Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Opsporing en behandeling van militaire zaken

Onderdeel van Aanwijzing opsporing en behandeling militaire zaken· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 1 april 2013

Artikel 1, tweede lid, Wms bepaalt dat – behoudens uitzonderingen – het commune strafprocesrecht van toepassing is op militaire zaken. Als uitvloeisel daarvan geldt dat het commune strafvorderingsbeleid wordt gevolgd. Van dat beleid kan worden afgeweken, indien specifieke militaire regelgeving of belangen dat noodzakelijk maken. Van specifieke militaire regelgeving kan worden gesproken indien: in het militair strafrecht een gedraging strafbaar is gesteld terwijl daar ook een commune pendant van bestaat, zoals bij joyriding (art. 166 MSr en art. 11 WVW 1994); in het militair strafrecht een strafverzwarende omstandigheid is genoemd ten aanzien van een commuun delict, zoals diefstal op een onder de militair bescherming gestelde plaats (art. 155 MSr). Van een militair belang kan worden gesproken indien een strafbaar feit – commuun of militair – gepleegd wordt: in de tijd dat de militair dienst doet of behoorde te doen; op een militaire plaats (zoals een kazerne of een vaartuig der krijgsmacht); indien de militair in uniform gekleed gaat; waardoor de verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b van de Wet veiligheidsonderzoeken wordt geweigerd dan wel ingetrokken;8Deze gevallen zijn omschreven in de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken defensie en de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Koninklijke Marechaussee. waardoor anderszins het ambt of aanzien van militair geschaad wordt. Concreet worden aldus de volgende uitgangspunten gehanteerd: Voor zover door de militair strafbare feiten zijn gepleegd waardoor geen specifieke militaire regelgeving is geschonden en tevens geen militair belang is geraakt, zal de strafrechtelijke bejegening door opsporingsinstanties en het arrondissementsparket Oost-Nederland in beginsel niet verschillen van die welke een burger ten deel valt. Voor zover door de militair strafbare feiten zijn gepleegd waardoor specifieke militaire regelgeving is geschonden en/of een militair belang is geraakt, kunnen de militaire omstandigheden zowel een strafverlichtende als een strafverzwarende rol spelen. In beginsel zal echter zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de strafrechtelijke bejegening van burgers, tenzij het: commune feiten betreft die onder het regime zijn te brengen van: artikel 79 Wmt; de artikelen 59 MSr en 59 Wms; wettelijk strafmaximum op commune delicten verhoogd wordt door toepassing van strafverzwarende omstandigheden genoemd in het MSr; door een militair gepleegde strafbare feit imagoschade aan de krijgsmacht toebrengt of toe kan brengen. Het gebruik van moderne communicatiemiddelen maakt het mogelijk om een lik-op-stukbeleid te voeren t.a.v. door militairen gepleegde strafbare feiten (militaire en/of commune), waarbij uit het oogpunt van preventie snel en krachtdadig Justitieel optreden wenselijk is. Dit beleid wordt niet alleen veelvuldig toegepast bij strafbare feiten in Nederland, maar wordt tevens toegepast bij strafbare feiten die zijn gepleegd: tijdens uitzendingen; tijdens oefeningen in het buitenland, varen daaronder begrepen; ook als deze buiten militaire plaats en tijd zijn gepleegd. Dit lik-op-stuk beleid wordt inhoud gegeven door het ter plaatse door de KMar uitreiken van de OM-transactie c.q. strafbeschikking dan wel door het (bij niet-betaling van de transactie of rauwelijks) dagvaarden voor een zitting direct na terugkomst in Nederland, al dan niet in combinatie met een, na overleg met de officier van Justitie, door de commandant bevolen repatriëring.9Zie de Instructie protocol repatriëring verdachte militair. Ten aanzien van overtredingen van de Opiumwet door militairen wordt uitgegaan van een algeheel ‘niet-gedogen’ en een zwaardere strafmaat bij ‘militaire omstandigheden’. Dit wordt ingegeven door het zero tolerance beleid bij Defensie ten aanzien van drugs.10Zie de brief van de Staatssecretaris van Defensie aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 16 april 1997 (TK 25 000 X, nr. 72); het drugsbeleid van Defensie is thans verwoord in een aanwijzing van de Secretaris-generaal van 28 maart 2007, Aanwijzing SG nr. A/925, inzake Uitvoering drugsbeleid Defensie. In het kader van het verstrekken van justitiële en strafvorderlijke informatie in militaire zaken, vervult het bureau verbindingsofficier krijgsmacht bij het arrondissementsparket Oost-Nederland een instrumentele rol. Dit bureau treedt op als intermediair tussen het openbaar ministerie en Defensie en zal in voorkomend geval namens de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland justitiële en strafvorderlijke informatie aan Defensie verstrekken. Zoals gezegd dient, ook indien militairen vervolgd worden door zorg van een ander parket dan het arrondissementsparket Oost-Nederland, de behandelend officier van justitie actief contact te zoeken met het bureau verbindingsofficier krijgsmacht. Dit om te bezien of er vanuit Defensie behoefte bestaat om justitiële en strafvorderlijke informatie in die zaak te vernemen. Over het conform de aanwijzing verkrijgen van toestemming van de Helpdesk Privacy van het Parket Generaal om justitiële en strafvorderlijke informatie te verstrekken, en het daadwerkelijk verstrekken daarvan aan Defensie, dienen de behandelend officier van justitie en het bureau verbindingsofficier krijgsmacht in voorkomend geval detailafspraken te maken. Van het uitgangspunt, zoals geformuleerd in de Aanwijzing justitiële en strafvorderlijke informatie aan derden, kan ten aanzien van Defensie worden afgeweken indien nog geen vervolgingsbeslissing is genomen, terwijl blijkt: uit feiten of omstandigheden dat de militair een gevaar voor zichzelf of anderen vormt, of uit feiten of omstandigheden dat de militair verdacht wordt van een strafbaar feit dat aangemerkt kan worden als ontslagwaardig wangedrag en tevens dat de militair uitgezonden zal worden in het kader van vredesbewarende of vredesafdwingende operaties voordat een vervolgingsbeslissing te verwachten is. De Aanwijzing aangiften van in het buitenland gepleegde strafbare feiten is niet van toepassing indien de verdachte een militair is. Dit omdat Nederland op grond van artikel 4 Wms ook rechtsmacht heeft indien een militair in het buitenland strafbare feiten pleegt. De Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor is voor militairen nader uitgewerkt in de Brief ‘Rechtsbijstand verhoor militairen’11Brief van het College van procureurs-generaal van 3 mei 2011, nr. PaG/B&S/15709, aan de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland. . Van rij- en vaarbewijzen en bewijzen van bevoegdheid in het kader van de Wet luchtvaart bestaan zowel civiele als militaire varianten. Invordering van het civiele bewijs, dan wel een ontzegging van de bevoegdheid om voer- en (lucht)vaartuigen te besturen, heeft tot gevolg dat ook het besturen van een voer- of (lucht)vaartuig op basis van het militaire bewijs niet toegestaan is. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien de zogenaamde militaire clausule wordt toegepast. Het toepassen van de militaire clausule betekent dat expliciet, en dus bij wijze van uitzondering op de hoofdregel, de militair in kwestie wel mag blijven beschikken over zijn militaire bewijs en op grond daarvan voertuigen kan blijven besturen. Dit is een bevoegdheid van: de officier van justitie zodra en zolang het civiele bewijs door hem is ingevorderd; de raadkamer indien wordt besloten op een bezwaarschrift tegen de inhouding van het civiele rijbewijs; de strafrechter indien hij een ontzegging van de bevoegdheid om voer- en (lucht)vaartuigen te besturen wenst op te leggen. Toepassing van de militaire clausule kan verzocht worden door de verdachte, diens commandant of – indien de zaak aan de strafrechter voorgelegd wordt – de officier van justitie. De militaire clausule kan algemeen gelden of in specifieke gevallen. Een voorbeeld van dat laatste is dat een aan te wijzen commandant vooraf voor iedere rit schriftelijk toestemming moet geven. Vanwege het feit dat tot een invordering van het rijbewijs of een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt overgegaan bij ernstigere verkeersovertredingen, zal in veel gevallen een specifieke militaire clausule de voorkeur genieten. Een voorbeeld van een geval waarin een algemene militaire clausule meer in de rede ligt, betreft het geval waarin de militair operationeel ingezet wordt zoals in het kader van een uitzending. Het specifiek vooraf voor elke rit toestemming geven is dan moeilijk te verenigen met de operationele omstandigheden. Het beoordelen van de rechtmatigheid van geweldsaanwending door militairen tijdens operationele inzet van de krijgsmacht geschiedt conform de ter zake door het college van procureurs-generaal vastgestelde aanwijzing ‘Handelwijze bij geweldsaanwending militairen’.12Aanwijzing van het College van procureurs-generaal van 20 november 2006, nr. PaG/BJZ-B/11030, aan de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland. Het Instructieprotocol repatriëring militairen tijdens uitzendingen is onverkort van toepassing op de opsporing en behandeling van militaire zaken als bedoeld in deze aanwijzing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel