewenstverklaring op grond van een gevaar voor de nationale veiligheid wordt alleen op aanvraag opgeheven als de vreemdeling ten minste tien jaren onafgebroken buiten de openbare lichamen verbleef. Zolang de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid wordt de ongewenstverklaring echter niet opgeheven. Het gevaar voor de nationale veiligheid is geweken als dat blijkt uit ambtsberichten van de AIVD, de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
De termijn die de ongewenst verklaarde vreemdeling ten minste buiten de openbare lichamen moet verblijven begint weer opnieuw te lopen (zie artikel 8.5, tweede lid BTU-BES) als hij:
een als misdrijf strafbaar gestelde inbreuk op de openbare orde heeft gepleegd, die tot ongewenstverklaring zou kunnen leiden; of
zonder voorafgaande tijdelijke opheffing; of
in strijd met de aan die tijdelijke opheffing verbonden voorwaarden in de openbare lichamen heeft verbleven.
Bij de aanvraag moet in ieder geval de volgende informatie worden verstrekt (zie artikel 8.5 derde lid, BTU-BES):
een schriftelijke verklaring van de vreemdeling dat hij sinds zijn vertrek uit de openbare lichamen na de ongewenstverklaring:
tien; onderscheidenlijk
vijf achtereenvolgende jaren; of
één jaar buiten de openbare lichamen heeft verbleven; en
dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven; en
dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is;
een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft gehouden;
een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken, en
een schriftelijke verklaring, afgegeven door de ter zake bevoegde autoriteiten van het land of de landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging onderworpen is (geweest).
Het overleggen van een verklaring als bedoeld onder d, kan achterwege blijven als het overleggen van een dergelijke verklaring niet mogelijk is, dit bijvoorbeeld vanwege de algemene (oorlogs)situatie of het ontbreken van een registratie in dat land.
Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring vindt alleen plaats in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld ten aanzien van de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in de openbare lichamen (zie artikel 8.6 BTU-BES).
Een verzoek tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring:
wordt schriftelijk ingediend;
moet afkomstig te zijn:
van de vreemdeling zelf; of
van zijn gemachtigde; of
van een instantie die stelt een bijzonder belang te hebben bij de komst van de vreemdeling naar de openbare lichamen.
Het verzoek moet minimaal de volgende gegevens bevatten:
volledige personalia van de vreemdeling, inclusief eventuele aliassen waarvan hij zich eerder heeft bediend;
datum en plaats van de voorgenomen binnenkomst;
vluchtnummers van de heen- en terugvlucht (de vreemdeling moet dus een retourticket te boeken);
reden en noodzaak van de overkomst van de vreemdeling;
als de aanvrager niet de vreemdeling of zijn gemachtigde is: het belang van de aanvragende instantie bij overkomst van de vreemdeling;
als de vreemdeling of zijn gemachtigde zelf de aanvrager is: het belang dat de vreemdeling heeft bij zijn komst naar de openbare lichamen;
garanties omtrent het verblijf en de kosten van het verblijf van de vreemdeling.
Hieronder staan (niet limitatief) verblijfsdoelen vermeld die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.
Familieomstandigheden: als sprake is van zwaarwegende familieomstandigheden, kan de ongewenstverklaring voor beperkte tijd worden opgeheven om de vreemdeling in staat te stellen naar de openbare lichamen te komen.
Getuigenis in een (straf-)rechtszaak: er moet sprake zijn van een noodzakelijkheid van de overkomst van de vreemdeling. Van een dergelijke noodzaak wordt alleen uitgegaan als er sprake is van een officiële oproep aan de vreemdeling om te getuigen. De opheffing van de ongewenstverklaring blijft beperkt tot de periode die nodig is om de vreemdeling te laten getuigen.
Overkomst voor een eigen rechtszaak: in een civiele zaak of een vreemdelingrechtelijke zaak wordt in principe volstaan met de gemachtigde van de vreemdeling. In andere zaken geldt dat overkomst van de vreemdeling alleen noodzakelijk is, wanneer de rechtbank vindt dat de vreemdeling aanwezig moet zijn of als een gemachtigde niet kan volstaan. De opheffing van de ongewenstverklaring blijft beperkt tot de tijd waarin de aanwezigheid van de vreemdeling bij de zaak is vereist.
Aan de overkomst van de vreemdeling worden de volgende voorwaarden gesteld:
de overkomst, en dus de opheffing van de ongewenstverklaring, blijven beperkt tot de tijd die nodig is voor het doel waarvoor de vreemdeling naar de openbare lichamen komt;
bij binnenkomst in en vertrek uit de openbare lichamen is sprake van een gecontroleerde in- en uitreis;
de tijdelijke opheffing gaat pas in op het moment van binnenkomst in de openbare lichamen en eindigt na verloop van de gestelde termijn.
Ook tijdens het verblijf in de openbare lichamen blijft de vreemdeling ondertoezicht. Hoe dat toezicht wordt ingericht, wordt per individueel geval bezien. Dit hangt onder meer af van de ernst van de feiten die tot de ongewenstverklaring hebben geleid en van de reden waarom tot de tijdelijke opheffing daarvan is besloten. Waar mogelijk wordt de toe te passen vorm van toezicht afgestemd met de instantie die om de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring heeft verzocht.
Artikel 17
Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
Onderdeel van Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 8 oktober 2010