Naar hoofdinhoud

Artikel II

Wettelijk kader

Onderdeel van Beleidsregel CBP richtsnoeren ANPR· Privacy

Deze tekst geldt sinds 14 juli 2009

De politie maakt gebruik van ANPR in het kader van de uitoefening van de politietaak. Van belang is daarom in de eerste plaats wat de politietaak omvat. Vervolgens stelt de Wpg regels hoe de uit de uitoefening van de politietaak voortkomende gegevens moeten en kunnen worden verwerkt. Voor zover ANPR niet toegepast wordt in het kader van de politietaak, is de Wbp van toepassing. Onder politietaak wordt in artikel 1, onder b, Wpg verstaan: de taken, bedoeld in de artikelen 2 en 6, eerste lid, Politiewet 1993 (Polw. ’93). De politie heeft ingevolge deze artikelen de opdracht gekregen om in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Dit dient te gebeuren in overeenstemming met de geldende rechtsregels. Aan de Koninklijke Marechaussee is een aantal politietaken opgedragen, zoals − voor zover in het kader van ANPR relevant − de samenwerking met de politie waaronder begrepen de assistentieverlening aan de politie bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit en de uitvoering van de taken zoals opgedragen in de Vreemdelingenwet 2000.7 In het vervolg dient waar gesproken wordt over ‘politie’ dan ook gelezen te worden ‘politie en Koninklijke Marechaussee’. De daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde, zoals genoemd in artikel 2 Polw. ‘93, bestaat uit het handhaven van de openbare orde en de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Handhaving van de openbare orde betreft het voorkomen of beëindigen van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de openbare of publieke ruimte, net als de algemene, bestuurlijke voorkoming daarvan.8 Politiewet 1993, Boek/Van den Haspel, artikel 2 Politiewet 1993, opmerking 3, in: T&C Strafvordering, zevende druk. Het handhaven van de openbare orde kan ook gezien worden als een specifieke vorm van controle op de naleving van wetgeving: het verzekeren dat bepaalde wetgeving wordt nageleefd. Voor de uitoefening van de controlebevoegdheid is geen verdenking vereist. Tijdens de controle kan vervolgens blijken dat wetgeving is overtreden. De stap naar opsporing is dan snel gemaakt; opsporing gaat immers uit van de vooronderstelling dat sprake is of zal zijn van een strafbaar feit. De politie heeft exclusief dan wel primair een aantal toezichthoudende taken toebedeeld gekregen, waaronder het toezicht op de naleving van bepalingen uit de Vreemdelingenwet, de Wet wapens en munitie en de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (de Wet Mulder). Deze taken vertonen een relevante samenhang met andere onderdelen van de politietaak. Hierop is de Wpg van toepassing.9Kamerstukken II 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 29.De politie heeft echter in bijzondere wetten ook niet primair de toezichthoudende taak toebedeeld gekregen. Dan is niet de Wpg van toepassing op de verwerking van gegevens, maar de Wbp; deze verwerking vindt niet plaats in het kader van de uitoefening van de politietaak. Het daadwerkelijke voorkomen, de opsporing, de beëindiging, de vervolging en de berechting van strafbare feiten valt onder de noemer strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Onder strafrechtelijke handhaving valt ook de uitvoering van beslissingen van de rechter of van het Openbaar Ministerie in strafzaken.10Kamerstukken II 1985-1986, 19 535, nr. 3, p. 6. De politietaak ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde wordt in de jurisprudentie ook gebruikt als grondslag voor strafvorderlijke onderzoeksmethoden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat artikel 2 Polw. ’93 niet voldoet als wettelijke grondslag indien door de politie met onderzoeksmethoden inbreuk wordt gemaakt op grond- of mensenrechten, zoals het recht op de persoonlijke levenssfeer.11Zie onder meer: HR 19 december 1995, NJ 1996, 249. Om zulke inbreuken te kunnen rechtvaardigen is een meer precieze wettelijke grondslag nodig. Het Wetboek van Strafvordering (Sv) reguleert de bevoegdheden waarmee in deze situaties gegevens mogen worden verzameld. Dit geldt niet voor beperkte inbreuken. In die gevallen kan artikel 2 Polw. ‘93 wel degelijk een grondslag voor de onderzoeksmethode zijn.12 HR 19 december 1995, NJ 1996, 249. Uit de politiële doeleinden van ordehandhaving en strafrechtelijke handhaving volgt wat verstaan moet worden onder politietaak. ‘De vraag of en in hoeverre bepaalde activiteiten en werkzaamheden behoren tot een goede uitvoering van de politietaak (...) staat in beginsel ter beoordeling van de politie, en het bevoegd gezag’.13 Politiegegevens beschermd, mr. drs. A.G.P. van Ruth en mr. E. Schreuders, Registratiekamer, mei 2000, p. 58. In dit kader zijn twee aspecten van belang. In de eerste plaats is in de Wpg de norm opgenomen dat alleen rechtmatig verkregen gegevens verwerkt mogen worden. Voor de rechtmatige verkrijging van gegevens in het kader van de strafrechte-lijke handhaving van de rechtsorde moet aansluiting worden gezocht bij onder meer het Sv en de op basis daarvan ontwikkelde jurisprudentie.14Toelichting bij Wet politieregisters, Groenhart & Van de Pol, p. 885, in: Tekst & Commentaar Openbare Orde en Veiligheid, E.R. Muller en Th.A. de Roos (red.), Kluwer, Deventer 2006. De overgang van Wpolr naar Wpg heeft hierin geen wijziging gebracht. Het CBP kan zich over de inzet van strafvorderlijke bevoegdheden niet uitlaten. Deze zijn ter toetsing van de strafrechter. In de tweede plaats vormen de wetten waarop het CBP toezicht houdt het kader voor wat er met gegevens gedaan mag worden als ze eenmaal onder deze regimes vallen. Hieruit volgt dat het CBP wel de noodzaak van de gegevensverwerking in het kader van de uitoefening van de politietaak ten volle kan toetsen, meer specifiek de proportionaliteit en subsidiariteit, maar niet het inzetten van bevoegdheden ter invulling van de politietaak zelf. De omvang van de politietaak en de bevoegdheid gegevens te verzamelen zal het CBP dan ook marginaal toetsen.15Zie ook: Brief van het CBP aan de Vaste commissie voor Justitie van de Eerste Kamer der Staten-Generaal inzake het Wetvoorstel tot verruiming van de mogelijkheden ter opsporing en vervolging van terroristische misdrijven (30 164), 2 november 2006 (z2006-01337), www.cbpweb.nl/documenten/adv_z2006-01337.shtml. De terminologie en systematiek van de Wpg sluiten nauw aan bij de Wbp en daarmee bij het Europees Databeschermingsverdrag.16Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, Straatsburg, 28 januari 1981, Trb. 1988, 7.In de Wpg wordt een politiegegeven gedefinieerd als elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt.17Artikel 1, onder a Wpg. Gegevens kunnen direct of indirect identificerend zijn. Bij het vaststellen of een gegeven een indirect identificerend gegeven is, is van belang of de identiteit van de persoon er redelijkerwijs en zonder onevenredige inspanning mee kan worden vastgesteld. Het is niet doorslaggevend of het identificeren daadwerkelijk plaatsvindt. Een kenteken is een voorbeeld van een indirect identificerend gegeven.18Registratiekamer, 9 december 1996, 96-0140 (trajectcontrole door middel van kentekenregistratie) (zie noot 3 voor vindplaats) en Registratiekamer, oktober 1993, 92008F (Prostituanten registratie Groningen),http://www.cbpweb.nl/documenten/rap_1993_Prostituanten_registratie_Groningen.stm?refer=true. De politie maakt gebruik van kentekens in het kader van de uitoefening van de politietaak. Een kenteken kan in dat geval tevens als politiegegeven worden aangeduid. De kentekens die de politie in het vergelijkingsbestand heeft gezet, werden al verwerkt met het oog op de uitoefening van de politietaak. De kentekens die vervolgens gescand worden, worden verwerkt om ze te kunnen vergelijken met de kentekens die in het vergelijkingsbestand zijn opgenomen. De vergelijking vindt plaats in het kader van de uitoefening van de politietaak, zodat de gescande kentekens politiegegevens zijn. De omstandigheid dat een kenteken in die vergelijking herkend wordt, is een gegeven dat aan het kenteken uit het vergelijkingsbestand wordt toegevoegd. De ‘hit’ bestaat uit het signaal dat twee kentekens matchen en met die informatie wordt het kenteken uit het vergelijkingsbestand verrijkt. Deze hits zijn politiegegevens die bestemd zijn om opgenomen te worden in een bestand. Uit de omstandigheid dat een gescand kenteken niet wordt herkend tijdens de vergelijking met de kentekens uit het vergelijkingsbestand (omdat het daarin niet voorkomt), vloeit geen nieuw politiegegeven voort. Er kan immers niets worden toegevoegd aan de bestaande informatie. Omdat deze kentekens geen hit genereren, noemt het CBP het resultaat van de vergelijking met deze kentekens ‘no-hits’. Dit ter onderscheiding van de hits. Vereist is dat de verwerking van politiegegevens noodzakelijk is met het oog op het doel waarvoor deze worden verwerkt. Dit volgt uit de Wpg: de verwerking van politiegegevens met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak (artikel 8 Wpg) of de gerichte verwerking van gegevens (artikel 9 Wpg: onderzoek in verband met de handhaving van de rechtsorde in een bepaald geval, of artikel 10 Wpg: inzicht in de betrokkenheid van personen bij bepaalde ernstige bedreigingen van de rechts-orde).19Kamerstukken II 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 9 e.v. Deze doelen zijn limitatief van aard. 20Kamerstukken II 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 31: ‘Het wetsvoorstel beoogt limitatief in de doeleinden te voorzien ten behoeve waarvan politiegegevens kunnen worden verwerkt. Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 6 van deze memorie van toelichting, hebben deze doeleinden betrekking op de uitvoering van de politietaak’. De wet moet uitdrukkelijk voorzien in het gebruik van de verzamelde politiegegevens voor een ander doel. Dit betreft bijvoorbeeld ook de verwerking van politiegegevens ter ondersteuning van de politietaak (artikel 13 Wpg). Het principe dat gegevens alleen verwerkt kunnen worden indien dat noodzakelijk is voor een bepaald doel, vloeit voort uit het eerdergenoemde Databeschermingsverdrag en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).21Kamerstukken II 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 7 e.v. Onderdeel van het noodzakelijkheidsvereiste is in de eerste plaats de afweging of een verwerking van gegevens proportioneel is in relatie tot het doel. In de tweede plaats moet de subsidiariteit afgewogen worden. Hiertoe moet de vraag worden gesteld of met een andere methode die minder ingrijpend is voor de persoonlijke levenssfeer hetzelfde doel kan worden bereikt. Indien gegevens niet langer noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor ze worden verwerkt of als dit door een wettelijke bepaling wordt vereist, moeten ze worden verwijderd dan wel vernietigd, afhankelijk van het doel waarvoor ze verwerkt zijn. De verantwoordelijke moet daarvoor zorg dragen. Verwijderde gegevens zijn nog vijf jaar beschikbaar, zij het niet voor operationele doeleinden. De vaststelling van het doel waarvoor de politiegegevens worden verwerkt is ook van belang voor de vraag of de betreffende gegevens toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn. Daarmee wordt bedoeld dat geen overbodige gegevens mogen worden verwerkt, maar ook dat de gegevens die noodzakelijk zijn voor de verwerking een juist beeld van de betrokkene moeten geven. De verantwoordelijke heeft zowel onder de Wpg als onder de Wbp een inspanningsverplichting die inhoudt dat hij maatregelen moet nemen die ertoe leiden dat de door hem verwerkte gegevens juist en nauwkeurig zijn in verband met het doel van de verwerking van die gegevens. Dat betekent ook dat de verantwoordelijke bij gebleken onjuistheid of onvolledigheid de gegevens moet verbeteren, vernietigen of aanvullen. Omdat onder verwerken ook bewaren wordt verstaan, geldt dit ook voor de opslag van gegevens. De opslag dient beperkt te blijven tot gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de politietaak.22Recommendation R(87)15 of the Committee of Ministers to member states regulating the use of personal data in the police sector, Council of Europe, principle 3 − Storage of data. De informatieplicht is een uitwerking van het transparantiebeginsel: degene over wie politiegegevens worden verwerkt moet in staat worden gesteld deze gegevens te controleren. De Wpg kent geen verplichting voor de politie om de betrokkene te informeren dat de verwerking van diens gegevens plaatsvindt. Dit is een evident verschil met de Wbp, die deze verplichting wel kent. Het verschil houdt verband met de bijzondere positie van de politie ten opzichte van de burger in het kader van de uitoefening van haar taken.23Kamerstukken II 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 2 e.v.. Het neemt niet weg dat de betrokkene, de burger, onder de Wpg wel het recht heeft kennis te nemen van de omstandigheid of, en zo ja welke, hem betreffende politiegegevens worden verwerkt. Slechts als sprake is van een van de in artikel 27, eerste lid Wpg genoemde uitzonderingen kan inzage worden geweigerd. Naar aanleiding van de kennisneming kan de betrokkene de politie verzoeken de gegevens te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen als deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Politiegegevens die worden verwerkt ten behoeve van de uitvoering van de dagelijkse politietaak, ook wel het basispolitiewerk genoemd, kunnen gedurende de periode van een jaar breed binnen de politie worden verwerkt (artikel 8, eerste lid Wpg). Het gaat om gegevens die worden verwerkt in het kader van surveillance, eenvoudig recherchewerk en het handhaven van wetten en regels. Bovendien: ‘(...) biedt [het] ook de basis voor het verwerken van gegevens ter zake van in omvang en duur beperkte incidenten als eenvoudige, kortdurende opsporingsonderzoeken, zolang in dat kader geen bijzondere opsporingsmiddelen worden ingezet en geen opsporingsteam wordt samengesteld’.24Kamerstukken II 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 38. Na een jaar kunnen deze gegevens, zolang zij nog noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak, geautomatiseerd worden vergeleken met andere gegevens die worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak (artikel 8, tweede lid Wpg). Wanneer de politiegegevens niet langer noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak worden zij vernietigd. Blijven de gegevens noodzakelijk voor het doel, dan worden zij na uiterlijk vijf jaar verwijderd. Het verwerken van gegevens voor een ander doel dan waarvoor ze werden verwerkt, moet voorzien zijn in de Wpg. Politiegegevens die met het oog op het basispolitiewerk worden verwerkt kunnen verder verwerkt worden ten behoeve van een gericht onderzoek (in het kader van de artikelen 9 en 10 Wpg) of ten behoeve van het beheer van informantengegevens (artikel 12 Wpg).25Artikel 8, vierde lid Wpg. Van een gericht onderzoek is sprake als het een gerichte en omvangrijke verwerking van persoonsgegevens betreft. Het doel van dit onderzoek zal zijn het herstellen van de rechtsorde of het voorkomen van een aantasting daarvan. In ieder geval is sprake van een dergelijke verwerking indien een rechercheonderzoek is aangemeld, een verkennend onderzoek wordt gestart en zodra bijzondere opsporingsmethoden worden ingezet. Dit zal samengaan met het moment waarop om tactische of opsporingstechnische redenen aanleiding bestaat de gegevens binnen de politie af te schermen.26Kamerstukken II 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 39. Het gaat dus met name om dossiervorming in een bepaald geval, om veel informatie samen te brengen gericht op dat ene geval mits in het belang van het onderzoek. 27Kamerstukken II 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 43 e.v.. Anderzijds kunnen politiegegevens uit gerichte onderzoeken ter beschikking worden gesteld voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak, zij het met instemming van de bevoegd functionaris. Verdere verwerking van gegevens die worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak kan ook plaatsvinden in het kader van de ondersteuning van de politietaak. Dit ziet met name op de landelijke ontsluiting van politiegegevens: een signalering door een regionaal politiekorps wordt via deze verwerking bekend bij alle andere politiekorpsen. Deze verwerking kan relevant zijn voor: het vaststellen van eerdere verwerkingen ten aanzien van eenzelfde persoon of zaak, onder meer ter bepaling van eerdere betrokkenheid bij strafbare feiten; het ophelderen van strafbare feiten die nog niet herleid konden worden tot een verdachte; identificatie van personen of zaken; het onder de aandacht brengen van personen of zaken met het oog op het uitvoeren van een gevraagde handeling dan wel met het oog op een juiste bejegening van personen; het uitvoeren van taken ten dienste van de justitie.28Artikel 13, eerste lid Wpg. Zie ook artikel 6:2 Bpg. Het signaleren van een subject uit een gericht onderzoek via deze verwerking behoort tot de mogelijkheden. Indien sprake is van een hit kan het kenteken uit het vergelijkingsbestand verrijkt worden met deze gegevens en verder worden verwerkt voor het doel waarvoor het gesignaleerd stond. Daarnaast biedt de Wpg mogelijkheden om op basis van politiegegevens die worden verwerkt in het kader van een gericht onderzoek een specifieke zoekvraag te plaatsen in een andere verwerking om te zoeken naar overeenkomsten (artikel 11 Wpg). Dit betreft onder meer het zogenaamde automatisch vergelijken. Hierop zijn aanvullende waarborgen van toepassing, namelijk de omstandigheid dat sprake moet zijn van een duidelijke aanleiding voor de zoekvraag, dat deze noodzakelijk moet zijn voor het onderzoek waarvoor de vraag wordt gesteld, dat de vraag ter verificatie dient van gegevens die al bij de politie bekend zijn. Bovendien moeten de autorisaties van het vereiste niveau zijn en is de verdere verwerking van overeenkomende gegevens afhankelijk van de instemming van een daartoe bevoegd functionaris.29Kamerstukken II, 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 53. Verstrekking van politiegegevens aan derden is alleen mogelijk indien de Wpg of het Besluit politiegegevens (Bpg) daarvoor een grondslag biedt. In het Bpg worden hiertoe verschillende instellingen met name genoemd, al dan niet met toevoeging van een bepaald doel. De artikelen 19 en 20 Wpg bieden een ruimer kader voor verstrekking, ook aan andere dan de in het Bpg genoemde instellingen. Deze verstrekkingen zien wel op een parallel belang tussen politie en de instelling waaraan verstrekt wordt: de verstrekking is verenigbaar met het doel waarvoor de politie zelf de gegevens verwerkt. Voor artikel 19 Wpg, de incidentele verstrekking, geldt dat sprake moet zijn van een bijzonder geval. Bij artikel 20 Wpg gaat het om een structurele verstrekking in het kader van een samenwerkingsverband. Voor beide bepalingen geldt dat de verstrekking noodzakelijk moet zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. Dit houdt in dat ‘de verstrekking voor de samenleving van meer dan gewone betekenis is. Ingevolge de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit dient dit belang dermate zwaarwegend te zijn dat het belang van verstrekking aan derden zwaarder dient te wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de politiegegevens betrekking hebben’.30Kamerstukken II, 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 76. De verstrekking moet voorts in overeenstemming zijn met het bevoegd gezag. Tot slot is van belang dat de gegevens met een bepaald doel worden verstrekt. Hieronder valt niet alleen het voorkomen en opsporen van strafbare feiten, het handhaven van de openbare orde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven (zijnde de politietaken) maar ook het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving. Voor de toepassing van artikel 20 Wpg geldt bovendien dat de beslissing van de verantwoordelijke schriftelijk en gemotiveerd wordt vastgelegd.31Artikel 20, tweede lid Wpg. De Wbp is van toepassing op gegevensverwerkingen door de politie als zij deze gegevens niet verwerkt in het kader van de uitoefening van de politietaak. Daarnaast is de Wbp de aangewezen wet voor verwerkingen door andere overheidsorganisaties die niet onder de Wpg of Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) vallen. Persoonsgegevens moeten zorgvuldig en in overeenstemming met de wet worden verwerkt. Dat betekent onder meer dat persoonsgegevens op grond van welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden dienen te worden verzameld. De gegevens kunnen alleen verwerkt worden als deze gelet op de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, toereikend, terzake dienend en niet bovenmatig zijn. De verantwoordelijke moet maatregelen treffen in het belang van de juistheid en nauwkeurigheid van de gegevens. Daarnaast behoeft iedere verwerking een grondslag ingevolge artikel 8 Wbp. De verstrekking van deze gegevens aan derden moet verenigbaar zijn met het oorspronkelijke doel van de gegevensverwerking. Slechts in uitzonderingsgevallen kan hiervan worden afgeweken.32Artikel 9 Wbp juncto artikel 43 Wbp. Gegevens kunnen bewaard worden zolang dat noodzakelijk is voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor deze zijn verzameld of vervolgens verwerkt. De verantwoordelijke dient in het kader van de beveiliging van gegevens maatregelen te treffen. De informatieplicht is in de Wbp expliciet geregeld. Het is een uitwerking van het transparantiebeginsel: de betrokkene moet in staat worden gesteld de hem betreffende verwerkte gegevens te controleren. De informatieverplichting houdt in dat de betrokkene door de verantwoordelijke op de hoogte wordt gesteld van het feit dat van hem gegevens zijn verwerkt op het moment dat die gegevens bij de betrokkene worden verkregen. Worden de gegevens op andere wijze verkregen, dan stelt de verantwoordelijke de betrokkene alsnog op de hoogte tenzij − kort weergegeven − deze reeds op de hoogte is, dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost of de verwerking plaatsvindt bij of krachtens wet. Van de informatieplicht kan bovendien in uitzonderingsgevallen worden afgezien.33Artikel 43 Wbp. De verantwoordelijke moet de gegevensverwerking die onder zijn verantwoordelijkheid valt melden bij het CBP. Dit draagt bij aan de transparantie van de verwerking voor de betrokkene. Deze verplichting op grond van artikel 27 Wbp vervalt als de verwerking onder de bepalingen in het Vrijstellingsbesluit valt. In de situatie dat de verantwoordelijke een risicovolle verwerking voor ogen heeft doet het CBP een Voorafgaand Onderzoek (VO) naar aanleiding van de melding van die verwerking.34Artikel 31 Wbp. De wetgever heeft onder meer de verwerking van gegevens op basis van heimelijke waarneming aangemerkt als een risicovolle verwerking omdat in een dergelijke situatie de mogelijkheid bestaat dat de verwerking voor de betrokkene onopgemerkt blijft. Als compensatie voor het niet-informeren dient het CBP in de gelegenheid te worden gesteld een onderzoek in te stellen naar de heimelijke waarneming om zich een oordeel te kunnen vormen over de rechtmatigheid daarvan.35 In dit kader is aan het CBP de ANPR-verwerking door het regionaal politiekorps Brabant Zuid-Oost voor-gelegd met het oog op de verwerking in ANPR van Wbp-gegevens: z2007-00791; Bekendmaking besluit voorafgaand onderzoek in de Staatscourant op 16 juli 2008, nr. 135, p. 28.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel