Ingevolge art. 6, derde lid, EVRM en art. 14, derde lid, BUPO heeft een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld er recht op om onverwijld in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen.
Voorts dient ingevolge art. 5, tweede lid, EVRM en art. 9, tweede lid, BUPO een ieder die aangehouden is onverwijld in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van de beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht.
Op grond van art. 29a, eerste lid, Sv wordt een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst bij het politieverhoor bijgestaan door een tolk. Daaronder is begrepen in het geval van een verdachte die niet of slechts gebrekkig kan horen of spreken, bijstand door een daartoe geschikte persoon als tolk (art. 131b Sv). Als de verdachte niet onmiddellijk na zijn aanhouding wordt verhoord, dan dient hij in ieder geval na aankomst op het politiebureau, uiterlijk op het moment dat hij voor de hulpofficier van justitie wordt geleid, in een taal die hij begrijpt op de hoogte te worden gesteld van de reden van zijn aanhouding. Direct daaraan voorafgaand wordt vastgesteld of de verdachte het Nederlands (voldoende) beheerst (zie § 3.3) en zo nee, welke taal hij wel voldoende beheerst (zie § 3.4). Gedurende het gehele opsporingsonderzoek wordt de verdachte in beginsel in die taal gehoord en worden hem in die taal procesrechtelijk relevante mededelingen gedaan.
In eerste instantie beoordeelt de verbaliserende ambtenaar of de verdachte de Nederlandse taal (voldoende) beheerst. Indien de verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, roept de verbalisant de bijstand van een tolk in, met inachtneming van het bepaalde in art. 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (zie § 3.7).
In geval van twijfel en in geval de verbalisant en de verdachte van mening verschillen met betrekking tot de taalkeuze, neemt de verbalisant contact op met de (hulp)officier van justitie, die vervolgens terzake beslist (zie ook § 3.5).
Het is buitengewoon belangrijk dat in het proces-verbaal zo nauwkeurig mogelijk wordt weergegeven wat de verdachte daadwerkelijk heeft verklaard. Daarom is van groot belang dat zorgvuldig wordt beoordeeld of bijstand van een tolk noodzakelijk is om de reden dat hij de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst. Als criterium voor de vaststelling of de verdachte de Nederlandse taal voldoende beheerst, geldt: de verdachte begrijpt de hem gestelde vragen of gedane mededelingen, de verdachte is in staat zijn eigen lezing te geven van de gebeurtenissen waarover zijn verklaring wordt verlangd én de verdachte is voldoende in staat daarin nuances aan te brengen. Indien de verdachte bijvoorbeeld slechts in staat is om de hem gestelde vragen met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden, beheerst hij het Nederlands onvoldoende.
Als de verdachte zichzelf niet in staat acht een verklaring in het Nederlands af te leggen, wordt in beginsel het verhoor met bijstand van een tolk afgenomen. Dit is slechts anders indien de verbalisant/(hulp)officier van justitie weet of vaststelt dat de verdachte het Nederlands wel degelijk voldoende beheerst. Als de verdachte bijvoorbeeld een bekende van de politie is, kan de verbalisant aan de hand van eerdere politiecontacten van de verdachte vaststellen of de verdachte het Nederlands voldoende beheerst.
Bij twijfel is het uitgangspunt dat altijd een tolk wordt ingeschakeld.
Wanneer de (hulp)officier van justitie heeft besloten dat geen tolk zal worden ingeschakeld, geeft de verbalisant gemotiveerd in het proces-verbaal van het (eerste) verhoor van de verdachte aan op grond waarvan (hij en) de (hulp)officier van justitie tot het oordeel zijn gekomen dat de verdachte de Nederlandse taal voldoende beheerst.
Voornoemde verdragsbepalingen vereisen dat de verdachte wordt gehoord en over de strafzaak op de hoogte wordt gebracht in een taal die hij begrijpt. Dit behoeft niet zijn moedertaal te zijn. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, wordt vastgesteld welke taal of talen hij wel beheerst en eventueel welke taal of welk dialect hij het liefst spreekt.
Indien bijvoorbeeld een Marokkaanse verdachte bij voorkeur in een bedoeïenendialect spreekt maar ook het Frans voldoende beheerst, wordt in beginsel in het Frans met hem gesproken. Het Frans wordt dan aangemerkt als ‘taaldomicilie’. Ook in een dergelijk geval wordt in principe een tolk ingeschakeld.
De taalkeuze wordt gemotiveerd in het proces-verbaal van het eerste verhoor opgenomen en geldt in beginsel voor het gehele opsporingsonderzoek.
Wanneer de verbalisant en de verdachte van mening verschillen met betrekking tot de noodzaak tot het horen van de verdachte met behulp van een tolk of met betrekking tot de taalkeuze, legt de verbalisant de kwestie voor aan een (hulp)officier van justitie die terzake beslist. Hierbij dient de verdachte, gelet op het belang van een juiste weergave van een in het kader van het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring en het recht van de verdachte te weten waarvan hij wordt beschuldigd, in beginsel het voordeel van de twijfel te krijgen. Slechts indien de(hulp)officier van justitie in redelijkheid kan veronderstellen dat de verdachte de Nederlandse taal voldoende beheerst, kan hij afwijzend op een verzoek van de verdachte beslissen.
Er zijn enkele verhoorsituaties die bijzondere aandacht verdienen.
Verhoor ter plaatse
Als de zaak ter plaatse wordt afgehandeld door een kort verhoor zonder vrijheidsbeperkende maatregelen moet de verdachte ook ter plaatse in een taal die hij begrijpt op de hoogte worden gesteld van de reden van zijn staandehouding en van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen4Dit geldt ook voor verkeersmisdrijven, verkeersovertredingen en kantonfeiten.. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van een telefonische tolk. Indien het niet mogelijk is om een verklaring in het Nederlands op te nemen van datgene wat de verdachte verklaart, wordt de verdachte uitgenodigd om mee te komen naar het politiebureau voor het afleggen van een verklaring met behulp van een tolk. Indien de verdachte niet bereid is mee te gaan naar het politiebureau en de verdenking een strafbaar feit betreft waarvoor de verdachte kan worden aangehouden, wordt de verdachte aangehouden en meegenomen naar het politiebureau om daar alsnog met behulp van een tolk op de hoogte te worden gebracht van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen en terzake te worden gehoord.
Mededeling op het politiebureau / voorgeleiding
Indien de verdachte wordt meegenomen naar het politiebureau en niet terstond wordt gehoord, wordt hem wel zo spoedig mogelijk – doch uiterlijk bij de voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie – kort mededeling gedaan van de reden van zijn aanhouding en van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een (telefonische) tolk. Indien de verdachte (langer) wordt vastgehouden, wordt de verdenking en de wijze waarop deze aan de verdachte is medegedeeld in ieder geval in het proces-verbaal van het verhoor met betrekking tot de inverzekeringstelling vastgelegd. Het verhoor wordt op de hiervoor weergegeven wijze afgenomen. In het proces-verbaal wordt vastgelegd dat het verhoor heeft plaatsgevonden met bijstand van een tolk.
Verhoor gedurende ophouding voor onderzoek
Als de verdachte wordt opgehouden voor verhoor, terwijl er niet binnen de termijn van zes uren een tolk beschikbaar is, kan het verhoor met behulp van een telefonische tolk worden afgenomen.
Overleg tussen raadsman en aangehouden verdachte voor het eerste verhoor
Op grond van art. 28, derde lid, Sv heeft de verdachte recht op bijstand van een tolk bij het overleg met een raadsman en is de raadsman verantwoordelijk voor het oproepen van een tolk. Wanneer de politie voor het verhoor van de aangehouden verdachte een tolk heeft opgeroepen, wijst de verbalisant de verdachte op zijn recht om voorafgaande aan het eerste verhoor een raadsman te consulteren5Zie de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor. en wijst hij de raadsman erop dat er een tolk aanwezig is die desgewenst bijstand kan leveren bij het (consultatie)overleg met zijn cliënt voorafgaand aan het verhoor.
Als het verhoor plaatsvindt met behulp van een tolk, wordt de bijstand van een beëdigde tolk (een in het register ingeschreven tolk) ingeroepen, tenzij een beëdigde tolk niet (tijdig) beschikbaar is. In dat geval kan een tolk ingezet worden die niet in het register is ingeschreven. Als een tolk wordt ingezet die niet in het register is ingeschreven, wordt dit met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd in het proces-verbaal van verhoor. De niet-ingeschreven tolk dient zo mogelijk voorafgaand aan zijn inzet een recente verklaring omtrent het gedrag dan wel een integriteitsverklaring over te leggen. Indien het vanwege de spoedeisendheid niet mogelijk is voorafgaand aan de inzet een verklaring omtrent het gedrag over te leggen, geschiedt dit na de inzet.
Artikel 3
Verdachte – vertolking van het gesprokene
Onderdeel van Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2014