Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Desinvesteringsbijtelling

Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, investeringsaftrek· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 27 maart 2014

Als de ondernemer zijn onderneming staakt door overlijden, is geen sprake van vervreemding in de zin van artikel 3.47 van de Wet IB 2001. Het voorgaande geldt eveneens als de onderneming wordt voortgezet, al dan niet geruisloos. Dit is anders als wordt gestaakt in het zicht van overlijden. In dat geval moet een desinvesteringsbijtelling in aanmerking worden genomen. Ik acht dit ongewenst. Ik keur goed dat, op een daartoe strekkend verzoek, geen desinvesteringsbijtellingen in aanmerking worden genomen als een onderneming in het zicht van overlijden wordt overgedragen dan wel geliquideerd, mits wordt voldaan aan twee voorwaarden. Er moet een direct causaal verband bestaan tussen het overdragen dan wel het liquideren van de onderneming en het overlijden van de ondernemer in die zin dat de onderneming niet zou zijn overgedragen of geliquideerd als het overlijden niet aanstaande zou zijn geweest. Aannemelijk moet zijn, dat de mogelijkheden die de Wet IB 2001 biedt om een overeenkomst aan te gaan die er toe leidt dat de fiscale afrekening eerst bij overlijden plaatsvindt, niet konden worden benut. Hierbij valt aan de volgende mogelijkheden te denken: verhuur van de onderneming met een optierecht voor de huurder uit te oefenen na het overlijden van de verhuurder; verlenen van een optierecht zonder verhuur van de onderneming, waarbij de toekomstige koper tegen een gedeelte van de winst de onderneming tot aan het tijdstip van uitoefening van het recht – namelijk bij overlijden – drijft; aangaan van een firma-overeenkomst met de koper waarbij de oorspronkelijke ondernemer zich de stille reserves voorbehoudt en waarbij pas na overlijden van deze firmant de onderneming aan de nieuwe firmant – bijvoorbeeld door middel van een overnemingsbeding – wordt geleverd (zie HR 5 november 1958, nr. 13 658); toekenning van een legaat – zijnde de onderneming – tegen inbreng (zie HR 17 januari 1964, NJ 1965/126 en Antwoord staatssecretaris Van den Berge in de vergadering van de Eerste Kamer van 9 december 1964, Handelingen, blz. 223 rk.); verkoop van de onderneming met uitstel van levering gedurende een bepaalde tijd en vervolgens of verhuur van de onderneming aan de koper, of het door de koper tegen een aandeel in de winst laten drijven van de onderneming, tot het leveringstijdstip. Het leveringstijdstip dient dan wel na de vermoedelijke overlijdensdatum te liggen om de overdrachtswinst als overlijdenswinst aan te merken (zie HR 29 oktober 1958, nr. 13 648, en Hof Amsterdam 20 april 1970, nr. 315/1969). Als binnen een samenwerkingsverband de onderneming wordt overgedragen aan een of meer personen die de onderneming mede drijven kan geen gebruik worden gemaakt van bovengenoemde goedkeuring. In die gevallen kunnen de wettelijke mogelijkheden worden benut. Het verzoek moet zijn ingediend vóór het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting van het jaar waarop de desinvestering betrekking heeft, onherroepelijk vaststaat. De inspecteurs zijn gemachtigd zelfstandig te beslissen op de verzoeken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel