De Nederlandsche Bank NV (DNB) heeft een handhavende bevoegdheid op grond van artikel 11, van de Muntwet 2002. Dit houdt onder andere in dat DNB bevoegd is tot oplegging van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete.
Hieronder wordt ingegaan op het beleid dat door DNB wordt toegepast voor de handhaving van:
artikel 6, eerste lid, van de Verordening (EG) 1338/2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij1PbEG 2001, L 181, laatstelijk gewijzigd door Verordening (EG) 44/2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1338/2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij, PbEG 2009, L 17., voor zover dat artikel betrekking heeft op munten,
de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 4, eerste lid, van de Verordening (EU) 1210/2010 betreffende de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie2PbEG 2010, L 339/1., en
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betreffende de verplichting aan een ieder om medewerking te verlenen.
Hierna ook gezamenlijk aan te duiden als ‘relevante wettelijke artikelen’.
De bepalingen waarop de toezichtstaak is gebaseerd komen als eerste aan de orde (paragraaf 2). Daarna wordt omschreven op welke wijze DNB toezicht houdt op de naleving van deze bepalingen (paragraaf 3) en volgen de doelstelling en uitgangspunten die de toezichthouders hanteren bij hun handhavingsbeleid (paragraaf 4). Tot slot wordt uiteengezet welke factoren een rol spelen bij de inzet van handhavingsinstrumenten (paragraaf 5).
Artikel 1
Inleiding
Onderdeel van Beleidsregel handhaving toezicht recirculatie munten· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 18 maart 2015