Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Uitgesloten verplichtingen voor de investeringsaftrek

Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, investeringsaftrek· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 27 maart 2014

Voor de investeringsaftrek blijven buiten aanmerking verplichtingen aangegaan tussen naaste verwanten (artikel 3.46, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet IB 2001). De Minister heeft de bevoegdheid te bepalen dat het eerste lid geen toepassing vindt (artikel 3.46, tweede lid, van de Wet IB 2001). Ik heb besloten bij verplichtingen tussen naaste verwanten van de ontheffingsbevoegdheid gebruik te maken. Hierbij machtig ik de inspecteurs namens mij deze ontheffing te verlenen, waarbij de volgende uitgangspunten gelden. Voor de toepassing van de investeringsaftrek komen in aanmerking reële verplichtingen die zijn aangegaan tussen naaste verwanten voor de verwerving of verbetering van bedrijfsmiddelen. Als transacties tussen naaste verwanten zodanig worden uitgevoerd dat hierdoor getracht wordt (het percentage van) de investeringsaftrek te beïnvloeden, komen de hieruit voortvloeiende verplichtingen niet voor ontheffing in aanmerking, tenzij deze uitvoering van de transactie ook tussen derden gebruikelijk is. Het ontmoet bij mij geen bezwaar dat men, als een verplichting betrekking heeft op zowel voor investeringsaftrek in aanmerking komende bedrijfsmiddelen als op overige zaken, deze verplichting zoveel mogelijk toerekent aan die bedrijfsmiddelen tot maximaal de waarde in het economische verkeer van die bedrijfsmiddelen. Als in het kader van een overdracht of overgang van een landbouwbedrijf grond wordt verworven, waarop de landbouwvrijstelling van toepassing is (artikel 3.12 van de Wet IB 2001), kan voor de toerekening van investeringsbijdragen de desbetreffende grond in aanmerking worden genomen voor de waarde in verpachte staat, tenzij partijen een hogere waarde zijn overeengekomen. Het moet gaan om reële verplichtingen tot betaling aangegaan tussen naaste verwanten voor de verwerving of verbetering van een bedrijfsmiddel. Schulden ter zake van de verwerving of verbetering van een bedrijfsmiddel aan de naaste verwant moeten met name voor wat betreft looptijd, aflossingsschema en te stellen zekerheden voldoen aan hetgeen tussen derden gebruikelijk is. Bovendien mag geen sprake zijn van een kennelijk vooruitlopen op een erfrechtelijke verkrijging (schuldig blijven zonder rekening te houden met bijvoorbeeld de leeftijd van de naaste verwant tegenover wie de verplichtingen worden aangegaan). Als een lening met het oog op de toepassing van de regeling van durfkapitaal (artikel 5.17, eerste lid, van de Wet IB 2001, tot 2013) is achtergesteld en voor het overige als tussen derden gebruikelijk kan worden beschouwd, komt de ondernemer/geldlener in aanmerking voor investeringsaftrek. Als een schuld een lager rentepercentage draagt dan vermeld in de zogenoemde marktrentebesluiten (o.a. besluit van 28 november 2013, nr. BLKB2013/2197M), wordt als verplichting aangemerkt de contante waarde van de contractueel te verrichten betalingen voor rente en aflossing; daarbij wordt de marktrente als bedoeld in voornoemd besluit in het jaar van aangaan van de verplichtingen als disconteringsfactor toegepast. Ter voldoening aan de verplichtingen tussen naaste verwanten voor de verwerving of verbetering van bedrijfsmiddelen kunnen bijvoorbeeld ook de daarop betrekking hebbende schulden aan derden worden overgenomen. Civielrechtelijk wordt dit aangeduid als passief-subjectieve novatie in de vorm van delegatie. Ook kan verrekening van een op de balans voorkomende vordering ter zake van achterstallig loon plaatsvinden. De verplichtingen moeten schriftelijk worden vastgelegd. Niet-nakoming van de verplichtingen dan wel verandering achteraf van de verplichtingen ten gunste van degene die de verplichtingen is aangegaan, binnen een termijn van vijf jaren na de aanvang van het kalender(boek)jaar waarin de oorspronkelijke verplichtingen zijn aangegaan, leidt tot bijtelling van de toegepaste investeringsaftrek, als ware het een desinvesteringsbijtelling. Van veranderingen van verplichtingen is bijvoorbeeld sprake als, ingeval van schuldig blijven door de naaste verwant tegenover wie de verplichtingen zijn aangegaan: wijzigingen van rentepercentages of aflossingsschema's worden toegestaan, of door deze schenkingen of kwijtscheldingen worden gedaan of als de betalingen van verschuldigde rente en aflossing niet plaatsvinden. Als betrokkene aannemelijk kan maken dat deze verandering op zakelijke gronden berust, of als blijkt dat de verandering losstaat van de tussen partijen bestaande contractuele verhouding, blijft bijtelling achterwege. Als van een naaste verwant een bedrijfsmiddel wordt verworven dat binnen een termijn van drie jaren vóór het tijdstip van de verwerving tot een nalatenschap heeft behoord waartoe degene die het desbetreffende bedrijfsmiddel verwerft gerechtigd was, wordt investeringsaftrek toegepast tot maximaal het bedrag van de desinvesteringsbijtelling die bij de vervreemder ter zake van de vervreemding van dat bedrijfsmiddel is toegepast. Bij de bepaling van de investeringsaftrek over het jaar waarin de verplichtingen waarop de ontheffing betrekking heeft, zijn aangegaan, wordt in het totale investeringsbedrag mede begrepen de waarde in het economische verkeer van alle bedrijfsmiddelen, die in dat jaar zijn verkregen uit verplichtingen, genoemd in artikel 3.46, eerste lid, van de Wet IB 2001 en waarvoor ontheffing wordt of zou kunnen worden verkregen. De investeringsaftrek voor het desbetreffende bedrijfsmiddel bedraagt dan het met inachtneming van voorgaande volzin voor dat jaar van toepassing zijnde bedrag of percentage toegepast op de reële verplichting aangegaan voor dat bedrijfsmiddel. De belastingplichtige die in aanmerking wenst te komen voor investeringsaftrek bij het aangaan van verplichtingen in het kader van transacties tussen naaste verwanten, moet voor elk jaar waarin een dergelijke investering plaatsvindt, in de aangifte een verzoek opnemen tot ontheffing van hetgeen is bepaald in artikel 3.46, eerste lid, onderdeel a en b, van de Wet IB 2001. Dat kan door middel van het beantwoorden van een ja/nee-vraag. Als de belastingplichtige deze vraag met ‘ja’ beantwoordt, verklaart hij zich akkoord met hetgeen is opgenomen in onderdeel 5.1 van dit besluit omtrent verandering of niet-nakoming van verplichtingen. In andere situaties dan die in dit onderdeel van het besluit wordt geen investeringsaftrek verleend. Belanghebbenden behoeven derhalve niet naar mij te worden verwezen. Voor de investeringsaftrek blijven buiten aanmerking verplichtingen aangegaan tussen gerechtigden tot een nalatenschap waartoe het bedrijfsmiddel behoort (artikel 3.46, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001). De Minister heeft de bevoegdheid te bepalen dat het eerste lid geen toepassing vindt (artikel 3.46, tweede lid, van de Wet IB 2001). Ik heb besloten voor verplichtingen tussen gerechtigden tot een nalatenschap van deze ontheffingsbevoegdheid gebruik te maken. Hierbij machtig ik de inspecteurs namens mij deze ontheffing te verlenen, waarbij de volgende uitgangspunten gelden. Voor de investeringsaftrek komen in aanmerking reële verplichtingen wegens overbedeling aangegaan tussen gerechtigden tot een nalatenschap voor de verwerving van een bedrijfsmiddel in het kader van een overname van een onderneming die is gestaakt door overlijden (artikel 3.58, eerste lid, van de Wet IB 2001) waarbij geen beroep is gedaan op de doorschuivingsmogelijkheid (artikel 3.62 van de Wet IB 2001). Daarbij dient de onderneming in haar geheel dan wel voor een zelfstandig of evenredig deel over te gaan en te worden voortgezet. Bij de overgang van losse bedrijfsmiddelen, ongeacht of deze kan leiden tot het aangaan van verplichtingen wegens overbedeling, wordt geen investeringsaftrek toegepast. Hetzelfde geldt voor de overgang van zaken uit het privévermogen van de erflater. Als laatstgenoemde zaken naast de onderneming worden verkregen en deze bij de verkrijger deel gaan uitmaken van het ondernemingsvermogen, worden deze meegeteld als maakten ze deel uit van de onderneming van de erflater. Onder overbedeling wordt hier verstaan al hetgeen bij verdeling van de nalatenschap wordt verkregen, gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer, onder aftrek van de verkrijging krachtens erfrecht, zoals deze voor de heffing van erfbelasting in aanmerking wordt genomen, doch minimaal onder aftrek van de krachtens erfrecht vast te stellen, al dan niet ingeroepen, legitieme portie (artikel 4:63 e.v. BW). Een erfgenaam die is onterfd en geen beroep doet op zijn legitieme portie en die zaken uit de nalatenschap overneemt, wordt voor de toepassing van dit besluit geacht te hebben verkregen bij verdeling. De door hem aangegane verplichtingen blijven buiten aanmerking tot het beloop van zijn legitieme portie. Het moet gaan om reële verplichtingen tot betaling wegens overbedeling aangegaan jegens de overige erfgenamen. Het overnemen van schulden is in het kader van erfrechtelijke verkrijgingen niet het aangaan van verplichtingen voor de verwerving van een bedrijfsmiddel, aangezien bij erfrechtelijke verkrijgingen sprake is van een overgang onder algemene titel. Dit is anders bij het aangaan van verplichtingen tussen naaste verwanten alwaar door het overnemen van schulden invulling wordt gegeven aan de betalingsverplichting jegens deze naaste verwant. Schulden ter zake van de overbedeling aan de overige erfgenamen moeten met name voor wat betreft looptijd, aflossingsschema en te stellen zekerheden voldoen aan hetgeen tussen derden gebruikelijk is. Als een schuld een lager rentepercentage draagt dan vermeld in de zogenoemde marktrentebesluiten (o.a. besluit van 5 december 2012, nr. BLKB2012/1865M), wordt als verplichting aangemerkt de contante waarde van de contractueel te verrichten betalingen voor rente en aflossing; daarbij wordt de marktrente als bedoeld in voormeld besluit in het jaar van aangaan van de verplichting, als disconteringsfactor toegepast. De verplichtingen behoren schriftelijk te worden vastgelegd. De volgende omstandigheden leiden tot gehele bijtelling van de toegepaste investeringsaftrek, als ware het een desinvesteringsbijtelling: niet-nakoming van de verplichtingen of verandering achteraf van de verplichtingen ten gunste van degene die de verplichtingen is aangegaan, binnen een termijn van vijf jaren na de aanvang van het kalender(boek)jaar waarin de oorspronkelijke verplichtingen zijn aangegaan. Van verandering van verplichtingen is bijvoorbeeld sprake als, in geval van schuldig blijven, door de overige erfgenamen wijzigingen van rentepercentages of aflossingsschema's worden toegestaan of door dezen schenkingen dan wel kwijtscheldingen worden gedaan of als de betalingen van verschuldigde rente en aflossing niet plaatsvinden. Als betrokkene aannemelijk kan maken dat deze verandering op zakelijke gronden berust, of als blijkt dat de verandering losstaat van de tussen partijen bestaande contractuele verhouding, blijft bijtelling achterwege. De reëel aangegane verplichtingen wegens overbedeling worden naar evenredigheid verdeeld over de bedrijfsmiddelen en hetgeen overigens door de overnemende ondernemer bij de verdeling van de nalatenschap wordt verkregen. Daarbij worden deze bedrijfsmiddelen en de overige zaken gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer ten tijde van het overlijden van de erflater. In afwijking van het vorenstaande wordt de in het kader van een overdracht of overgang van een landbouwbedrijf verworven grond waarop de landbouwvrijstelling van toepassing is (artikel 3.12 van de Wet IB 2001), voor de evenredige verdeling in aanmerking genomen voor de waarde in verpachte staat, tenzij partijen een hogere waarde zijn overeengekomen. Een notariële akte van verdeling is vereist. De dagtekening daarvan geldt voor de toepassing van dit besluit als het moment van definitieve verdeling en als het moment van aangaan van verplichtingen. In formule kan hetgeen aldus aan de bovenbedoelde bedrijfsmiddelen kan worden toegerekend, als volgt worden weergegeven: B – x R = X V B: bedrijfsmiddel(en) naar de waarde in het economische verkeer ten tijde van het overlijden; V: al hetgeen bij verdeling verkregen is naar de waarde zoals bovenbeschreven ten tijde van het overlijden; R: reële verplichtingen wegens overbedeling; X: het bedrag (tot maximaal het bedrag van de reële verplichtingen wegens overbedeling) waarover investeringsaftrek kan worden toegekend. Bij de bepaling van de investeringsaftrek over het jaar waarin de verplichtingen waarop de ontheffing betrekking heeft, zijn aangegaan, wordt in het totale investeringsbedrag mede begrepen de waarde in het economische verkeer van alle bedrijfsmiddelen, die in dat jaar zijn verkregen uit verplichtingen, genoemd in artikel 3.46, eerste lid, van de Wet IB 2001 en waarvoor ontheffing wordt of zou kunnen worden verkregen. De belastingplichtige die in aanmerking wenst te komen voor investeringsaftrek in het kader van de overname van een onderneming uit een nalatenschap waarbij verplichtingen worden aangegaan tussen gerechtigden tot die nalatenschap, moet voor elk jaar waarin dergelijke verplichtingen worden aangegaan, in de aangifte een verzoek opnemen tot ontheffing van hetgeen is opgenomen in artikel 3.46, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001. Dat kan door middel van het beantwoorden van een ja/nee-vraag. Als de belastingplichtige deze vraag met ‘ja’ beantwoordt, verklaart hij zich akkoord met hetgeen is opgenomen in onderdeel 5.2 van dit besluit omtrent verandering of niet-nakoming van verplichtingen. In andere situaties dan die in dit onderdeel van het besluit wordt geen investeringsaftrek verleend. Belanghebbenden behoeven derhalve niet naar mij te worden verwezen. Degene die in een lichaam voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, kan geen aanspraak maken op investeringsaftrek voor verplichtingen aangegaan tegenover dat lichaam (artikel 3.46, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001). De bedoeling van deze uitsluitingsbepaling is geen investeringsaftrek toe te passen voor blote verschuivingen binnen het vermogen van belastingplichtigen die voor ten minste een derde gedeelte belang hebben in een lichaam. De Minister heeft de bevoegdheid te bepalen dat het eerste lid geen toepassing vindt (artikel 3.46, tweede lid, van de Wet IB 2001). Ik heb besloten voor de volgende situaties van deze ontheffingsbevoegdheid gebruik te maken (5.3.2 en 5.3.3). Hierbij machtig ik de inspecteurs namens mij onder de navolgende voorwaarden ontheffing te verlenen. De inspecteurs zijn gemachtigd de investeringsaftrek volledig toe te passen in de hierna omschreven situaties, als is voldaan aan de onder 5.3.4 gestelde voorwaarden. In deze situaties is geen sprake van vermogensverschuivingen of worden de vermogensverschuivingen aangemerkt als reële investeringen. De belastingplichtige die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in een lichaam gaat verplichtingen aan voor de verwerving van bedrijfsmiddelen jegens dat binnen Nederland gevestigde lichaam. De bedrijfsmiddelen hadden onmiddellijk voorafgaand aan het aangaan van de verplichtingen bij het lichaam jegens welke de verplichtingen worden aangegaan, de hoedanigheid van onderhanden werk of voorraad (grondstoffen, hulpstoffen, goederen in bewerking, gerede producten, handelsgoederen e.d.) en zijn niet eerder binnen de door artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB bedoelde gelieerde verhoudingen bedrijfsmiddel geweest. De belastingplichtige die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in een lichaam gaat verplichtingen aan jegens dat niet binnen Nederland gevestigde lichaam voor de verwerving van bedrijfsmiddelen. De bedrijfsmiddelen zijn niet eerder in die hoedanigheid binnen gelieerde verhoudingen betrokken geweest in de fiscale wetgeving binnen Nederland en hebben niet eerder ter beschikking gestaan van een binnen Nederland gevestigde onderneming binnen deze gelieerde verhoudingen als bedoeld in artikel 3.46, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001 of artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB. Gelijktijdig met of kort na de verwerving worden de bedrijfsmiddelen in gebruik genomen. De belastingplichtige die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in een lichaam gaat verplichtingen aan jegens dat lichaam voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van de verwerving of verbetering van bedrijfsmiddelen. De inspecteurs zijn gemachtigd in de overige situaties waarin verplichtingen worden aangegaan, zoals omschreven onder 5.3.1, zonder dat wordt voldaan aan de omschrijving van de situaties in 5.3.2, maar aan de onder 5.3.4 gestelde voorwaarden, per bedrijfsmiddel investeringsaftrek toe te passen tot maximaal het bedrag van de desinvesteringsbijtelling die bij het vervreemdende lichaam bij de vervreemding van dat bedrijfsmiddel is toegepast. De machtiging om in de onder 5.3.2 en 5.3.3 hiervoor bedoelde situaties namens mij ontheffing te verlenen geldt slechts als aan de volgende voorwaarden is voldaan: de bedrijfsmiddelen worden niet als belegging aangehouden (het moet bedrijfsmiddelen betreffen waarop op grond van artikel 3.30 van de Wet IB 2001 kan worden afgeschreven), met betrekking tot de bedrijfsmiddelen blijven geen rechten achter of worden niet alsnog rechten gevestigd door het lichaam, en de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende verplichtingen voldoen aan hetgeen tussen derden gebruikelijk is. Bij de bepaling van de investeringsaftrek over het jaar waarin de verplichtingen waarop de ontheffing betrekking heeft, zijn aangegaan, wordt in het totale investeringsbedrag mede begrepen de waarde in het economische verkeer van alle bedrijfsmiddelen, die in dat jaar zijn verkregen uit verplichtingen, genoemd in artikel 3.46, eerste lid, van de Wet IB 2001 en waarvoor ontheffing wordt of zou kunnen worden verleend. Wellicht ten overvloede merk ik op dat bij de belastingplichtige die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in een lichaam/ondernemer uiteraard slechts investeringsaftrek kan worden toegepast voor verplichtingen die overigens voor investeringsaftrek in aanmerking komen en voorts dat de investeringsaftrek nooit meer kan bedragen dan het bedrag waarop volgens de overige wettelijke bepalingen aanspraak kan worden gemaakt. Voor situaties waarin de bedrijfsmiddelen worden verworven van een buitenlandse vaste inrichting van een binnen Nederland gevestigd lichaam en waarin de belanghebbenden ten gevolge van het onder 5.3.3 gestelde niet voor volledige investeringsaftrek in aanmerking komen, moet een verzoek worden gericht aan Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen/Cluster Vpb-IBwinst, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag. In andere situaties dan die in dit besluit vermeld, wordt geen investeringsaftrek verleend. Belanghebbenden behoeven derhalve niet naar mij te worden verwezen. Het verzoek moet zijn ingediend vóór het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting van het jaar waarop de investering betrekking heeft, onherroepelijk vaststaat, onder vermelding van de voor de toepassing van dit besluit van belang zijnde gegevens. Het verzoek moet tevens zijn voorzien van een verklaring dat de belastingplichtige akkoord gaat met de volgende voorwaarde: als met toepassing van het besluit investeringsaftrek is toegepast, wordt die investeringsaftrek ten bate van de winst gebracht als ware het een desinvesteringsbijtelling in het jaar waarin blijkt dat niet langer wordt voldaan aan hetgeen in het besluit is gesteld. Voor verplichtingen aangegaan door een aandelenvennootschap kan voor de verwerving van een onderneming of een gedeelte van een onderneming tegen uitreiking van aandelen, geen aanspraak worden gemaakt op investeringsaftrek (artikel 8, achtste lid, onderdeel a, van de Wet VPB). De bedoeling van deze uitsluitingsbepaling is te voorkomen dat investeringsaftrek wordt toegepast als formeel sprake is van verwerven, maar materieel van voortzetten van ondernemingen. Geen recht op investeringsaftrek geldt voor verplichtingen aangegaan door een aandelenvennootschap tegenover groot-aandeelhouder of een gelieerde aandelenvennootschap. De bedoeling van deze uitsluitingsbepalingen is geen investeringsaftrek toe te passen bij blote verschuivingen binnen een vermogensgemeenschap. De Minister heeft de bevoegdheid te bepalen dat het achtste lid geen toepassing vindt (artikel 8, elfde lid, van de Wet VPB). Ik heb besloten voor de volgende situaties van deze ontheffingsbevoegdheid gebruik te maken. Hierbij machtig ik de inspecteurs namens mij onder de navolgende voorwaarden ontheffing te verlenen. 5.4.2.1. Als de hiervóór onder 5.4.1 omschreven uitsluiting van toepassing is, zijn de inspecteurs gemachtigd de investeringsaftrek volledig toe te passen in de hierna omschreven situatie als is voldaan aan de onder 5.4.4 gestelde voorwaarden. In deze situatie is geen sprake van formeel verwerven en materieel voortzetten van een onderneming, maar van een reële investering. Een aandelenvennootschap gaat verplichtingen aan voor de verwerving van een onderneming of een gedeelte van een onderneming tegen uitreiking van aandelen, welke onderneming tot het tijdstip van de verwerving buiten Nederland werd gedreven. De bedrijfsmiddelen zijn niet eerder in die hoedanigheid, binnen de door artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB bedoelde gelieerde verhoudingen, betrokken geweest in de fiscale wetgeving binnen Nederland en hebben niet eerder ter beschikking gestaan van een binnen Nederland gevestigde onderneming binnen de hiervoor bedoelde gelieerde verhoudingen. 5.4.2.2. Als één van de onder 5.4.1 omschreven uitsluitingen van toepassing is, zijn de inspecteurs gemachtigd de investeringsaftrek volledig toe te passen in de hierna omschreven situaties, als is voldaan aan de onder 5.4.4 gestelde voorwaarden. In deze situaties is geen sprake van vermogensverschuivingen of worden de vermogensverschuivingen aangemerkt als reële investeringen. 5.4.2.2.1. De aandelenvennootschap gaat verplichtingen aan voor de verwerving van bedrijfsmiddelen die tot het tijdstip van de verwerving tot het privévermogen van de groot-aandeelhouder behoorden en: de bedrijfsmiddelen hebben gedurende de laatste vijf jaren niet ter beschikking gestaan van een onderneming binnen de door artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB bedoelde gelieerde verhoudingen en worden gelijktijdig met of kort na de verwerving in gebruik genomen; de bedrijfsmiddelen staan of stonden reeds ter beschikking van een onderneming binnen de door artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB bedoelde gelieerde verhoudingen en gelijktijdig met of kort na de verwerving vindt een ingrijpende wijziging in de aard van de activiteiten van de investerende aandelenvennootschap plaats. Van een ingrijpende wijziging in de aard van de activiteiten is geen sprake als de activiteit geheel of gedeeltelijk wordt verlegd naar de naastliggende schakel in de bedrijfskolom of wanneer de wijziging een gevolg is van een verschuiving van activiteiten binnen de door artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB bedoelde gelieerde verhoudingen. Voorts worden de bedrijfsmiddelen aangewend in een functie die zij nog niet eerder hebben gehad binnen de hierboven bedoelde gelieerde verhoudingen; de bedrijfsmiddelen staan of stonden reeds ter beschikking van een onderneming binnen de door artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB bedoelde gelieerde verhoudingen en kort na de verwerving wordt in de bedrijfsmiddelen ingrijpend geïnvesteerd ter zake van een om- of verbouw. Van een ingrijpende investering in een bedrijfsmiddel is eerst sprake als de kosten ten minste een bedrag belopen gelijk aan de totale aanschaffingskosten van dat bedrijfsmiddel. Bij een bedrijfsmiddel dat op grond van artikel 3.45 van de Wet IB 2001 ten dele is uitgesloten van investeringsaftrek (bijvoorbeeld grond en het woongedeelte van bedrijfspanden), worden voor bovenstaande toets als kosten van om- of verbouw in aanmerking genomen de kosten van de om- of verbouw van de niet-uitgesloten bestanddelen. Voor de bepaling van de aanschaffingskosten van het bedrijfsmiddel moet worden uitgegaan van de totale aanschaffingskosten, inclusief de uitgesloten bestanddelen. Bij de bepaling van de omvang van een om- of verbouw worden zaken die als zelfstandige bedrijfsmiddelen kunnen worden aangemerkt, buiten beschouwing gelaten. Met een verbouwing wordt in dit verband gelijkgesteld een uitbreiding die met de oorspronkelijke onroerende zaak één bedrijfsmiddel vormt en daarvan niet op eenvoudige wijze is te splitsen; de bedrijfsmiddelen staan of stonden reeds ter beschikking van de aandelenvennootschap en zijn door de groot-aandeelhouder gekocht met de bedoeling deze kort na de verwerving zonder winst aan de aandelenvennootschap door te verkopen, hetgeen ook is geëffectueerd. 5.4.2.2.2. De aandelenvennootschap gaat verplichtingen aan voor de verwerving van bedrijfsmiddelen jegens haar groot-aandeelhouder, waarbij de bedrijfsmiddelen tot dat tijdstip tot het ondernemingsvermogen van de groot-aandeelhouder van zijn in Nederland gedreven (gedeelte van zijn) onderneming behoorden; of jegens een binnen Nederland gevestigde gelieerde aandelenvennootschap. De bedrijfsmiddelen hadden onmiddellijk voorafgaand aan het aangaan van de verplichtingen in de onderneming van de groot-aandeelhouder of bij de gelieerde aandelenvennootschap, de hoedanigheid van onderhanden werk dan wel voorraad (grondstoffen, hulpstoffen, goederen in bewerking, gerede producten, handelsgoederen e.d.) en zijn niet eerder binnen de door artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB bedoelde gelieerde verhoudingen bedrijfsmiddel geweest. 5.4.2.2.3. De aandelenvennootschap gaat verplichtingen aan jegens een niet binnen Nederland gevestigde gelieerde aandelenvennootschap voor de verwerving van bedrijfsmiddelen. De bedrijfsmiddelen zijn niet eerder in die hoedanigheid binnen de door artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB bedoelde gelieerde verhoudingen betrokken geweest in de fiscale wetgeving binnen Nederland en hebben niet eerder ter beschikking gestaan van een binnen Nederland gevestigde onderneming binnen de hiervoor bedoelde gelieerde verhoudingen. Gelijktijdig met of kort na de verwerving worden de bedrijfsmiddelen in gebruik genomen. 5.4.2.2.4. De aandelenvennootschap gaat verplichtingen aan voor de verwerving van bedrijfsmiddelen jegens de groot-aandeelhouder of jegens een gelieerde aandelenvennootschap. Gelijktijdig met of kort voor het aangaan van de verplichtingen gaat het volledige belang in de investerende aandelenvennootschap blijvend over op (een) derde(n). Na de overdracht van het belang is elke gelieerdheid verbroken en is (zijn) de groot-aandeelhouder of de vervreemdende vennootschap en/of haar aandeelhouder(s) vanaf het moment van aandelenoverdracht op geen enkele wijze meer betrokken bij de leiding van de investerende vennootschap. De bij de overdracht van het belang betrokken aandelen zijn tegen een zakelijke prijs overgedragen, waarbij de afwikkeling van deze overdracht is geschied op een wijze zoals tussen derden gebruikelijk is. 5.4.2.2.5. De aandelenvennootschap gaat verplichtingen aan voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van de verwerving of verbetering van bedrijfsmiddelen jegens de groot-aandeelhouder/ondernemer; of jegens een gelieerde aandelenvennootschap. De inspecteurs zijn gemachtigd in de overige situaties waarin verplichtingen worden aangegaan, zoals omschreven onder 5.4.1, zonder dat wordt voldaan aan de omschrijving van de situaties in 5.4.2, maar wel aan de onder 5.4.4 gestelde voorwaarden, per bedrijfsmiddel investeringsaftrek toe te passen tot maximaal het bedrag van de desinvesteringsbijtelling die bij de inbrenger(s) of vervreemder(s) ter zake van de inbreng of vervreemding van dat bedrijfsmiddel is toegepast. De machtiging om in de onder 5.4.2 en 5.4.3 hiervoor bedoelde situaties namens mij ontheffing te verlenen geldt slechts als aan de volgende voorwaarden is voldaan: de bedrijfsmiddelen worden niet als belegging aangehouden; met betrekking tot de bedrijfsmiddelen blijven geen rechten achter of worden niet alsnog rechten gevestigd door de inbrenger(s) of vervreemder(s); de bedrijfsmiddelen hebben niet op enig tijdstip binnen vijf jaren voorafgaand aan het moment van het aangaan van de verplichtingen tot de bedrijfsmiddelen van de investerende aandelenvennootschap behoord; en de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende verplichtingen voldoen aan hetgeen tussen derden gebruikelijk is. Bij de bepaling van de investeringsaftrek over het jaar waarin de verplichtingen waarop de ontheffing betrekking heeft, zijn aangegaan, wordt in het totale investeringsbedrag mede begrepen de waarde in het economische verkeer van alle bedrijfsmiddelen die in dat jaar zijn verkregen uit verplichtingen, genoemd in artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB en waarvoor ontheffing wordt of zou kunnen worden verleend. Voor situaties waarin de groot-aandeelhouder in het buitenland een onderneming drijft en waarin door het onder 5.4.2.2.2 gestelde geen volledige investeringsaftrek wordt toegepast, dienen belanghebbenden een verzoek te richten aan Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen/Cluster Vpb-IBwinst, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag. In andere situaties dan die in dit besluit vermeld, wordt geen investeringsaftrek verleend. Belanghebbenden behoeven derhalve niet naar mij te worden verwezen. Het verzoek moet zijn ingediend vóór het moment waarop de aanslag vennootschapsbelasting van het jaar waarop de investering betrekking heeft, onherroepelijk vaststaat, onder vermelding van de voor de toepassing van dit besluit van belang zijnde gegevens.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel