ANPR wordt primair ingezet ten behoeve van de uitvoering van de dagelijkse politietaak (artikel 8 Wpg). Door op automatische wijze kentekens te vergelijken met kentekens die de politie reeds in haar bezit heeft, kan efficiënter gebruik worden gemaakt van capaciteit bij de politie. Geautomatiseerde gegevensvergelijking is immers vele malen sneller dan de vergelijking die een politieagent kan maken tussen de kentekens in de verkeersstroom en de kentekens in zijn notitieboekje. De zoekvraag is geen andere dan voorheen werd gesteld aan de individuele agent. Het uitgangspunt is dat vooral de gegevens die de politie verwerkt in het kader van de uitvoering van de dagelijkse politietaak in aanmerking komen voor toepassing van ANPR. Dit omvat gegevens afkomstig van de RDW en landelijk beschikbaar gestelde gegevens op grond van artikel 13 Wpg.
Het resultaat van de automatische vergelijking omvat meer dan van een niet-automatische vergelijking: meer kentekens worden herkend, meer voertuigen kunnen worden stilgezet. De informatie die gegenereerd wordt door ANPR leidt ook tot gerichter opgetreden dan voorheen. Van alle passerende voertuigen worden alleen die voertuigen nader onder de loep genomen die daartoe aanleiding geven. Dat betekent ook dat de kentekens waarmee niets aan de hand is, niet in aanmerking komen voor verwerking als politiegegeven in een politiebestand. Dat is immers niet noodzakelijk voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak.
Dat de automatische kentekenvergelijking voordelen oplevert voor de werkwijze van de politie en meer resultaat tot gevolg heeft, betekent niet dat het middel overal en altijd ingezet kan en moet worden. Uitgangspunt is dat er een directe actie plaatsvindt naar aanleiding van een hit met een kenteken uit het vergelijkingsbestand. Dit vergt, naast voldoende capaciteit om deze acties te doen, een afgewogen selectie van kentekens die in het vergelijkingsbestand ten behoeve van de uitvoering van de dagelijkse politietaak kunnen worden opgenomen: de invulling die aan de politietaak wordt gegeven voor een actie bepaalt de selectie van gegevens per ANPR-toepassing.
Dit betekent dat iedere verwerking van politiegegevens door middel van ANPR, met behulp van een − vaste − camera boven de weg of met behulp van een camera in een politievoertuig, in de eerste plaats zijn grondslag moet vinden in de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Deze afweging moet dus per keer gemaakt worden. Dit is van belang voor de rechtmatige verkrijging van gegevens: het verwerken van ongelimiteerd binnengehaalde gegevens ten behoeve van de uitvoering van de dagelijkse politietaak is niet in overeenstemming met de wet.36Kamerstukken II 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 10: ‘Er zijn echter grenzen aan het mogen verzamelen en met elkaar in verband brengen van deze gegeven voor de verschillende onderdelen van de politietaak. Een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens brengt immers mee dat de verwerking van gegevens evenredig is aan het doel waarvoor ze zijn verkregen.’ En p. 39: ‘Zowel het vergaren als verwerken (waaronder vergelijken) van gegevens op grond van dit artikel [8 Wpg] is evenwel gebonden aan de algemene beperkingen die daarvoor gelden op grond van artikel 3, zoals dat de verwerking noodzakelijk moet zijn met het oog op een goede uitvoering van de politietaak en, gelet op de doeleinden waarvoor de gegevens worden verwerkt, ter zake dienend en niet bovenmatig is.’
Uitvoering van de dagelijkse politietaak kan in het concrete geval betekenen dat gecontroleerd wordt op gestolen auto’s of kentekenplaten, of op achterstallige betalingen van boetes. Doel is dan om direct na herkenning van een kenteken een voertuig stil te doen houden ter afwikkeling van de openstaande kwestie. De inzet van het middel is voor dit doel niet zinvol en niet gerechtvaardigd als een directe actie niet is voorzien. De afweging van hoe de politietaak wordt ingevuld is dus ook inherent aan de keuze voor de politiegegevens waarmee wordt vergeleken. De aard van de toepassing heeft gevolgen voor de selectie van de politiegegevens. Deze politiegegevens moeten actueel en accuraat zijn.
Het toevoegen van politiegegevens aan het vergelijkingsbestand die niet hoeven of zelfs niet moeten leiden tot een directe actie waarvoor het betreffende voertuig wordt stilgehouden, dient ook in lijn te zijn met de politietaak. Hierbij moet gedacht worden aan het vergaren van informatie in het kader van een gericht (opsporings)onderzoek of ten behoeve van een operationele analyse.37 Zie verder: hoofdstuk IV − 2. Bij de afweging van het plaatsen van deze gegevens in het vergelijkingsbestand moet rekening worden gehouden met het autorisatieniveau van de uitvoerende politieambtenaar.
Selectie van gegevens
Bij de selectie van politiegegevens ten behoeve van het vergelijkingsbestand gaat het CBP uit van twee categorieën:
het kenteken/voertuig wordt gezocht;
de kentekenhouder/een persoon die gekoppeld kan worden aan het kenteken wordt gezocht.
Voor de eerste categorie geldt dat het kan gaan om voertuigen die zijn gestolen of worden vermist, of betrokken zijn geweest bij een misdrijf. Ook kan het gestolen of valse kentekenplaten betreffen. De gegevens zijn afkomstig uit regionale of landelijke politiebestanden, maar ook uit het kenteken-register dat de RDW voert. De RDW verstrekt gegevens uit het kentekenregister voor zover de politie deze gegevens nodig heeft voor de goede uitoefening van haar taak.38De RDW bepaalt op welke wijze de gegevens worden verstrekt, ingevolge artikel 43, vijfde lid WVW ‘94. Een on-line/real-time-toepassing, waarbij de gegevens niet verstrekt worden ten behoeve van een vergelijkingsbestand maar gescande kentekens direct worden vergeleken met het kentekenregister, behoort tot de mogelijkheden maar wordt vooralsnog niet (grootschalig) toegepast. Dat betreft onder meer de controle op de registratie van kentekens. Deze controle valt onder het toezicht op naleving zoals bedoeld in art 158 WVW ‘94. De politie is hiervoor primair aangewezen zodat de controle plaatsvindt in het kader van de uitvoering van de politietaak. 39Het verwerken van gegevens met betrekking tot kentekens is een taak die is opgedragen aan de RDW, op grond van artikel 4b, eerste lid, sub h, WVW ‘94. De RDW houdt daartoe een kentekenregister bij dat geldt als basisregister. De RDW verstrekt uit dat register gegevens aan overheidsorganen, voor zover zij aangeven deze gegevens nodig te hebben voor een goede uitoefening van hun publieke taak (artikel 43, eerste lid WVW ‘94). Het onder deze voorwaarden overheidsorganen voorzien van gegevens uit het kentekenregister, is opgenomen als een van de doeleinden van het verzamelen van gegevens door de RDW (artikel 42, vierde lid onder c WVW ‘94). Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de WVW ‘94, met uitzondering van de hoofdstukken IA, IB en IC, zijn opsporingsambtenaren belast. Dat zijn volgens artikel 159 WVW ‘94 in de eerste plaats ambtenaren in de zin van de artikelen 141 en 142 Wetboek van Strafvordering (waaronder politieambtenaren) en in de tweede plaats de bij AMvB aangewezen ambtenaren van -onder meer- de RDW.
In verband met de uitvoering en handhaving van andere wetten ontvangt de politie ook gegevens uit het kentekenregister, bijvoorbeeld met betrekking tot de tweede categorie. Deze categorie betreft een selectie van personen die aan een kenteken gekoppeld kunnen worden. Het gaat om personen die gesignaleerd staan of anderszins gezocht worden, bijvoorbeeld wegens openstaande boetes. Het zal voornamelijk gaan om de kentekenhouder. Het is echter denkbaar dat bij de politie bekend is dat de gezochte persoon voornamelijk gebruik maakt van een auto die geregistreerd staat op een andere naam. Dit dient wel als zodanig aangetekend te zijn en dus kenbaar voor de betreffende politie-ambtenaar. Binnen het toepassingsbereik van de Wpg valt de verwerking van gegevens voor zover het gaat om de uitoefening van taken ten dienste van Justitie. Een voorbeeld is de controle van openstaande boetes die geregistreerd staan bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Hiertoe verstrekt het CJIB gegevens aan de politie om deze in de gelegenheid te stellen de betrokkene op te sporen.40Kamerstukken II 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 60: ‘Voor zover op grond van artikel 13 gegevens worden verwerkt naar aanleiding van verzoeken van andere instanties (bijvoorbeeld signaleringen op verzoek van het CJIB of van bijzondere opsporingsdiensten) wordt het verzoek daartoe eerst geregistreerd op grond van 8, 9 of 10, waarna verdere verwerking op grond van artikel 13 kan plaatsvinden’.
Personen kunnen, gekoppeld aan een kenteken, worden opgenomen in het vergelijkingsbestand als zij op basis van een verdenking of anderszins worden gezocht. Door opname in het vergelijkingsbestand wordt gehoor gegeven aan de signalering in het kader van de uitvoering van de dagelijkse politietaak.
Een verdergaande toepassing is dat de signalering niet voortkomt uit een nieuwe signalering, maar dat het kenteken behorende bij een bekende van de politie ter vergelijking wordt aangeboden.41De term ‘veelpleger’ ligt hier voor de hand, maar heeft in verschillende gremia verschillende definities. Daarom is in dit stuk gekozen voor de meer neutrale term ‘bekende’. De term ziet op de persoon die meerdere malen met politie in aanraking is geweest, maar thans niet per se onder het begrip ‘verdachte’ als bedoeld in artikel 27 Sv valt.Het doel hiervan zou kunnen zijn het constateren van recidive, bijvoorbeeld waar het gaat om rijden onder invloed of om veelplegers op het gebied van vermogensdelicten. Het doel kan ook zijn zicht te houden op een bekende, zoals een persoon die bij het betreffende politiekorps bekend is vanuit de groep waarin hij zich beweegt. Hierbij kan gedacht worden aan het signaleren van hooligans of van auto’s die afkomstig zijn van bij de politie om verschillende redenen bekende autoverhuurbedrijven. Deze bekenden worden op deze manier uit de anonimiteit van de verkeersstromen gehaald.
Relevant onderdeel van de politietaak is het opsporen van daders van strafbare feiten en het voor-komen van strafbare feiten. Het uit de anonimiteit halen van veelplegers maakt echter niet logischerwijs onderdeel uit van de politietaak zoals omschreven in artikel 2 Polw. ‘93.42Brief van het CBP van 19 januari 2004 aan de beheerder van het regionaal politiekorps Utrecht (O2004-0004),http://www.cbpweb.nl/downloads_uit/O2004-0004.pdf. Het Nederlandse strafrechtelijke systeem is gericht op resocialisatie. Het Nederlandse strafrecht kent geen bijkomende straf die bepaalt dat een veroordeelde gedurende een bepaalde tijd zonder verdere directe aanleiding gevolgd kan worden op basis van zijn bestaande registraties. Het gericht volgen van personen die ten tijde van dat volgen niet verdacht zijn in de zin van artikel 27 Sv, of anderszins onderwerp zijn van een gericht onderzoek, is dan ook niet in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving. De betreffende gegevens worden in dat geval aangewend voor het nagaan van de gangen van een persoon. Dit mondt uit in een oneigenlijke controle.43HR 19 december 1995, NJ 1996, 249; zie ook Onderzoek inzet ‘Catch-ken’, prof. mr. P.A.M. Mevis, Rotterdam 27 oktober 2005.
Hieruit volgt dat gegevens betreffende een bekende slechts kunnen worden opgenomen in het vergelijkingsbestand in de volgende twee situaties:
de bekende is gesignaleerd in verband met een actuele en concrete verdenking;
het is in het belang van de handhaving van de openbare orde dat een bekende of een groep van bekenden wordt getraceerd.
De verwerking van gegevens vindt in deze gevallen plaats in het kader van de uitoefening van de politietaak met het oog op een specifiek doel. Gedacht kan worden aan een risicowedstrijd waarbij aannemelijk is dat hooligans van de verschillende clubs van zich zullen laten horen op een wijze die de openbare orde bedreigt of zelfs aantast. Dit voorbeeld illustreert dat per geval dient te worden bezien of de actuele situatie opname in het vergelijkingsbestand legitimeert. In verband hiermee is ook van groot belang dat op het moment dat de vergelijking plaatsvindt de kwaliteit van de gegevens goed is, namelijk actueel en juist. De kwaliteit van de gegevens is een voorwaarde voor een zorgvuldige toepassing van de techniek. Dat houdt in dat voor iedere nieuwe ANPR-actie telkens een actueel en accuraat vergelijkingsbestand moet worden aangelegd. Gegevens die in een ANPR-actie niet tot een hit hebben geleid, kunnen niet een week later opnieuw gebruikt worden zonder dat vooraf wordt beoordeeld of zij nog steeds actueel zijn.
Met de basistoepassing van ANPR wordt een toename van de effectiviteit en efficiëntie van het politieoptreden beoogd. Het gaat om een gerichte zoekactie naar kentekens die een relatie hebben met voertuigen of personen die gesignaleerd staan. De betreffende voertuigen kunnen direct worden stilgehouden om de reden van signalering kenbaar te maken en hieraan gevolg te geven. Zodoende wordt uitvoering gegeven aan de dagelijkse politietaak. Uitgangspunt is dan ook dat direct na een hit opgetreden wordt.
De invulling die aan de politietaak wordt gegeven voor de betreffende actie bepaalt de selectie van gegevens per ANPR-toepassing. Voor de te selecteren gegevens geldt dat een concrete en actuele aanleiding de selectie van de kentekens kan rechtvaardigen. Dit behoeft per keer een individuele af-weging. De inzet van ANPR ten behoeve van het opsporen van kentekens behorende bij bekenden van de politie kan alleen in twee situaties: in de situatie dat een bekende is gesignaleerd in verband met een actuele en concrete verdenking dan wel indien een situatie zodanig is dat het traceren van een bekende of een groep van bekenden in het belang is van de handhaving van de openbare orde.
De zorgvuldige verwerking van de gegevens vereist dat gebruik gemaakt wordt van een vergelijkingsbestand met de meest recente gegevens.
Artikel III
Basistoepassing van ANPR
Onderdeel van Beleidsregel CBP richtsnoeren ANPR· Privacy
Deze tekst geldt sinds 14 juli 2009