Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren maakt de overheid gebruik van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen. Deze maatregelen zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling.
Vanwege het ingrijpende karakter blijft de toepassing van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel beperkt tot het strikt noodzakelijke. De beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (toepassen lichter middel indien mogelijk) worden voortdurend in acht genomen. De uitvoering van deze maatregelen is met strikte waarborgen omkleed.
De WTU-BES kent vijf maatregelen van vrijheidsbeperking:
het ophouden van vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd in een aangewezen ruimte of plaats (zie artikel 2o WTU-BES);
de staandehouding en ophouding van personen ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie (zie artikel 22d WTU-BES);
het beschikbaar houden op een aangewezen plaats van vreemdelingen die verband houden met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 22i WTU-BES);
het beperken van de vrijheid van beweging van vreemdelingen als het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert (zie artikel 15, eerste lid WTU-BES);
het ophouden van vreemdelingen van wie de aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a WTU-BES is afgewezen, in een bepaalde ruimte of plaats (zie artikel 15a WTU-BES).
De WTU-BES kent vier vrijheidsontnemende maatregelen:
het ophouden van vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd in een aangewezen ruimte of plaats die beveiligd is tegen ongeoorloofd vertrek (zie artikel 2o WTU-BES);
het overbrengen van (staande gehouden) personen (zie artikel 22d WTU-BES);
het ophouden van vreemdelingen van wie de aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet is afgewezen, in een bepaalde ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek (zie artikel 15b WTU-BES);
de inbewaringstelling van vreemdelingen (zie artikel 15c WTU-BES).
Er wordt sterk terughoudend gehandeld bij vrijheidsontneming van minderjarigen. Voor deze groep wordt extra aandacht besteed aan het gebruik van minder ingrijpende maatregelen dan vrijheidsontneming.
De ambtenaar belast met grensbewaking, het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie die een vreemdeling een maatregel op grond van artikel 2o, artikel 15b, eerste lid of artikel 15c, eerste lid, WTU-BES oplegt, brengt de IND unit Caribisch Nederland, namens de Minister, hiervan op de hoogte door middel van een vastgesteld model (zie artikel 7.6 BTU-BES). Dit gebeurt vóór het verstrijken van de in artikel 22l, eerste lid, WTU-BES genoemde termijn. Deze mededeling aan De Minister vindt ook plaats als de maatregel inmiddels is opgeheven. In verband met de kennisgeving van De Minister aan het Gerecht of een beroep bij de rechtbank van de vreemdeling tegen één van deze maatregelen wordt een aantal noodzakelijke bescheiden aan De Minister verzonden.
Op verzoek van de vreemdeling wordt zo snel mogelijk mededeling gedaan van de uitvoering van een maatregel op grond van artikel 2o, 15b, eerste lid of 15c, eerste lid WTU-BES. De mededeling wordt gedaan aan de naaste verwanten en aan een in het Koninkrijk gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan de vreemdeling onderdaan is. Er wordt tijdens de contacten met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging geen mededeling gedaan omtrent een door de vreemdeling ingediende toelatingsaanvraag.
Er wordt geen mededeling over zijn vrijheidsontneming gedaan als de vreemdeling geen contact met de betreffende vertegenwoordiging wenst.
Wordt een vrijheidsontnemende maatregel aan een minderjarige opgelegd dan wordt hier, ambtshalve, zo spoedig mogelijk mededeling van gedaan bij de ouder(s) of de voogd van die minderjarige, voor zover die zich in de openbare lichamen bevinden. Is dat niet mogelijk, dan wordt de zich in het Koninkrijk bevindende diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging ingelicht.
Ten behoeve van een zorgvuldige en efficiënte informatievoorziening aan alle betrokkenen, bij de uitzetting van een vreemdeling, wordt een aanmeldformulier vreemdeling (MBES18) opgemaakt. Het ingevulde formulier bevat informatie om de vrijheidsontneming en de uitzetting van een vreemdeling zo probleemloos mogelijk te laten verlopen. Het wordt opgemaakt bij iedere vrijheidsontneming op grond van artikel 2o, 15b, eerste lid, of 15c, eerste lid, WTU-BES en moet de vreemdeling begeleiden van het moment van ingang van de maatregel tot zijn uitzetting of invrijheidstelling. Eventuele wijzigingen en aanvullingen worden gelijk aangebracht. Hierna wordt het formulier bewaard in de vreemdelingenadministratie.
MBES18 wordt ingevuld door of namens de ambtenaar die verantwoordelijk is voor het opleggen van de maatregel. Deze ambtenaar is ook verantwoordelijk voor het aanbrengen van wijzigingen en aanvullingen op het formulier. Vanaf het moment dat de vrijheidsontneming in een inrichting plaatsvindt, is de ambtenaar die in die inrichting verantwoordelijk is voor uitzetting verantwoordelijk voor het formulier. Nadat de uitzetting is uitgevoerd, stuurt de ambtenaar die belast is met de grensbewaking het hele formulier aan de ambtenaar die verantwoordelijk was voor de oorspronkelijke vrijheidsbeneming.
Gedurende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontneming op grond van artikel 2o, 15b, eerste lid, of 15c, eerste lid, WTU-BES kan de vreemdeling voor korte duur naar een andere locatie (bijvoorbeeld politiebureau, brigade van KMar, een ambassade of consulaat etc.) overgebracht worden, als dit nodig is voor de toepassing van de WTU-BES. De op grond van artikel 2o, 15b, eerste lid, of 15c, eerste lid WTU-BES opgelegde maatregel blijft gedurende de tijd dat de vreemdeling gelicht is van kracht.
Ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen wordt zo veel mogelijk een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden.
Onder het begrip ‘gezin’ wordt hier verstaan:
ten minste één ouder of een wettelijk verzorger;
die in de voogdij voorziet;
die samen met één of meer minderjarige kinderen feitelijk een gezin vormt.
Als sprake is van een gezin met twee ouders en het gevaar van onttrekking aan het toezicht of de uitzetting bestaat, wordt zo veel mogelijk een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan één ouder. Aan de overige gezinsleden wordt in dat geval een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Echter, als het gezin de toegang tot de openbare lichamen is geweigerd, kan het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, ongeacht of sprake is van een één- of tweeoudergezin. Dit is in het belang van een effectieve grensbewaking. Vrijheidsontneming van het gehele gezin blijft verder beperkt tot die situaties waarin gedwongen vertrek op korte termijn kan worden gerealiseerd. De beschikbaarheid van het gezin kan in dat geval noodzakelijk worden geacht en kan een reden zijn om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. In de regel wordt aangenomen dat het gedwongen vertrek op korte termijn realiseerbaar is op het moment dat reisdocumenten (op korte termijn) beschikbaar (zullen) zijn.
De bewaring van een gezin met minderjarige kinderen mag niet langer duren dan veertien dagen. Deze termijn kan slechts worden overschreden indien de binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden vanwege:
fysiek verzet van (één van) de gezinsleden;
het feit dat (één van) de gezinsleden na de inbewaringstelling één of meerdere procedures is gaan voeren met het kennelijke doel de uitzetting te vertragen.
Tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank (zie artikel 22k WTU-BES). Het indienen van bezwaar of administratief beroep tegen deze maatregelen is niet mogelijk (zie hoofdstuk 4 WarBES).
De Minister kan aan de Korpschef en aan de Commandant der Koninklijke Marechaussee aanwijzingen geven over de uitvoering van de WTU-BES, ook ten aanzien van de in dit hoofdstuk genoemde maatregelen (zie artikel 22b, tweede lid, WTU-BES).
Artikel 18
Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
Onderdeel van Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 8 oktober 2010